Condrat staat overeind, zet de roeispaan tegen de dikke stammen van
de eikenbomen en duwt de boot door het bos. Tegen de zijkanten van de
boot bonken brokken ijs en afgebroken takken, vermengd met drijvende
eilanden, oude bladeren en de veren van aalscholvers en reigers. De
storm sleurt het kolkende water tussen de bomen en het struikgewas
door. Het water is niet erg diep, maar onder de schors van de wat
oudere bomen is het gestegen tot boven bij de kruinen – en boven
het geluid van de storm uit, en van de stukken ijs die met een droog
geluid tegen de eiken slaan, klinkt het geklots ervan onder de bast
van de stammen. Het verdorde gras dat is overgebleven van vorig jaar,
wordt onder water zichtbaar door de stormvlagen en het langsglijden
van de boot.
Aan Condrats bedaarde bewegingen is bijna niet te zien dat hij al
zijn gewicht erin legt om de boot voort te duwen en in evenwicht te
houden door het bos. Zijn bleekblauwe ogen priemen ergens in de
verte.
‘Heb je iets gezien, Condrat?’ roept de dikbuikige man vanuit de
andere hoek van de boet. Hij brult de woorden om zich verstaan te
maken over het kabaal van de storm en de takken heen.
Condrat geeft geen antwoord en roeit verder. Zonder de ander aan te
kijken hanteert hij de roeispaan en stuurt de boot om een verdorde,
oude eik heen die in het water is gestort, met zijn uitgerukte
gapende wortels. De sneeuwstorm walst het water plat, duwt de lange,
dikke aders van de wortels over de liggende boomstam zodat ze de
takken uit de top van de kroon raken en zich ermee verstrengelen.
‘Het is maar goed dat hij is omgevallen, dat oudje! Moet je eens
zien hoe hij zijn wortels kust!’ brult de dikzak opnieuw vanaf de
andere kant van de boot. Hij probeert met zijn tandeloze mond, tegen
de wind in, de beste plaats te vinden vanwaar zijn geschreeuwde
woorden rechtstreeks naar Condrat kunnen vliegen. ‘Het is maar goed
dat die oude eik is omgewaaid!’
Condrat luistert niet naar de dikkerd, of hij hoort hem niet, hij
duwt de boot verder met de roeispaan.
De dikzak doet er een tijdje het zwijgen toe, om zichzelf rust te
gunnen. Hij ademt zwaar en veegt met de mouw van zijn met bont
gevoerde jas het met regenwater en modder vermengde zweet van zijn
smalle voorhoofd en zijn rosse, bolle wangen. Hij pakt zijn houten
rechterbeen vast en legt het op de rand van de boot om beter zijn
evenwicht te kunnen bewaren. Dan haalt hij weer een diepe teug adem
in zijn borst en begint weer te brullen.
‘Hij was al dertig jaar geleden helemaal verdord. En nog altijd zo
recht als een kaars. Niemand die hem omhakte. De mensen meden hem en
zeiden dat hij niet verdord was, dat hij nog leefde – achterlijk
stelletje idioten! – misschien dachten ze dat hij zoveel
levenskracht in zich had verzameld dat hij ook zonder bladeren wel
bleef leven. Maar kijk, in werkelijkheid was hij zo rot als een
stinkende azijnboom. Pff!
De dikbuik spuugt – en de fluim wordt teruggeblazen in zijn
gezicht.
Door telkens opnieuw de roeispaan aan weerszijden van de boot te
bewegen, probeert Condrat weg te komen uit de stroming rondom de
gevelde eik, die midden in een grote open plek volledig is
blootgesteld aan het stormgeweld; over een afstand van zo’n honderd
meter is er geen andere boom te bekennen.
‘Moet je zien, Condrat, hoe die krakkemikkige eik de klei heeft
leeggezogen. Denk maar hoe het was toen er hier nog aarde was. Die
eik had alles om hem heen drooggelegd. Zelfs gras groeide niet meer
bij hem in de buurt. En de mensen zeiden: dat is de mooiste en de
taaiste boom. Hij is de trots van ons bos. Ze hakten sommige van de
jonge boom om, maar deze lieten ze ongemoeid. Moet je eens zien hoe
hol hij nu is, je kunt door zijn stam heen kijken alsof het een
verrekijker is, zodat je het einde beter kunt zien!’
Condrat haalt de boot uit de stroming en duwt hem krachtig in de
richting van het groepje hoge bomen tegenover hem.
