de winter van de mannen, de everzwijnen waren mak

Ştefan Bănulescu | August 18, 2008
Translated by: Jan Willem Bos

 

Condrat staat overeind, zet de roeispaan tegen de dikke stammen van de eikenbomen en duwt de boot door het bos. Tegen de zijkanten van de boot bonken brokken ijs en afgebroken takken, vermengd met drijvende eilanden, oude bladeren en de veren van aalscholvers en reigers. De storm sleurt het kolkende water tussen de bomen en het struikgewas door. Het water is niet erg diep, maar onder de schors van de wat oudere bomen is het gestegen tot boven bij de kruinen – en boven het geluid van de storm uit, en van de stukken ijs die met een droog geluid tegen de eiken slaan, klinkt het geklots ervan onder de bast van de stammen. Het verdorde gras dat is overgebleven van vorig jaar, wordt onder water zichtbaar door de stormvlagen en het langsglijden van de boot.
Aan Condrats bedaarde bewegingen is bijna niet te zien dat hij al zijn gewicht erin legt om de boot voort te duwen en in evenwicht te houden door het bos. Zijn bleekblauwe ogen priemen ergens in de verte.
‘Heb je iets gezien, Condrat?’ roept de dikbuikige man vanuit de andere hoek van de boet. Hij brult de woorden om zich verstaan te maken over het kabaal van de storm en de takken heen.
Condrat geeft geen antwoord en roeit verder. Zonder de ander aan te kijken hanteert hij de roeispaan en stuurt de boot om een verdorde, oude eik heen die in het water is gestort, met zijn uitgerukte gapende wortels. De sneeuwstorm walst het water plat, duwt de lange, dikke aders van de wortels over de liggende boomstam zodat ze de takken uit de top van de kroon raken en zich ermee verstrengelen.
‘Het is maar goed dat hij is omgevallen, dat oudje! Moet je eens zien hoe hij zijn wortels kust!’ brult de dikzak opnieuw vanaf de andere kant van de boot. Hij probeert met zijn tandeloze mond, tegen de wind in, de beste plaats te vinden vanwaar zijn geschreeuwde woorden rechtstreeks naar Condrat kunnen vliegen. ‘Het is maar goed dat die oude eik is omgewaaid!’
Condrat luistert niet naar de dikkerd, of hij hoort hem niet, hij duwt de boot verder met de roeispaan.
De dikzak doet er een tijdje het zwijgen toe, om zichzelf rust te gunnen. Hij ademt zwaar en veegt met de mouw van zijn met bont gevoerde jas het met regenwater en modder vermengde zweet van zijn smalle voorhoofd en zijn rosse, bolle wangen. Hij pakt zijn houten rechterbeen vast en legt het op de rand van de boot om beter zijn evenwicht te kunnen bewaren. Dan haalt hij weer een diepe teug adem in zijn borst en begint weer te brullen.
‘Hij was al dertig jaar geleden helemaal verdord. En nog altijd zo recht als een kaars. Niemand die hem omhakte. De mensen meden hem en zeiden dat hij niet verdord was, dat hij nog leefde – achterlijk stelletje idioten! – misschien dachten ze dat hij zoveel levenskracht in zich had verzameld dat hij ook zonder bladeren wel bleef leven. Maar kijk, in werkelijkheid was hij zo rot als een stinkende azijnboom. Pff!
De dikbuik spuugt – en de fluim wordt teruggeblazen in zijn gezicht.
Door telkens opnieuw de roeispaan aan weerszijden van de boot te bewegen, probeert Condrat weg te komen uit de stroming rondom de gevelde eik, die midden in een grote open plek volledig is blootgesteld aan het stormgeweld; over een afstand van zo’n honderd meter is er geen andere boom te bekennen.
‘Moet je zien, Condrat, hoe die krakkemikkige eik de klei heeft leeggezogen. Denk maar hoe het was toen er hier nog aarde was. Die eik had alles om hem heen drooggelegd. Zelfs gras groeide niet meer bij hem in de buurt. En de mensen zeiden: dat is de mooiste en de taaiste boom. Hij is de trots van ons bos. Ze hakten sommige van de jonge boom om, maar deze lieten ze ongemoeid. Moet je eens zien hoe hol hij nu is, je kunt door zijn stam heen kijken alsof het een verrekijker is, zodat je het einde beter kunt zien!’
Condrat haalt de boot uit de stroming en duwt hem krachtig in de richting van het groepje hoge bomen tegenover hem.