‘Misschien zou ik mijn mond verder moeten houden, Condrat. Er is
niets meer dat met woorden gemeten kan worden. De dagen en nachten
volgen elkaar de een na de ander op en wij glijden erdoorheen alsof
ze herinneringen zijn. Waar nog droge grond is, is er geen doorkomen
aan. Deze winter zijn de poolvogels niet meer in onze Delta
neergestreken, zoals ze in tijden van vrede gewoon waren, om hier de
grote vakantie door te brengen. Het lukt ze niet meer om van de pool
hier naartoe te vliegen. De lucht is vol. Kanonskogels hebben een
lang bereik. Het is bijna begin maart – en je zult zien dat dit
voorjaar de kraanvogels niet meer vanuit het zuiden zullen komen.
Hoeveel vogels zullen erin slagen over Griekenland en Italië te
vliegen? Rommel is nog in Afrika. Wij zullen genoegen moeten nemen
met de mussen, mijn beste.’
De dikbuik neemt weer een pauze, haalt nog eens diep adem, brengt
zijn mond in de goede positie in de wind en brult opnieuw: ‘Ik heb
zin om te praten, Condrat. Ik was vroeger iemand, Condrat, een
hoogvlieger, en ik ben tussen jullie hier verzeild geraakt. Zolang ik
hier woon – hoe ik hier woon – is er niemand in dit dorp geweest
met wie ik een woord kon wisselen. En in mijn afzondering ben ik ’s
nachts in mijn dromen gaan praten. Ik ging naar bed, viel in een
diepe slaap en rond middernacht begon ik hardop te dromen. Blijkbaar
had ik mooie dingen te vertellen, een tijdlang had mijn vrouw de
gewoonte opgevat om wanneer ze ’s nachts wakker werd, op te staan
uit bed, haar handwerk te pakken, op de stoel te gaan zitten zodat ze
tegen de kachel kon leunen, en naar me te luisteren. Op een ochtend
zei ze tegen me: “Afgelopen nacht heb je mooier gesproken dan de
nacht daarvoor. Je vertelde over een witte vogel die op één poot
tussen het riet in de Delta stond en melk dronk uit de sterren. Hij
dronk melk uit de sterren tot hij verzadigd was en zijn snavel
terugtrok om te gaan slapen. Maar de sterren bleven gebarsten. En er
stroomde zoveel melk uit de sterren in het water beneden, dat het
water helemaal indikte, totdat het een steenhard soort melkgrond was
geworden. En je zei tegen mij, echtgenoot: ‘Het is genoeg geweest,
we gaan verhuizen, we ontsnappen aan dit onzalige dorp, maak je
gereed, we verhuizen. Help me om het huis op te pakken, hou het
stevig vast bij de dakrand, wees voorzichtig, de dakranden zijn nogal
rot, dat ze niet breken. Pak je breinaalden, je handwerk, de stoel en
de kachel – we gaan naar de zandbank van gestolde melk. Daar zullen
we niet meer ieder jaar onder water worden gezet.’” En wat ik
allemaal niet voor prachtigs vertelde. Maar in de ochtend, als ik er
ook van had kunnen genieten, wist ze die niet meer, ik luisterde
stiekem hoe mijn vrouw de buurvrouwen erover vertelde. Ze bestal me,
Condrat, en het ergste is nog wel dat ze me niet bestal zoals het
hoorde. Mijn vrouw is niet van de allerslimsten. En ik besefte dat ze
niet alles wat ik ’s nachts had verteld pikte – en veel dingen
zijn verloren gegaan, zonder dat ooit iemand te weten kwam hoe
samenhangend en mooi ze waren. En het werd weer dag en er was niemand
met wie ik kon praten, jullie werden allemaal in beslag genomen door
de dagelijkse beslommeringen, door jullie kinderen en jullie vee,
door het water dat jullie erf overstroomde, en dat jullie erf steeds
overstroomt zonder dat jullie ergens heen kunnen vluchten, want
niemand trekt zich iets van jullie aan. Jullie hebben me nooit de
aandacht gegund die mij toekomt, Condrat – sommigen lachten me
zelfs uit, bijvoorbeeld Vlase. Ik had niemand om mee te praten, zo is
het. Met juffrouw Maria – poeh! – uit dat juffie komt geen stom
woord. Ze is eerder vroedvrouw en dorpsarts dan onderwijzeres, ze
speelt ook voor gemeentehuis in dit verlaten dorp, waar de geboorten
en sterftegevallen anders door niemand zouden worden opgetekend. Laat
mij maar praten, Condrat.’ Condrat roeit afwezig verder en laat de
woordenvloed over zich heen komen. ‘Luister nu naar me, wie weet
anders daarna... Denk je niet dat ik ook best de rol van gemeentehuis
op me had willen nemen, of tenminste die van dorpsarts? Maar toen
kreeg ik last van aderverkalking, jullie zien alleen dat ik mijn been
kwijt ben, maar ook de aderen van mijn armen zijn erdoor aangetast en
ik kan niet eens een pen ter hand nemen om het jaar, de dag, de maand
en het tijdstip te noteren. Het water en die ellendige winters van
jullie hebben me ziek gemaakt, want die hebben zelfs een dichter van
de tedere liefde zoals Ovidius tot wanhoop gedreven.’