‘Misschien zou ik mijn mond verder moeten houden, Condrat. Er is niets meer dat met woorden gemeten kan worden. De dagen en nachten volgen elkaar de een na de ander op en wij glijden erdoorheen alsof ze herinneringen zijn. Waar nog droge grond is, is er geen doorkomen aan. Deze winter zijn de poolvogels niet meer in onze Delta neergestreken, zoals ze in tijden van vrede gewoon waren, om hier de grote vakantie door te brengen. Het lukt ze niet meer om van de pool hier naartoe te vliegen. De lucht is vol. Kanonskogels hebben een lang bereik. Het is bijna begin maart – en je zult zien dat dit voorjaar de kraanvogels niet meer vanuit het zuiden zullen komen. Hoeveel vogels zullen erin slagen over Griekenland en Italië te vliegen? Rommel is nog in Afrika. Wij zullen genoegen moeten nemen met de mussen, mijn beste.’
De dikbuik neemt weer een pauze, haalt nog eens diep adem, brengt zijn mond in de goede positie in de wind en brult opnieuw: ‘Ik heb zin om te praten, Condrat. Ik was vroeger iemand, Condrat, een hoogvlieger, en ik ben tussen jullie hier verzeild geraakt. Zolang ik hier woon – hoe ik hier woon – is er niemand in dit dorp geweest met wie ik een woord kon wisselen. En in mijn afzondering ben ik ’s nachts in mijn dromen gaan praten. Ik ging naar bed, viel in een diepe slaap en rond middernacht begon ik hardop te dromen. Blijkbaar had ik mooie dingen te vertellen, een tijdlang had mijn vrouw de gewoonte opgevat om wanneer ze ’s nachts wakker werd, op te staan uit bed, haar handwerk te pakken, op de stoel te gaan zitten zodat ze tegen de kachel kon leunen, en naar me te luisteren. Op een ochtend zei ze tegen me: “Afgelopen nacht heb je mooier gesproken dan de nacht daarvoor. Je vertelde over een witte vogel die op één poot tussen het riet in de Delta stond en melk dronk uit de sterren. Hij dronk melk uit de sterren tot hij verzadigd was en zijn snavel terugtrok om te gaan slapen. Maar de sterren bleven gebarsten. En er stroomde zoveel melk uit de sterren in het water beneden, dat het water helemaal indikte, totdat het een steenhard soort melkgrond was geworden. En je zei tegen mij, echtgenoot: ‘Het is genoeg geweest, we gaan verhuizen, we ontsnappen aan dit onzalige dorp, maak je gereed, we verhuizen. Help me om het huis op te pakken, hou het stevig vast bij de dakrand, wees voorzichtig, de dakranden zijn nogal rot, dat ze niet breken. Pak je breinaalden, je handwerk, de stoel en de kachel – we gaan naar de zandbank van gestolde melk. Daar zullen we niet meer ieder jaar onder water worden gezet.’” En wat ik allemaal niet voor prachtigs vertelde. Maar in de ochtend, als ik er ook van had kunnen genieten, wist ze die niet meer, ik luisterde stiekem hoe mijn vrouw de buurvrouwen erover vertelde. Ze bestal me, Condrat, en het ergste is nog wel dat ze me niet bestal zoals het hoorde. Mijn vrouw is niet van de allerslimsten. En ik besefte dat ze niet alles wat ik ’s nachts had verteld pikte – en veel dingen zijn verloren gegaan, zonder dat ooit iemand te weten kwam hoe samenhangend en mooi ze waren. En het werd weer dag en er was niemand met wie ik kon praten, jullie werden allemaal in beslag genomen door de dagelijkse beslommeringen, door jullie kinderen en jullie vee, door het water dat jullie erf overstroomde, en dat jullie erf steeds overstroomt zonder dat jullie ergens heen kunnen vluchten, want niemand trekt zich iets van jullie aan. Jullie hebben me nooit de aandacht gegund die mij toekomt, Condrat – sommigen lachten me zelfs uit, bijvoorbeeld Vlase. Ik had niemand om mee te praten, zo is het. Met juffrouw Maria – poeh! – uit dat juffie komt geen stom woord. Ze is eerder vroedvrouw en dorpsarts dan onderwijzeres, ze speelt ook voor gemeentehuis in dit verlaten dorp, waar de geboorten en sterftegevallen anders door niemand zouden worden opgetekend. Laat mij maar praten, Condrat.’ Condrat roeit afwezig verder en laat de woordenvloed over zich heen komen. ‘Luister nu naar me, wie weet anders daarna... Denk je niet dat ik ook best de rol van gemeentehuis op me had willen nemen, of tenminste die van dorpsarts? Maar toen kreeg ik last van aderverkalking, jullie zien alleen dat ik mijn been kwijt ben, maar ook de aderen van mijn armen zijn erdoor aangetast en ik kan niet eens een pen ter hand nemen om het jaar, de dag, de maand en het tijdstip te noteren. Het water en die ellendige winters van jullie hebben me ziek gemaakt, want die hebben zelfs een dichter van de tedere liefde zoals Ovidius tot wanhoop gedreven.’
De dikzak heeft zich schor geschreeuwd en kan niet meer verder. Hij kan in de wind niet meer de geschiktste plaats vinden vanwaar hij zijn woorden naar Condrat moet brullen. De wind raakt met zichzelf vermengd en in zichzelf verward, ze wikkelt zich om de regen heen. De woorden van de dikkerd verwaaien, de lettergrepen mengen zich met elkaar, vallen uiteen en vliegen alle kanten uit. De dikke probeert ze met zijn gehoor te vangen. Zo verward als ze zijn, met omgekeerde en anders gepaarde lettergrepen komen ze als iets geweldigs op hem over – en hij probeert ze op te vangen en in zijn geheugen op te slaan, in de hoop dat hij het er levend af zal brengen en ze zal kunnen navertellen als ongehoorde herinneringen. Maar hij kan die omgekeerde woorden niet meer vangen, ook deze worden hem ontstolen en hij hoort alleen nog – in de tussenpauzes tussen de korte windvlagen die elkaar steeds opvolgen – het gekras van de raven, het gekraak van de takken en het glazen geluid van de brokken ijs in het water. Hij voelt dat zijn mond leeg en droog is en hij strijkt met zijn tong over zijn dikke lippen, die nat zijn van de regen. Hij stuit met zijn tong op iets kouds en donzigs, in zijn mondhoek. Hij slaat zijn diepliggende kleine ogen op – naar de hemel – en zegt, ditmaal zachtjes, terwijl hij zijn lippen op elkaar klemt zodat de woorden niet wegvliegen en om ze beter te kunnen voelen: ‘Sneeuwvlokken. De winter is teruggekeerd. We krijgen weer een sneeuwstorm.’
Condrat stuurt de boot verder door een groepje bomen. De eiken groeien hier vlak naast elkaar. Hun stammen raken elkaar, hun door de wind zwiepende taken grijpen in elkaar, halen elkaar open, het sap stroomt er dik en groen uit en vermengt zich met het ijs, met de regen en met de sneeuwvlokken, die steeds feller neervallen, en met de modder die een korst vormt op de golven.
Dan komt de boot plotseling terecht in een watermassa zonder einde, zonder zelfs maar één enkele boom. Opeens is het bos opgehouden. Het water van de Delta strekt zich naar alle kanten uit, troebel en leeg. De eilandjes van droog, donkergrijs riet, die hier en daar verspreid liggen over het water, kunnen het oog niet bedriegen, daar is geen droog land. Ze dobberen, meegesleurd door de waterstroom.
‘Keer de boot!’ roept de dikbuik uit alle macht. ‘Terug, Condrat! Dat is alles. Er is geen grond. Het heeft geen zin om verder te gaan. Draai om, de duivel hale ons allemaal! Als er geen droge grond is in het bos – dan is het nergens! Alles staat onder water, in het dorp, in het bos, in het riet. Terug! Er is nergens een plek waar we het kind kunnen begraven! Er is geen aarde voor een graf. Er is zelfs geen aarde voor een graf meer overgebleven. Terug naar het dorp! Misschien vinden we een veranda, misschien is er iemand die een kamer heeft die nog niet is ondergelopen. Dan vragen we of we hem daar mogen begraven.’
Condrat laat de roeiriem in het water bungelen. Hij knippert voortdurend met zijn ogen. Onder zijn ongeschoren baard lopen regendruppels en zweetdruppels in elkaar over. De fijne motregen verstikt de lucht. Tussen de regen in wriemelen witte plekken sneeuw en ijspegels. Zwaar valt de sneeuw neer.
Condrat wil gaan zitten, in elkaar duiken. Hij heeft het koud. Hij rilt. Hij kijkt naar de bodem van de boot en spert zijn ogen wijd open. Het water is gestegen tot boven de vlonders. De doodskist van het kind drijft in het water dat in de boot staat. De regen en sneeuw vallen als een weergalmende mist op de deksel van de doodskist.
Plotseling recht Condrat zijn rug, pakt de roeispaan met beide handen vast en keert de boot ruw naar het bos. Hij duwt hem met felle gebaren voort, zet zich schrap, vertrekt zijn magere, ruige kaken en ramt links en rechts met de roeispanen op het water. Hij klauwt met zijn handen naar de takken, trekt eraan om de boot sneller voort te stuwen. De boot klinkt dof in het met ijs bedekte water en glijdt vlot over de lisdodde en de afgebroken takken.