De dikzak heeft zich schor geschreeuwd en kan niet meer verder. Hij
kan in de wind niet meer de geschiktste plaats vinden vanwaar hij
zijn woorden naar Condrat moet brullen. De wind raakt met zichzelf
vermengd en in zichzelf verward, ze wikkelt zich om de regen heen. De
woorden van de dikkerd verwaaien, de lettergrepen mengen zich met
elkaar, vallen uiteen en vliegen alle kanten uit. De dikke probeert
ze met zijn gehoor te vangen. Zo verward als ze zijn, met omgekeerde
en anders gepaarde lettergrepen komen ze als iets geweldigs op hem
over – en hij probeert ze op te vangen en in zijn geheugen op te
slaan, in de hoop dat hij het er levend af zal brengen en ze zal
kunnen navertellen als ongehoorde herinneringen. Maar hij kan die
omgekeerde woorden niet meer vangen, ook deze worden hem ontstolen en
hij hoort alleen nog – in de tussenpauzes tussen de korte
windvlagen die elkaar steeds opvolgen – het gekras van de raven,
het gekraak van de takken en het glazen geluid van de brokken ijs in
het water. Hij voelt dat zijn mond leeg en droog is en hij strijkt
met zijn tong over zijn dikke lippen, die nat zijn van de regen. Hij
stuit met zijn tong op iets kouds en donzigs, in zijn mondhoek. Hij
slaat zijn diepliggende kleine ogen op – naar de hemel – en zegt,
ditmaal zachtjes, terwijl hij zijn lippen op elkaar klemt zodat de
woorden niet wegvliegen en om ze beter te kunnen voelen:
‘Sneeuwvlokken. De winter is teruggekeerd. We krijgen weer een
sneeuwstorm.’
Condrat stuurt de boot verder door een groepje bomen. De eiken
groeien hier vlak naast elkaar. Hun stammen raken elkaar, hun door de
wind zwiepende taken grijpen in elkaar, halen elkaar open, het sap
stroomt er dik en groen uit en vermengt zich met het ijs, met de
regen en met de sneeuwvlokken, die steeds feller neervallen, en met
de modder die een korst vormt op de golven.
Dan komt de boot plotseling terecht in een watermassa zonder einde,
zonder zelfs maar één enkele boom. Opeens is het bos opgehouden.
Het water van de Delta strekt zich naar alle kanten uit, troebel en
leeg. De eilandjes van droog, donkergrijs riet, die hier en daar
verspreid liggen over het water, kunnen het oog niet bedriegen, daar
is geen droog land. Ze dobberen, meegesleurd door de waterstroom.
‘Keer de boot!’ roept de dikbuik uit alle macht. ‘Terug,
Condrat! Dat is alles. Er is geen grond. Het heeft geen zin om verder
te gaan. Draai om, de duivel hale ons allemaal! Als er geen droge
grond is in het bos – dan is het nergens! Alles staat onder water,
in het dorp, in het bos, in het riet. Terug! Er is nergens een plek
waar we het kind kunnen begraven! Er is geen aarde voor een graf. Er
is zelfs geen aarde voor een graf meer overgebleven. Terug naar het
dorp! Misschien vinden we een veranda, misschien is er iemand die een
kamer heeft die nog niet is ondergelopen. Dan vragen we of we hem
daar mogen begraven.’
Condrat laat de roeiriem in het water bungelen. Hij knippert
voortdurend met zijn ogen. Onder zijn ongeschoren baard lopen
regendruppels en zweetdruppels in elkaar over. De fijne motregen
verstikt de lucht. Tussen de regen in wriemelen witte plekken sneeuw
en ijspegels. Zwaar valt de sneeuw neer.
Condrat wil gaan zitten, in elkaar duiken. Hij heeft het koud. Hij
rilt. Hij kijkt naar de bodem van de boot en spert zijn ogen wijd
open. Het water is gestegen tot boven de vlonders. De doodskist van
het kind drijft in het water dat in de boot staat. De regen en sneeuw
vallen als een weergalmende mist op de deksel van de doodskist.
Plotseling recht Condrat zijn rug, pakt de roeispaan met beide
handen vast en keert de boot ruw naar het bos. Hij duwt hem met felle
gebaren voort, zet zich schrap, vertrekt zijn magere, ruige kaken en
ramt links en rechts met de roeispanen op het water. Hij klauwt met
zijn handen naar de takken, trekt eraan om de boot sneller voort te
stuwen. De boot klinkt dof in het met ijs bedekte water en glijdt
vlot over de lisdodde en de afgebroken takken.