‘Naar de duinen, Condrat!’ brult de dikke. ‘Niet naar het dorp, naar de duinen! Keer om naar de zandduinen achter het dorp. De duinen zijn hoog, het water is vast nog niet tot de top ervan gestegen. Laten we het eerst daar proberen. We begraven hem in de duinen. Wij vlechten een bed van takken voor hem zodat hij niet wegzakt in het zand. Wat zeg jij daarvan, vrouw?’ brult de dikke met zijn laatste krachten naar de achterkant van de boot, waar een vrouw ineengedoken naast de doodskist zit. De vrouw had zich zo kleingemaakt en was zo verkleumd in de regen – ze is dubbelgeklapt en heeft zich opgerold – dat ze nauwelijks nog te zien was. Vanbuiten de boot viel ze helemaal niet op. Ze leek te slapen. Ze had haar handen weggestopt onder het dikke juten doek dat de deksel van de doodskist bedekte om ze te behoeden voor de regen en de sneeuw – en om ze op te warmen. En haar hoofd, met het gezicht naar omlaag, had ze weggestopt in de jute. Haar zwarte hoofddoek was drijfnat, hij glansde, in de plooien ervan had het water zich opgehoopt als in troggen met randen die wit waren van de sneeuw.
Het uiteinde van Condrats roeispaan zoekt haastig steun bij de ene boom na de andere. De boot snijdt met een langgerekt gekraakt door het ijshuid van het water en de vervlochten takken, kronkelt in snelle zigzagbewegingen tussen de bomen door.
De vrouw blijft ineengedoken zitten, met haar handen onder de doek, haar gezicht verzonken in de dikke jute. Omdat hij er genoeg van heeft het haastige glijden van de boot te volgen, de woeste bewegingen van Condrat, wiens hoofd en schouders niets meer te zien zijn tussen de bomen – valt de dikzak in slaap, zijn neus weggestopt in de kraag van de met bont gevoerde jas, en begint te snurken en in zijn slaap te praten – tussen het gesnurk door – met luide, schreeuwerige stem.
De vrouw draait zich achter op de boot om en tilt haar hoofd op in de richting van de dikke. Zijn vraag bleef door haar hoofd spelen: ‘Wat zeg jij daarvan, vrouw?’ – ze hoorde hem verder praten, ze wist niet dat hij in zijn slaap sprak en wat hij zei, ze kon er geen touw aan vastknopen, maar in haar oren weergalmde: ‘Wat zeg jij daarvan, vrouw?’ Toen ze haar hoofd optilde, zonder echter al te ver omhoog te komen van de doek die over de deksel lag, maar alleen om het op een wang neer te vleien, stroomden de gootjes met water in de plooien van haar hoofddoek leeg en deden de sneeuwranden smelten. De vrouw voelde het koude water over haar hals stromen, over haar borst, haar rug. Ze dook nog meer ineen van de kou, maar ze was blij dat het ijskoude water dat tot op haar huid was doorgedrongen haar had gewekt en ervoor had gezorgd dat ze besefte te leven. Ze wilde haar hoofd weer neerleggen op de manier zoals ze daarvoor had gezeten, maar ze kon de woorden die de dikke zojuist had uitgesproken – ‘Wat zeg jij daarvan, vrouw?’ – niet van zich afzetten en ze voelde zich weer blij, ze lachte zelfs zachtjes, ze dacht werkelijk dat er aandacht aan haar werd besteed en dat er op haar mening werd gewacht. En ze begint antwoord te geven, in een ongeordende woordenvloed.
‘Ik, wat moet ik ervan zeggen, vader Ichim, nu je mij dat vraagt. Wat moet ik zeggen? Wat ik al eerder heb gezegd, dat het mijn kind is, en van Condrat, we moeten hem ergens begraven, dat moet gewoon, zeker.’
Niemand hoort wat ze had gezegd. Eigenlijk praat zij ook niet met de gedachte dat ze gehoord zal worden. Zij kon zichzelf ook niet duidelijk horen en ze deed niet haar best om haar woorden enige samenhang te geven. Diaken Ichim is in een diepe slaap verzonken en brabbelt wat voor zich uit. Condrat, gebogen in het verlengde van de roeispaan, stuwt de boot verder tussen de bomen. De vrouw praat verder – zomaar, voor haar eigen plezier. Ze voelt hoe de woorden weergalmen in haar borst, hoe ze, warm, gerond worden op haar lippen – en ze kruipt steeds meer en steeds verder in zichzelf weg, in haar versleten kleren van fries, en vindt daar haar schriele, magere lichaam, dat ze allang niet meer kende. En ze lacht zachtjes, alsof ze getuige is van een prachtig wonder. Het water met ijs glijdt rumoerig langs de boot. De vrouw praat nog luider, duikt nog meer weg in haar kleren, drukt haar wang stevig tegen de juten doek op de deksel van de doodskist.