‘Naar de duinen, Condrat!’ brult de dikke. ‘Niet naar het
dorp, naar de duinen! Keer om naar de zandduinen achter het dorp. De
duinen zijn hoog, het water is vast nog niet tot de top ervan
gestegen. Laten we het eerst daar proberen. We begraven hem in de
duinen. Wij vlechten een bed van takken voor hem zodat hij niet
wegzakt in het zand. Wat zeg jij daarvan, vrouw?’ brult de dikke
met zijn laatste krachten naar de achterkant van de boot, waar een
vrouw ineengedoken naast de doodskist zit. De vrouw had zich zo
kleingemaakt en was zo verkleumd in de regen – ze is dubbelgeklapt
en heeft zich opgerold – dat ze nauwelijks nog te zien was.
Vanbuiten de boot viel ze helemaal niet op. Ze leek te slapen. Ze had
haar handen weggestopt onder het dikke juten doek dat de deksel van
de doodskist bedekte om ze te behoeden voor de regen en de sneeuw –
en om ze op te warmen. En haar hoofd, met het gezicht naar omlaag,
had ze weggestopt in de jute. Haar zwarte hoofddoek was drijfnat, hij
glansde, in de plooien ervan had het water zich opgehoopt als in
troggen met randen die wit waren van de sneeuw.
Het uiteinde van Condrats roeispaan zoekt haastig steun bij de ene
boom na de andere. De boot snijdt met een langgerekt gekraakt door
het ijshuid van het water en de vervlochten takken, kronkelt in
snelle zigzagbewegingen tussen de bomen door.
De vrouw blijft ineengedoken zitten, met haar handen onder de doek,
haar gezicht verzonken in de dikke jute. Omdat hij er genoeg van
heeft het haastige glijden van de boot te volgen, de woeste
bewegingen van Condrat, wiens hoofd en schouders niets meer te zien
zijn tussen de bomen – valt de dikzak in slaap, zijn neus
weggestopt in de kraag van de met bont gevoerde jas, en begint te
snurken en in zijn slaap te praten – tussen het gesnurk door –
met luide, schreeuwerige stem.
De vrouw draait zich achter op de boot om en tilt haar hoofd op in
de richting van de dikke. Zijn vraag bleef door haar hoofd spelen:
‘Wat zeg jij daarvan, vrouw?’ – ze hoorde hem verder praten, ze
wist niet dat hij in zijn slaap sprak en wat hij zei, ze kon er geen
touw aan vastknopen, maar in haar oren weergalmde: ‘Wat zeg jij
daarvan, vrouw?’ Toen ze haar hoofd optilde, zonder echter al te
ver omhoog te komen van de doek die over de deksel lag, maar alleen
om het op een wang neer te vleien, stroomden de gootjes met water in
de plooien van haar hoofddoek leeg en deden de sneeuwranden smelten.
De vrouw voelde het koude water over haar hals stromen, over haar
borst, haar rug. Ze dook nog meer ineen van de kou, maar ze was blij
dat het ijskoude water dat tot op haar huid was doorgedrongen haar
had gewekt en ervoor had gezorgd dat ze besefte te leven. Ze wilde
haar hoofd weer neerleggen op de manier zoals ze daarvoor had
gezeten, maar ze kon de woorden die de dikke zojuist had uitgesproken
– ‘Wat zeg jij daarvan, vrouw?’ – niet van zich afzetten en
ze voelde zich weer blij, ze lachte zelfs zachtjes, ze dacht
werkelijk dat er aandacht aan haar werd besteed en dat er op haar
mening werd gewacht. En ze begint antwoord te geven, in een
ongeordende woordenvloed.
‘Ik, wat moet ik ervan zeggen, vader Ichim, nu je mij dat vraagt.
Wat moet ik zeggen? Wat ik al eerder heb gezegd, dat het mijn kind
is, en van Condrat, we moeten hem ergens begraven, dat moet gewoon,
zeker.’
Niemand hoort wat ze had gezegd. Eigenlijk praat zij ook niet met de
gedachte dat ze gehoord zal worden. Zij kon zichzelf ook niet
duidelijk horen en ze deed niet haar best om haar woorden enige
samenhang te geven. Diaken Ichim is in een diepe slaap verzonken en
brabbelt wat voor zich uit. Condrat, gebogen in het verlengde van de
roeispaan, stuwt de boot verder tussen de bomen. De vrouw praat
verder – zomaar, voor haar eigen plezier. Ze voelt hoe de woorden
weergalmen in haar borst, hoe ze, warm, gerond worden op haar lippen
– en ze kruipt steeds meer en steeds verder in zichzelf weg, in
haar versleten kleren van fries, en vindt daar haar schriele, magere
lichaam, dat ze allang niet meer kende. En ze lacht zachtjes, alsof
ze getuige is van een prachtig wonder. Het water met ijs glijdt
rumoerig langs de boot. De vrouw praat nog luider, duikt nog meer weg
in haar kleren, drukt haar wang stevig tegen de juten doek op de
deksel van de doodskist.