‘Zoals ik al zei, vader Ichim, wat moet ik ervan zeggen? Ik heb van alles gezegd, dat kan ook niet anders, want het is mijn kind. Waar jij wil, vader, en waar Condrat wil, daar begraven we hem. Hoe anders? Maar waar, als we geen grond vinden? Bij zwager Vlase, want die heeft een hooggelegen erf, dat staat niet helemaal onder water, op zijn erf zou het kunnen. En dan heb ik het nog niet over zijn huis, het water is niet eens tot de rand van de veranda gekomen, net zoals bij de school. Het huis van Vlase staat er goed bij, al drie-vier jaar heeft hij er geen spijker aan hoeven vertimmeren. Goeie bouwers, uit Sulina, de palen zijn gehouwen door een Tartaar uit Câşla. Maar Vlase kan het niet doen, dat heeft-ie me gezegd: “Ik kan het niet, schoonzusje Fenia.” Hij heeft op zijn erf veevoer liggen. Moet hij het voer dan in brand steken? “Geloof me, schoonzusje Fenia, kijk, met een paar centen wil ik je best helpen, ik ben geen heiden, ik heb zelf ook kinderen.” Hij heeft er twee, al wat ouder, die ken je wel. “Ik ben geen heiden, ik breng hem ook met de boot naar Tulcea, zestig kilometer ver, als je hem daar wilt begraven, zoals het hoort, op een kerkhof. Maar ik kan hem nu niet vervoeren, de Donau is nog niet helemaal ontdooid, de winter houdt nog aan, en het ijs is nog niet gesmolten zoals op de meren hier, en daarom kan het niet, we kunnen onderweg in het drijfijs vast komen te zitten, en je weet dat de Donau drie armen heeft, niet eentje, en alle drie zullen ze hun ijsschotsen onze kant uit sturen. Maar de beesten moeten te eten hebben, schoonzus. Ze kunnen toch geen honger lijden nadat ze – dat zie je toch? – door kniehoog water hebben gelopen? Kijk eens naar ze, schoonzus Fenia, zodat je niet zegt dat het niet waar is: de koe met de bles is kreupel geworden. Ze gaf een hoop melk, ik hield haar voor de fok, ik heb haar uit Chilia-Veche gehaald. Wat heb je voor nieuws van je broer Vangu, schoonzusje Fenia, want die was toch visser in Chilia?” “Wat voor nieuws zou er zijn, zwager Vlase, alles is goed, want ik heb niets van hem gehoord.” “Zo zijn de mensen, schoonzus, je raakt elkaars spoor bijster. Als je veevoer nodig hebt, dan geef ik jou ook iets, van wat ik heb, veel is het niet en wie weet wat er nog kan gebeuren totdat het water zich terugtrekt. Maar jullie, schoonzusje Fenia, hebben geen veevoer nodig, want jullie houden geen vee, daar heb je gelijk in, het is beter als je niets hebt als je op het punt staat alles kwijt te raken. Ik houd ze hier op het erf, wat moet ik anders, zes heb ik er, zes zijn het er. Gură Spovidău, die bandiet, heeft zijn zinnen erop gezet. Van de winter al. Hij heeft paardenbotten onder zijn schoenen gebonden en is over het ijs gekomen, over de Donau, helemaal uit het Leteabos, waar hij zich schuilhoudt, om te kijken wat er hier nog te stelen viel. Als hij het niet in de nacht van Driekoningen had aangelegd met de dochter van Căpuci, dat meisje met de grote tanden, want hij heeft de hele winter met haar liggen vrijen naast de kachel, zou hij toen al mijn koeien hebben gestolen. Men zegt dat Andrei de Dode, de vader van de dieven, ook tevoorschijn is gekomen, het klopt niet wat de mensen zeggen, dat Andrei weer is gestorven, en ditmaal voorgoed, voor de vijfde keer. Vergeet het maar! Iemand heeft hem gisteren gezien in het bos naast onze duinen, hij zat in een boom zijn hemd te verstellen. Zelfs nu houdt hij zich niet gedeisd, nu alles onder water staat. Dat vermaledijde water heeft hem weer tot leven gewekt zodat hij ons ook kan bestelen. Hij beloert ons uit het bos, samen met de raven. Denk jij, schoonzusje Fenia, dat die vetzak van een Vica, die de dochter is van Andrei de Dode en die een onderkomen heeft gevonden in ons dorp, de sloerie, geen contact onderhoudt met die dief van een Andrei, met haar vader? Houd Condrat uit de buurt van Vica, Fenia, alleen van goede kerels heeft ze het hoofd op hol gebracht: van Petre Litră, van Stavre Pălici, van Chizlinski, van Luca Horobeţ, rustige mannen, met een huis vol kinderen. Ze heeft een voorliefde voor zachtaardige mensen, het kreng, om naar hartelust om hen heen te kronkelen. Denk je dat Condrat haar voor niets had opgenomen in het ploegje waarmee hij deze herfst is gaan vissen, in de rietgronden waar de vissen broeden? Houd hem bij haar uit de buurt, Fenia, want jullie hebben zo al genoeg narigheid aan jullie hoofd, en dan denkt Vica: ik kan maar beter nu Condrat pakken, want hij wordt toch opgeroepen voor het front.’
Fenia, met haar hoofd tegen de doek geleund, barstte uit in een soort gesnik. En uit dat droge gesnik, zonder modulaties, begon ze, net zo droog, Vica’s lied te zingen. Uit het mond klonk het als een klaagzang en tegelijkertijd als een vervloeking. Zij beweende haar dode kind, maar zong ook met haat de woorden van Vica’s lied:
 