‘Zoals ik al zei, vader Ichim, wat moet ik ervan zeggen? Ik heb
van alles gezegd, dat kan ook niet anders, want het is mijn kind.
Waar jij wil, vader, en waar Condrat wil, daar begraven we hem. Hoe
anders? Maar waar, als we geen grond vinden? Bij zwager Vlase, want
die heeft een hooggelegen erf, dat staat niet helemaal onder water,
op zijn erf zou het kunnen. En dan heb ik het nog niet over zijn
huis, het water is niet eens tot de rand van de veranda gekomen, net
zoals bij de school. Het huis van Vlase staat er goed bij, al
drie-vier jaar heeft hij er geen spijker aan hoeven vertimmeren.
Goeie bouwers, uit Sulina, de palen zijn gehouwen door een Tartaar
uit Câşla. Maar Vlase kan het niet doen, dat heeft-ie me gezegd:
“Ik kan het niet, schoonzusje Fenia.” Hij heeft op zijn erf
veevoer liggen. Moet hij het voer dan in brand steken? “Geloof me,
schoonzusje Fenia, kijk, met een paar centen wil ik je best helpen,
ik ben geen heiden, ik heb zelf ook kinderen.” Hij heeft er twee,
al wat ouder, die ken je wel. “Ik ben geen heiden, ik breng hem ook
met de boot naar Tulcea, zestig kilometer ver, als je hem daar wilt
begraven, zoals het hoort, op een kerkhof. Maar ik kan hem nu niet
vervoeren, de Donau is nog niet helemaal ontdooid, de winter houdt
nog aan, en het ijs is nog niet gesmolten zoals op de meren hier, en
daarom kan het niet, we kunnen onderweg in het drijfijs vast komen te
zitten, en je weet dat de Donau drie armen heeft, niet eentje, en
alle drie zullen ze hun ijsschotsen onze kant uit sturen. Maar de
beesten moeten te eten hebben, schoonzus. Ze kunnen toch geen honger
lijden nadat ze – dat zie je toch? – door kniehoog water hebben
gelopen? Kijk eens naar ze, schoonzus Fenia, zodat je niet zegt dat
het niet waar is: de koe met de bles is kreupel geworden. Ze gaf een
hoop melk, ik hield haar voor de fok, ik heb haar uit Chilia-Veche
gehaald. Wat heb je voor nieuws van je broer Vangu, schoonzusje
Fenia, want die was toch visser in Chilia?” “Wat voor nieuws zou
er zijn, zwager Vlase, alles is goed, want ik heb niets van hem
gehoord.” “Zo zijn de mensen, schoonzus, je raakt elkaars spoor
bijster. Als je veevoer nodig hebt, dan geef ik jou ook iets, van wat
ik heb, veel is het niet en wie weet wat er nog kan gebeuren totdat
het water zich terugtrekt. Maar jullie, schoonzusje Fenia, hebben
geen veevoer nodig, want jullie houden geen vee, daar heb je gelijk
in, het is beter als je niets hebt als je op het punt staat alles
kwijt te raken. Ik houd ze hier op het erf, wat moet ik anders, zes
heb ik er, zes zijn het er. Gură Spovidău, die bandiet, heeft zijn
zinnen erop gezet. Van de winter al. Hij heeft paardenbotten onder
zijn schoenen gebonden en is over het ijs gekomen, over de Donau,
helemaal uit het Leteabos, waar hij zich schuilhoudt, om te kijken
wat er hier nog te stelen viel. Als hij het niet in de nacht van
Driekoningen had aangelegd met de dochter van Căpuci, dat meisje met
de grote tanden, want hij heeft de hele winter met haar liggen vrijen
naast de kachel, zou hij toen al mijn koeien hebben gestolen. Men
zegt dat Andrei de Dode, de vader van de dieven, ook tevoorschijn is
gekomen, het klopt niet wat de mensen zeggen, dat Andrei weer is
gestorven, en ditmaal voorgoed, voor de vijfde keer. Vergeet het
maar! Iemand heeft hem gisteren gezien in het bos naast onze duinen,
hij zat in een boom zijn hemd te verstellen. Zelfs nu houdt hij zich
niet gedeisd, nu alles onder water staat. Dat vermaledijde water
heeft hem weer tot leven gewekt zodat hij ons ook kan bestelen. Hij
beloert ons uit het bos, samen met de raven. Denk jij, schoonzusje
Fenia, dat die vetzak van een Vica, die de dochter is van Andrei de
Dode en die een onderkomen heeft gevonden in ons dorp, de sloerie,
geen contact onderhoudt met die dief van een Andrei, met haar vader?
Houd Condrat uit de buurt van Vica, Fenia, alleen van goede kerels
heeft ze het hoofd op hol gebracht: van Petre Litră, van Stavre
Pălici, van Chizlinski, van Luca Horobeţ, rustige mannen, met een
huis vol kinderen. Ze heeft een voorliefde voor zachtaardige mensen,
het kreng, om naar hartelust om hen heen te kronkelen. Denk je dat
Condrat haar voor niets had opgenomen in het ploegje waarmee hij deze
herfst is gaan vissen, in de rietgronden waar de vissen broeden? Houd
hem bij haar uit de buurt, Fenia, want jullie hebben zo al genoeg
narigheid aan jullie hoofd, en dan denkt Vica: ik kan maar beter nu
Condrat pakken, want hij wordt toch opgeroepen voor het front.’
Fenia, met haar hoofd tegen de doek geleund, barstte uit in een
soort gesnik. En uit dat droge gesnik, zonder modulaties, begon ze,
net zo droog, Vica’s lied te zingen. Uit het mond klonk het als een
klaagzang en tegelijkertijd als een vervloeking. Zij beweende haar
dode kind, maar zong ook met haat de woorden van Vica’s lied:
Vica, opgedirkte feeks van de nacht
Van welke familie ben je, van welk geslacht?
Je moeder heeft je in een sloep gebaard
De Donau is je min geweest,
In een krib heeft ze je bewaard
Met maan melk uit haar borst – het meest...
Fenia bewoog haar hoofd van links naar rechts over de doek, om haar
ogen en haar neus af te vegen – en toen pakte ze de warrige draad
van haar verhaal over de ontmoeting met zwager Vlase weer op.
‘Ach, schoonzusje Fenia, zo is het. Houd Condrat uit de buurt. Net
als haar vader duikt die Vica op waar je haar het minst verwacht.
Nadat Gură Spovidău haar voor het eerst te grazen had genomen,
heeft dat geschifte mens vier dagen door het water gerend, tot aan
het Bogdaprostemeer. In al die tijd dat ze daar heeft gezeten, en dat
moet zo’n beetje een jaar zijn geweest, is haar jurk aan het lijf
vergaan, ze had rietbladeren om haar middel en haar borst gewikkeld,
als een regendanseres, en zo liep ze rond, en ze voedde zich met de
vissen die ze onder water in haar mond wist te vangen, als een otter.
En vanaf Bogdaproste, waar denk je dat Vica tevoorschijn is gekomen?
In Babadag! Een grote stad, met een station en een moskee. En hoe
denk je dat Vica in Babadag tevoorschijn is gekomen? In een rood-gele
katoenen bloemetjesjurk, tot op haar hielen, en met blauwe kammen op
haar hoofd. Aan haar voeten – geen sprake van dat ze nog
blootsvoets rondliep! – droeg ze sandalen van wit fluweel met ronde
gespen. En van wie denk je dat ze in Babadag het hoofd op hol heeft
gebracht? Van de mullah, de priester van de Tartaren en de Turken. Ze
heeft hem weggelokt uit de moskee. De mullah, een jonge kerel van 78,
was zo schoon als de muren met Pasen. De bewoners van Babadag –
nette lui, stadsmensen – deden of ze niets hoorden, niets zagen –
om de mullah niet te schande te zetten. En daarna is Vica weer hier
in het dorp verschenen. Zoals ik al zei, schoonzusje Fenia, het is
een zonde om je kind bij iemand op het erf te begraven en de runderen
er zomaar overheen te laten lopen. Ik heb een boot met twee
roeispanen, als de Donau niet zo bevroren was, en zelfs als hij
ontdooit duurt het een tijdje voordat de ijsschotsen weg zijn, zou ik
hem naar Tulcea hebben gebracht, schoonzus.” Maar ik kan mijn kind
toch niet in Tulcea achterlaten, vader Ichim? En wat Carpena betreft,
vader, wat moet ik zeggen, daar kan ik niets van zeggen, een vrouw
waar je op kunt bouwen, zij nam het voor me op. “Laat haar hem toch
brengen, Vlase, en hem hier bij ons op het erf begraven, want dat is
hooggelegen en is met stenen bedekt.” “Het kan echt niet,
Carpena, steek maar eens een schop in de grond op het erf, en dan
stuit je op water. Er ligt water onder, tot op de assen van de
aarde.” Zo is zwager mijn Vlase, hij praat mooi, het is een
genoegen om naar hem te staan luisteren. En zwager Vlase pakte toen
een schop en stak hem naast een hoop veevoer in de grond. En hij
begon te graven. Hij groef en groef en groef en hij vloekte, totdat
het water spetterend omhoog begon te borrelden. Het was prachtig
helder water, een genot. Zodra Carpena het water in de kuil zag, liet
ze zich op haar knieën vallen, strekte zich uit op haar buik en
begon er gulzig van te drinken. “Lekker water, echtgenoot Vlase,
laten we hem uitgraven en er een put bouwen. We moeten die plek niet
verpesten, het is een zonde om er een begraafplaats van te maken. Wat
een goed idee van je, Fenia, om eerst bij ons langs te komen, daar
houden we een pracht van een put aan over. Laat dat ter nagedachtenis
van het kind zijn. Kom mee in huis, Vlase, dan kunnen we bidden voor
de icoon, want dit is een heilig teken.” En ze gingen met zijn
tweeën het huis in en ik ben met het boot verder door het dorp
gevaren in de hoop nog iemand anders te vinden. Het gaat niet aan wat
deze en gene over Carpena zegt – ik heb haar niets te verwijten.