Vica, opgedirkte feeks van de nacht
Van welke familie ben je, van welk geslacht?
Je moeder heeft je in een sloep gebaard
De Donau is je min geweest,
In een krib heeft ze je bewaard
Met maan melk uit haar borst – het meest...
 
Fenia bewoog haar hoofd van links naar rechts over de doek, om haar ogen en haar neus af te vegen – en toen pakte ze de warrige draad van haar verhaal over de ontmoeting met zwager Vlase weer op.
‘Ach, schoonzusje Fenia, zo is het. Houd Condrat uit de buurt. Net als haar vader duikt die Vica op waar je haar het minst verwacht. Nadat Gură Spovidău haar voor het eerst te grazen had genomen, heeft dat geschifte mens vier dagen door het water gerend, tot aan het Bogdaprostemeer. In al die tijd dat ze daar heeft gezeten, en dat moet zo’n beetje een jaar zijn geweest, is haar jurk aan het lijf vergaan, ze had rietbladeren om haar middel en haar borst gewikkeld, als een regendanseres, en zo liep ze rond, en ze voedde zich met de vissen die ze onder water in haar mond wist te vangen, als een otter. En vanaf Bogdaproste, waar denk je dat Vica tevoorschijn is gekomen? In Babadag! Een grote stad, met een station en een moskee. En hoe denk je dat Vica in Babadag tevoorschijn is gekomen? In een rood-gele katoenen bloemetjesjurk, tot op haar hielen, en met blauwe kammen op haar hoofd. Aan haar voeten – geen sprake van dat ze nog blootsvoets rondliep! – droeg ze sandalen van wit fluweel met ronde gespen. En van wie denk je dat ze in Babadag het hoofd op hol heeft gebracht? Van de mullah, de priester van de Tartaren en de Turken. Ze heeft hem weggelokt uit de moskee. De mullah, een jonge kerel van 78, was zo schoon als de muren met Pasen. De bewoners van Babadag – nette lui, stadsmensen – deden of ze niets hoorden, niets zagen – om de mullah niet te schande te zetten. En daarna is Vica weer hier in het dorp verschenen. Zoals ik al zei, schoonzusje Fenia, het is een zonde om je kind bij iemand op het erf te begraven en de runderen er zomaar overheen te laten lopen. Ik heb een boot met twee roeispanen, als de Donau niet zo bevroren was, en zelfs als hij ontdooit duurt het een tijdje voordat de ijsschotsen weg zijn, zou ik hem naar Tulcea hebben gebracht, schoonzus.” Maar ik kan mijn kind toch niet in Tulcea achterlaten, vader Ichim? En wat Carpena betreft, vader, wat moet ik zeggen, daar kan ik niets van zeggen, een vrouw waar je op kunt bouwen, zij nam het voor me op. “Laat haar hem toch brengen, Vlase, en hem hier bij ons op het erf begraven, want dat is hooggelegen en is met stenen bedekt.” “Het kan echt niet, Carpena, steek maar eens een schop in de grond op het erf, en dan stuit je op water. Er ligt water onder, tot op de assen van de aarde.” Zo is zwager mijn Vlase, hij praat mooi, het is een genoegen om naar hem te staan luisteren. En zwager Vlase pakte toen een schop en stak hem naast een hoop veevoer in de grond. En hij begon te graven. Hij groef en groef en groef en hij vloekte, totdat het water spetterend omhoog begon te borrelden. Het was prachtig helder water, een genot. Zodra Carpena het water in de kuil zag, liet ze zich op haar knieën vallen, strekte zich uit op haar buik en begon er gulzig van te drinken. “Lekker water, echtgenoot Vlase, laten we hem uitgraven en er een put bouwen. We moeten die plek niet verpesten, het is een zonde om er een begraafplaats van te maken. Wat een goed idee van je, Fenia, om eerst bij ons langs te komen, daar houden we een pracht van een put aan over. Laat dat ter nagedachtenis van het kind zijn. Kom mee in huis, Vlase, dan kunnen we bidden voor de icoon, want dit is een heilig teken.” En ze gingen met zijn tweeën het huis in en ik ben met het boot verder door het dorp gevaren in de hoop nog iemand anders te vinden. Het gaat niet aan wat deze en gene over Carpena zegt – ik heb haar niets te verwijten. Niet omdat ze mijn zuster is. Ze maalt niet om kleren, ze draagt steeds één en dezelfde jurk. Ik weet dat ze nog twee goede rokken heeft, afgezien van die ene die ze aan heeft, maar die trekt ze nooit aan om ermee te koop te lopen. De goede jurken heeft ze gevuld met gras, goed gras, een jaar geleden gemaaid, in Periprava. Ook de met bloemen versierde zijden kussens, uit haar bruidskist, heeft ze met gras gevuld. Ze heeft de opening dichtgenaaid en heeft ze boven op de kast gelegd, op zolder. Dat heeft Carpena gedaan, en groot gelijk heeft ze! Zal er ooit nog gras op aarde zijn of niet? Dat kan niemand zeggen.’
Fenia sprak steeds trager en steeds zachter, haar onsamenhangende verhalen vertelde ze alleen nog met een beweging van haar lippen, zonder woorden. Ze stopte ook met het bewegen van haar lippen. Ze voelde dat de vrieskou ze had vastgezet. Op een vreemde manier herinnerde ze zich haar handen: ze wist niet meer waar ze die had en begon ze te zoeken, waarbij ze haar kin heen en weer liet glijden over de stokstijf bevroren doek. Onder de doek voelde ze iets hards, ongeveer ter grootte van een paar handen. In plaats van dat ze blij was die terug te hebben gevonden, stond het haar tegen dat ze deze weer terug had en dat ze daar nu voor moest zorgen, ze moest bewegen, ze moest opwarmen, een beschut plekje ervoor moest zoeken, terwijl ze op was van vermoeidheid en helemaal verkleumd. Ze had het gevoel dat haar vingers waren vastgevroren aan de deksel van de doodskist. Het ijs onder de doek glansde. De storm raasde en voerde steeds meer sneeuw en water aan. Haar katoenen kleren hingen zwaar van het vocht aan haar lichaam, ze kraakten bij de minste of geringste beweging, want er had zich een korst ijs op gevormd. Ze wist nu zelfs niet meer waar haar lichaam was, niet alleen haar handen. Ze probeerde het te zoeken door haar knokige schouder vanbinnen tegen haar katoenen kleding aan te wrijven, daar waar ze vermoedde dat de stiksels wat dikker waren. Het was haar schouder, of ze vergiste zich, want hij voelde aan als een natte plank. ‘Misschien ben ik verdronken.’ Ze wilde haar oogleden losmaken uit het water en ijs dat de hele tijd over haar gezicht stroomde en op haar wimpers drukte. Condrat en de diaken zag ze bibberig door de nevel van de regen en de witheid van de sneeuw, ergens tussen het bos en de hemel. De boot was er niet meer, alleen te zien was nog hoe de regenvlagen de omtrekken van de bomen, van de takken uitwisten, totdat er niets anders overbleef dan een eindeloze wittige vlek en de kraaien die verward rondfladderden. Het bos, het hele bos, schoot af en toe tevoorschijn, spoot omhoog uit het water en het ijs, steeg op en viel dan weer achterover neer, met de toppen van de bomen omlaag, zodat ze water deden opspetteren met hun besnorde wortels vol modder. Ze zag Condrat die zweefde door het water en de sneeuw in de lucht, met zijn roeispaan malend door de takken die door de sneeuwstorm alle kanten op werden geblazen, ver weg van haar, met takken bij zijn slapen en op zijn schouders, hij kwam overeind, viel neer en schoot weer snel samen met een stel wortels en een stel wolken door het water, dat zich eindeloos uitstrekte, met ijzige drukknopjes vastgeklikt aan de hemel. De diaken vertoonde zich af en toe ook onder de priemende blikken van de vrouw, ze zag hem weggedoken in zijn met bont gevoerde mantel, waarin hij onder het water en de sneeuw voortgleed, ze hoorde af en toe alleen hoe een wat grover uitgevallen woord van hem doorgesneden en gekliefd werd door het ijl en schril klinkende glas van de ijsbrokken die in het water dartelden. En alles stortte in. Er viel niets anders meer te zien behalve zijzelf, achter in de boot, naast de doodskist, zonder Condrat, zonder de diaken. Ze riep zichzelf. Er was niets meer te zien, er was niets meer – en misschien had daarom haar kreet haar niet bereikt. Zij was er ook niet meer. Zij was ook verloren gegaan, net als het bos, als de wolken, als het dorp, als Condrat. Overal heerste witheid en stilte. Het wit en de stilte waren zo dicht, zo vol, zo dik, zo bevroren, dat het schrijnende geraas van de storm ergens buiten de wereld te horen was...
‘Reik me de bijl aan!’
Die woorden klonken zwak, ook van ergens buiten de witheid en de stilte – en Fenia herkende in deze woorden iets van Condrats stem. ‘Het zou best kunnen dat het woorden van hem zijn, die hier jaren geleden zijn verdwaald.’ Condrat sprak zelden met haar en met anderen, ‘wie weet waar hij die woorden verborgen heeft gehouden, dat ze nu uit hun schuilplaats tevoorschijn zijn gekomen en zonder iemand ronddolen en op zoek zijn naar de tijd dat de mensen nog leefden. Wanneer zou dat geweest zijn, dat ze allemaal nog leefden? O ja, toen was Vica er.’ En Condrats woorden kwamen weer van voorbij het wit.
‘Fenia, reik me de bijl aan!’
‘De woorden kunnen niet sterven, ze zijn in doodsstrijd.’ Fenia kreeg medelijden met Condrats woorden en wilde een einde maken aan hun lijden, zodat ze niet meer hoefden rond te waren op plaatsen waar ooit mensen waren geweest – en ze hierheen brengen, naar haar, naar de doden. Ze strekte de ijsschots van haar hand uit, om de dikke sneeuw die haar scheidde van de woorden van haar man opzij te duwen. Ze klauwde met haar nagels over het ijs. Ze zocht lange tijd, ze probeerde enige malen de dikke muur van sneeuw en ijs te slechten, maar slaagde daar niet in. De woorden gingen over naar gene zijde, ze werden steeds minder hoorbaar, ze verwijderden zich, eenzaam rondzwervend. Fenia spitste haar oren, om ze beter tegen de sneeuwmuur te kunnen drukken, ze stak ook haar hand uit, maar ze verloor haar evenwicht en viel. Het hout van haar handpalm kwam plotseling in aanraking met een grote, hete, bezwete hand die zich naar haar toeboog. Ze klampte zich vast aan die hand, waarvan ze ineens de warmte herkende, en ze herinnerde zich, zomaar van het ene moment op het andere, dat die hand haar, Fenia, had gestreeld toen ze nog jong was. Hoeveel jaar zouden er sindsdien verstreken zijn? Ze kneep stevig in die hete hand van lang geleden, zodat hij haar niet meer zou ontglippen. Er was iets gebroken, de witheid van de hemel was gebarsten tot op het water waarin de boot was weggezonken – en Fenia zag hem – door die kier die was verschenen in het ijs van de hele lucht – ze zag Condrat, over haar heen gebogen, terwijl hij haar met zijn bleekblauwe ogen aankeek.
‘Sta op, Fenia. Reik me de bijl aan.’
Fenia probeerde overeind te komen. Condrats hand gleed uit de hare. Zij voelde hoe haar arm langs haar lichaam omlaag hing. Ze vond op de tast de bijl die op de bodem van de boot lag, naast de schop en de spade, naast de doodskist. Ze probeerde de bijl bij de steel op te pakken, ik weet niet meer of ze hem heeft opgepakt of niet. Een tijdje later vond ze haar hand terug, onder de wang die tegen de juten doek op de deksel lag – dus was ze opgestaan en was ze weer op haar oude plekje gaan zitten – en werd bevangen door een diepe slaap.
Condrat sloeg een paar takken van een dichtbegroeide eikenboom af en gooide ze in de boot, aan de kant tegenover de plaats waar de vrouw zat. Hij gooide de bijl weer terug en begon opnieuw de boot met de roeispaan voort te duwen. De diaken sliep rustig verder, hij sprak niet meer in zijn slaap.
 