Niet omdat ze mijn zuster is. Ze maalt niet om kleren, ze draagt
steeds één en dezelfde jurk. Ik weet dat ze nog twee goede rokken
heeft, afgezien van die ene die ze aan heeft, maar die trekt ze nooit
aan om ermee te koop te lopen. De goede jurken heeft ze gevuld met
gras, goed gras, een jaar geleden gemaaid, in Periprava. Ook de met
bloemen versierde zijden kussens, uit haar bruidskist, heeft ze met
gras gevuld. Ze heeft de opening dichtgenaaid en heeft ze boven op de
kast gelegd, op zolder. Dat heeft Carpena gedaan, en groot gelijk
heeft ze! Zal er ooit nog gras op aarde zijn of niet? Dat kan niemand
zeggen.’
Fenia sprak steeds trager en steeds zachter, haar onsamenhangende
verhalen vertelde ze alleen nog met een beweging van haar lippen,
zonder woorden. Ze stopte ook met het bewegen van haar lippen. Ze
voelde dat de vrieskou ze had vastgezet. Op een vreemde manier
herinnerde ze zich haar handen: ze wist niet meer waar ze die had en
begon ze te zoeken, waarbij ze haar kin heen en weer liet glijden
over de stokstijf bevroren doek. Onder de doek voelde ze iets hards,
ongeveer ter grootte van een paar handen. In plaats van dat ze blij
was die terug te hebben gevonden, stond het haar tegen dat ze deze
weer terug had en dat ze daar nu voor moest zorgen, ze moest bewegen,
ze moest opwarmen, een beschut plekje ervoor moest zoeken, terwijl ze
op was van vermoeidheid en helemaal verkleumd. Ze had het gevoel dat
haar vingers waren vastgevroren aan de deksel van de doodskist. Het
ijs onder de doek glansde. De storm raasde en voerde steeds meer
sneeuw en water aan. Haar katoenen kleren hingen zwaar van het vocht
aan haar lichaam, ze kraakten bij de minste of geringste beweging,
want er had zich een korst ijs op gevormd. Ze wist nu zelfs niet meer
waar haar lichaam was, niet alleen haar handen. Ze probeerde het te
zoeken door haar knokige schouder vanbinnen tegen haar katoenen
kleding aan te wrijven, daar waar ze vermoedde dat de stiksels wat
dikker waren. Het was haar schouder, of ze vergiste zich, want hij
voelde aan als een natte plank. ‘Misschien ben ik verdronken.’ Ze
wilde haar oogleden losmaken uit het water en ijs dat de hele tijd
over haar gezicht stroomde en op haar wimpers drukte. Condrat en de
diaken zag ze bibberig door de nevel van de regen en de witheid van
de sneeuw, ergens tussen het bos en de hemel. De boot was er niet
meer, alleen te zien was nog hoe de regenvlagen de omtrekken van de
bomen, van de takken uitwisten, totdat er niets anders overbleef dan
een eindeloze wittige vlek en de kraaien die verward rondfladderden.
Het bos, het hele bos, schoot af en toe tevoorschijn, spoot omhoog
uit het water en het ijs, steeg op en viel dan weer achterover neer,
met de toppen van de bomen omlaag, zodat ze water deden opspetteren
met hun besnorde wortels vol modder. Ze zag Condrat die zweefde door
het water en de sneeuw in de lucht, met zijn roeispaan malend door de
takken die door de sneeuwstorm alle kanten op werden geblazen, ver
weg van haar, met takken bij zijn slapen en op zijn schouders, hij
kwam overeind, viel neer en schoot weer snel samen met een stel
wortels en een stel wolken door het water, dat zich eindeloos
uitstrekte, met ijzige drukknopjes vastgeklikt aan de hemel. De
diaken vertoonde zich af en toe ook onder de priemende blikken van de
vrouw, ze zag hem weggedoken in zijn met bont gevoerde mantel, waarin
hij onder het water en de sneeuw voortgleed, ze hoorde af en toe
alleen hoe een wat grover uitgevallen woord van hem doorgesneden en
gekliefd werd door het ijl en schril klinkende glas van de ijsbrokken
die in het water dartelden. En alles stortte in. Er viel niets anders
meer te zien behalve zijzelf, achter in de boot, naast de doodskist,
zonder Condrat, zonder de diaken. Ze riep zichzelf. Er was niets meer
te zien, er was niets meer – en misschien had daarom haar kreet
haar niet bereikt. Zij was er ook niet meer. Zij was ook verloren
gegaan, net als het bos, als de wolken, als het dorp, als Condrat.
Overal heerste witheid en stilte. Het wit en de stilte waren zo
dicht, zo vol, zo dik, zo bevroren, dat het schrijnende geraas van de
storm ergens buiten de wereld te horen was...
‘Reik me de bijl aan!’
Die woorden klonken zwak, ook van ergens buiten de witheid en de
stilte – en Fenia herkende in deze woorden iets van Condrats stem.
‘Het zou best kunnen dat het woorden van hem zijn, die hier jaren
geleden zijn verdwaald.’ Condrat sprak zelden met haar en met
anderen, ‘wie weet waar hij die woorden verborgen heeft gehouden,
dat ze nu uit hun schuilplaats tevoorschijn zijn gekomen en zonder
iemand ronddolen en op zoek zijn naar de tijd dat de mensen nog
leefden. Wanneer zou dat geweest zijn, dat ze allemaal nog leefden? O
ja, toen was Vica er.’ En Condrats woorden kwamen weer van voorbij
het wit.
‘Fenia, reik me de bijl aan!’
‘De woorden kunnen niet sterven, ze zijn in doodsstrijd.’ Fenia
kreeg medelijden met Condrats woorden en wilde een einde maken aan
hun lijden, zodat ze niet meer hoefden rond te waren op plaatsen waar
ooit mensen waren geweest – en ze hierheen brengen, naar haar, naar
de doden. Ze strekte de ijsschots van haar hand uit, om de dikke
sneeuw die haar scheidde van de woorden van haar man opzij te duwen.
Ze klauwde met haar nagels over het ijs. Ze zocht lange tijd, ze
probeerde enige malen de dikke muur van sneeuw en ijs te slechten,
maar slaagde daar niet in. De woorden gingen over naar gene zijde,
ze werden steeds minder hoorbaar, ze verwijderden zich, eenzaam
rondzwervend. Fenia spitste haar oren, om ze beter tegen de
sneeuwmuur te kunnen drukken, ze stak ook haar hand uit, maar ze
verloor haar evenwicht en viel. Het hout van haar handpalm kwam
plotseling in aanraking met een grote, hete, bezwete hand die zich
naar haar toeboog. Ze klampte zich vast aan die hand, waarvan ze
ineens de warmte herkende, en ze herinnerde zich, zomaar van het ene
moment op het andere, dat die hand haar, Fenia, had gestreeld toen ze
nog jong was. Hoeveel jaar zouden er sindsdien verstreken zijn? Ze
kneep stevig in die hete hand van lang geleden, zodat hij haar niet
meer zou ontglippen. Er was iets gebroken, de witheid van de hemel
was gebarsten tot op het water waarin de boot was weggezonken – en
Fenia zag hem – door die kier die was verschenen in het ijs van de
hele lucht – ze zag Condrat, over haar heen gebogen, terwijl hij
haar met zijn bleekblauwe ogen aankeek.
‘Sta op, Fenia. Reik me de bijl aan.’
Fenia probeerde overeind te komen. Condrats hand gleed uit de hare.
Zij voelde hoe haar arm langs haar lichaam omlaag hing. Ze vond op de
tast de bijl die op de bodem van de boot lag, naast de schop en de
spade, naast de doodskist. Ze probeerde de bijl bij de steel op te
pakken, ik weet niet meer of ze hem heeft opgepakt of niet. Een
tijdje later vond ze haar hand terug, onder de wang die tegen de
juten doek op de deksel lag – dus was ze opgestaan en was ze weer
op haar oude plekje gaan zitten – en werd bevangen door een diepe
slaap.
Condrat sloeg een paar takken van een dichtbegroeide eikenboom af en
gooide ze in de boot, aan de kant tegenover de plaats waar de vrouw
zat. Hij gooide de bijl weer terug en begon opnieuw de boot met de
roeispaan voort te duwen. De diaken sliep rustig verder, hij sprak
niet meer in zijn slaap.