 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Stelian Tănase
Translated by: Jean Harris

From Maestro: A Melodrama. Episode 7

Emiluţa has an unfortunate thought. She’ll throw herself off the top of the building. Why? What the fuck? Let’s say for the cause of PeaceonEarth, for the slumdogs, Europe, for the lonely. Which is to say she doesn’t have a ghost of a reason. Viva Walachia! The way things stand, if ...

Translator’s Note
Translator’s Note: a synopsis
Author: Ştefan Agopian
Translated by: Ileana Orlich

How I Learned to Read (from Tache de Catifea / The Velvet Man)

The bearded man was the owner of an apothecary shop where he worked with two apprentices. Nobody paid me any mind, so I spent all day in what was supposed to be the shop. I say this because it was a large, dark room full of odors—a mix of smells from everywhere. The room hadn’t been cleaned ...

Translator’s Note
Re: Learning to Read, from Tache de catifea / The Velvet Man
Author: Gabriela Adameşteanu
Translated by: Patrick Camiller

Wasted Morning - Napoleon in Bucharest

“What you’ve got here is heaven on earth,” Vica says as she drops onto the kitchen chair. “But where’s your mother?” “At work,” Gelu lazily replies, leaning sideways against the door. “She’s doing mornings this week, didn’t you know?” He is tall and thin, with unset ...

Author: Petre Ispirescu
Translated by: Jean Harris

Youth Without Age and Life Without Death

It happened once as never before-y, ‘cause if it couldn’t be true, it wouldn’t make a story about the time when the poplar tree made berries and the willow tree broke out in cherries, when bears began to brawl with their tails, and wolf and lamb, unfurling their sails, threw arms around each ...

Translator’s Note
On Petre Ispirescu
Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx