De Roemeense Revolutie, een deerne van wel tien meter groot, met
naakte borsten die door de met katoengaren geborduurde boerenblouse
heen schemerden, waarop een ketting van Oostenrijkse dukaten hing, en
met heupen gesnoerd in een rok van natuurzijde met een schort voor en
achter (klederdracht uit Argeş, kon niet missen), schreed verheven
over de 1848-Boulevard, terwijl haar zwarte lokken wapperden in de
ochtendlijke koolmonoxidebries. Wie vanaf een balkon in de verte haar
edele profiel zag, als een camee, dat zich tussen de eclectische,
vervallen en vergeelde bouwsels verhief, kon een ogenblik denken dat
een cyclopisch standbeeld de fonteinen op de Boulevard van de
Overwinning van het Socialisme zou komen opsieren of boven op het
Huis van het Volk zou worden geplaatst als een allegorische
belichaming van de Dacisch-Romeinse etnogenese, of als een
provocerende replica van het Vrijheidsbeeld uit het Rijk van de
Slavernij: het Huis van het Volk kon immers ook beschouwd worden,
althans qua volume, als het grootste gebouw ter wereld, dat het
Pentagon het nakijken gaf… De kijker zou zich echter dadelijk de
ogen hebben uitgewreven, zodra hij de gebaren van de marmerachtige en
toch levende armen van de reusachtige vrouw had opgemerkt, waarmee ze
de colonnes arbeiders aanspoorde haar te volgen, alsmede de glans in
haar amandelvormige en braamkleurige ogen, waarboven dikke
wenkbrauwen zich welfden, lieflijke Roemeense vrouwenogen zoals je
die nergens anders ter wereld tegenkwam. Dan zou hij zichzelf
geknepen hebben omdat hij meende te dromen, maar nee, het was geen
begoocheling van het onderbewustzijn dat dag en nacht alleen aan haar
en haar alleen dacht: als het droom was, dan was het de dagdroom van
de fiere Roemeense natie voor wie, in navolging van anderen, nu ook
het uur der ontwaking had geslagen. De maïsgries was uiteindelijk
toch geëxplodeerd, en uit de gulden korst ervan was die pracht van
een meid met de driekleurige linten in het haar tevoorschijn gekomen,
zoals op feesten uit de wilde jaren een badpakmeisje opdook uit een
reusachtige taart te midden van de champagnekoelers, serpentines en
mitrailleurs. Er was geen twijfel meer mogelijk, dit was de
Revolutie, en de man op het balkon, zonder zich iets aan te trekken
van het feit dat hij enkele minuten eerder collateraal was geboren
uit een bekrompen verhaaltechnische noodzaak, dook ineens weer zijn
appartement binnen, struikelde over zijn pyjamabroek, die hij meteen
wilde uittrekken, zodat hij naakt was, met een buikje dat weinig
flatteus over zijn lachwekkende toebehoren hing, vervolgens trok hij
in grote haast wat kleding aan en stormde, nog niet volledig gekleed,
de deur uit om te voorkomen dat hij te midden van de nationale
begeestering als enige scepticus zou achterblijven. Laten wij hem ook
volgen, nu wij hem toch eenmaal hebben verzonnen, door een stel
straatjes met bouwvallige herenhuizen, blakend in de zon van een
ongebruikelijk warme winterdag, voorzichtig in zijn voetspoor tredend
en goed oppassend dat we niet op zijn losse veters trappen. Onderweg
naar de boulevard bukt hij zich en raapt een nat, blauw rangtekenop, dat op onverklaarbare wijze is losgeraakt van de kraag van
een militair van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Dolgelukkig
stopt hij hem in zijn zak, met de gedachte hem later aan zijn
kleinkinderen te laten zien, als hij die ooit krijgt, zodat hij kan
opscheppen dat hij het in het heetst van de gebeurtenissen
eigenhandig de soldaat afhandig heeft gemaakt, nadat hij hem een stel
stevige meppen had verkocht. Zodra hij de boulevard opliep, langs een
stel armzalige etalages met kantoorartikelen, werd ons personage, zo
virtueel als pi-mesonen, getroffen door de enorme uitbarsting van
volksvreugde, waarvan hij de echo’s tot op dat moment slechts
vaaglijk had opgevangen, als het gedempte geluid dat uit het Dinamo-
of het Ghencea-stadion opsteeg wanneer een speler een overtreding
maakte in het strafschopgebied.
Een rivier van mensen, net als bij de viering van 23 Augustus,
stroomde door het ravijn van koopmanshuizen met gebarsten en vergeeld
pleisterwerk, waarvan de balkons uitpuilden van de personen die
applaudisseerden, de vuist omhoogstaken in de fletse winterlucht of –
het vaakst – een tot dan toe ongehoord gebaar maakten, want de
Boekarestenaren hadden het hoogstens met één enkele vinger gemaakt,
de middelvinger, nu eens geheven naar de glorie des hemels, dan weer
bestemd voor een bevallige vrouwspersoon in een voorbijsnellende
tram, dan weer, het vaakst, naar de eigen mond, wat geenszins de
betekenis had van het universele ‘ik heb honger’, maar
insinueerde dat het leergierige pubermeisje, met haar tas vol
lesmateriaal op schoot, van wie door de raam van de trolleybus een
glimp was opgevangen, eigenlijk een kanjer van een stoephoer was die
zich te buiten ging aan vuige orale seks – met twee gespleten
vingers, net zoals kinderen hoorntjes maken wanneer ze op de foto
worden gezet. Met pathetisch gezwollen spieren, met op hun
afbladderende voorhoofd aders die op het punt van knappen stonden,
volgden de atlassen die de balkon stutten alleen met hun ogen –
kwieke, groene of blauwe kijken in hun bebaarde stucgezichten – de
colonnes van arbeiders, en de mascarons met hun gruwelijke
Gorgonenkoppen lieten de slangen in hun haar wriemelen, die
kronkelden als steeltjes van smaragd, in de hoop dat ze in hun
bloedkleurige orchideeënbekken een slachtoffer met een Russische
muts diep over de ogen getrokken te pakken konden krijgen. Eenmaal
opgeslokt door de menigte raakte ons personage, dat slechts één
nanoseconde levend was geweest, verstrooid in de van latente energie
kolkende leegte van de blanco pagina, waarin alles ontstaat, omdat
alles is voorbestemd in haar graf terug te keren. Aan ons de taak om
zelf het grootse defilé te beschrijven, en voor dat doel zullen wij
ons een ogenblik ter hemel verheffen om de stad die vandaag in een
feestgewaad is gehuld beter te kunnen zien. Boekarest –
herdersnest, plaagde Mircea’s vader hem steeds, met een toespeling
op de legendarische Bucur, de stichter, wiens herkomst zoek is
geraakt in de nevelen van Walachije, maar die de eerste schaapskooi
had gebouwd naast het modderige water van de Bucureştioara, of in de
nabijheid van de Dâmboviţa, met haar zoete water. Ten tijde van
Vlad de Spietser, die niet Dracula was, maar een koene en
rechtvaardige heerser, met enkele vreemde trekjes waarmee, zoals
bekend, iedere geniale geest behept is (het was voor iedere Roemeen
een erezaak om de onterende verwarring verder te verspreiden), was de
stede Boekarest gegroeid, te midden de bossen die wemelden van de
wilde dieren, en had zich verfraaid met mooie kerken, opgericht als
dankbetuiging voor overwinningen in de strijd behaald door de prins
met de reusachtige stralende ogen en de snor die tot over zijn enorme
vochtige onderlip droop. Na iedere veldslag werden de gevangenen,
Turken, Tartaren of Roemenen uit een ander landje, onderworpen aan
een bijzonder delicate operatie. Met speciale houten hamertjes werd
er, millimeter voor millimeter, een staak in de bilnaad gedreven –
en niet in de anus zoals met evidente kwade wil is geïnsinueerd door
irredentistische historici –, zodat de punt ervan precies doordrong
in de ruimte tussen de lichaamswand en het vlies dat de inwendige
organen omhult, zonder enige membraan te beschadigen en zonder enig
orgaan te verwonden, totdat de staak door de rug weer naar buiten
kwam, links of rechts van de wervelkolom. Daarna werd het onderwerp
van deze operatie opgetild en zou hij, levend en (vrijwel)
ongeschonden, een flink aantal dagen in deze schilderachtige positie
blijven die duidelijke voordelen had boven de uit de mode geraakte
kruisiging. Wanneer er genoeg van dergelijke menselijke artefacten
waren vervaardigd om een dichte lommer te bieden (men ging ervan uit
dat een stuk of twintigduizend wel volstond), ging de vorst eronder
zitten picknicken, waarbij hij links en rechts heildronken uitbracht
met zijn gouden bokaal, ingelegd met saffieren en robijnen, op de
gezondheid van zijn teerbeminden. De stank van de gespietsten, die al
bestorven waren en wier ogen door vogels waren uitgepikt, verkwikte
de vorst, gelijk een zilte zeebries. Alle burgers van het kleine
Walachijse vaderland waren deelgenoot van de grootsheid van de
befaamde heerser, want bij alle fonteintjes werd er water gedronken
uit zeer gelijksoortige bokalen, die op de rand van de fonteintjes
waren achtergelaten, zonder ketting of bewaking, want als iemand
betrapt werd bij een poging deze te stelen, werden de ledematen
doorboord (en niet per se alleen de ledematen die bij de diefstal
betrokken waren). Bedelaars die waren gesnapt bij het bedelen aan
brughoofden, werden samengebracht in een herberg, stevig gefêteerd
op kosten van de vorst, waarna ze in brand werden gestoken, hetgeen,
naar de smaak van sommigen, een bijzonder vermakelijk schouwspel was.
Naar het hof van de verheven heerser kwamen dikwijls gezanten uit de
verst gelegen streken, die offergaven brachten de koningin van Saba
waardig. Deze werden gewoonlijk door Albanese huurlingen afgevoerd op
draagbaren, aangezien het nogal moeilijk lopen is op je eigen benen
wanneer je tulband met een dozijn grote timmermansspijkers stevig is
vastgenageld aan je schedel. De nationale dichters en schilders
staken elkaar naar de kroon bij het beschrijven van de nobele aard en
morele verheffing van dergelijke taferelen.
De stad groeide rondom de torentjes van de Metropolie, dijde uit
over de heuvels in de omgeving, veranderde in de melancholieke etsen
van buitenlandse reizigers, die op een kluitje gebouwde huizen
afbeeldden, gehoed door een met koepels bekroonde kerk, onder een
reusachtig banier dat zich tegen de lucht aftekende en strak
wapperde, waarop geschreven stond bukarest, bucarest, bukreş, of
iets dergelijks, in de merkwaardigste spellingswijzen. Rond het jaar
1800 had de stad vorstelijke hoven, plompe herenhuizen, waartussen
zich enorme tuinen en door onkruid overwoekerd braakland uitstrekten,
herbergen en modderige wegen, uitgestrekte achterbuurten, met
geraniums in met runderblaas afgedekte vensters, ontklede vrouwen die
baadden in de rivier waarin ook afvalwater werd geloosd en waar ook
eenden en snoeken langs hun publieke naaktheid gleden, Fanarioten met
enorme hoofddeksels, naar knoflook ruikende boeren met draagjukken op
hun schouders, zigeunerinnen met naakte borsten, huifkarren die
moeilijk vooruitkwamen door de met mest gevulde sporen, dikke
rookwalmen uit vervallen schoorstenen, ooievaars die rondcirkelden
boven blinde muren en lemen optrekjes, ingestort boven naakte en
hongerige kinderen die met hun blote piemel in het stof speelden. De
Colţea-toren, log als een lemen ziggoerat en net zo breekbaar,
verhief zich toen zo’n zeventig meter boven het marktstadje met de
kronkelende stegen en priemde door de sombere wolken heen die als
lome zeilschepen boven de Bărăgan-vlakte deinden.
Van die stad was nu alleen nog overgebleven wat de bewoners als het
‘historisch centrum’ aanduidden: drie bij vier straatjes, met
vreselijk bouwvallige huizen, met ontbrekende kinderkopjes, met
braaklandjes waarop de karkassen van koelkasten, dode katten en
stinkende todden werden weggeworpen. In de raamloze vensters, waar de
kozijnen uit waren gesloopt, verscheen af en toe het warrige hoofd
van een straatschooiertje, en zigeunerinnen met bloemrokken gooiden
teiltjes met afwaswater over de voorbijgangers op de Lipscani-straat,
die zich verdrongen om goedkoop schoeisel op de kop te tikken of hun
aanstekers te laten bijvullen bij morsige kraampjes. De mond van een
oude man, met gebroken en vergeelde kiezen, en meestal met kaal
tandvlees, dat is het historische centrum dat we als eerste zien
terwijl we opstijgen in de montgolfière, als een maquette van verval
en troosteloosheid.
Eromheen was Klein Parijs ontstaan, en rondom Klein Parijs het
België van het Oosten. Rond 1900 getroostte het Koninkrijk Roemenië
zich grote inspanningen om te moderniseren. Er waren
neoclassicistische gebouwen neergezet, met zuilen, architraven en
frontons vol met godinnen van Justitie, Landbouw en Nijverheid, de
mannen van het volk waren op hun sokkels geklauterd, waar
zwaarlijvige muzen, met vlezige heupen van brons, hun de ganzenveer
aanreikten, er strekten zich rails uit waarover paardentrams
waggelden, er waren boulevards aangelegd getooid met de namen van
Hunne Majesteiten, want we hadden nu een Duitse dynastie die
rechtstreeks afstamde van de almanak van Gotha, namelijk
Hohenzollern-Sigmarinen, Carol Hop z’n Bol, zeg maar Ria, zoals de
boeren hem noemden, die niet gewend waren aan het nobele rollen van
de Duitse woorden, zoals ze decennia eerder, tijdens de herendienst,
hadden gekletst over de daden van Boon Apart, de keizer van de
Fransen. De Universiteit, de Grand Hotels op de ‘boelevaar’,
restaurant Capşa, de auto’s die achter de koetsjes aan ratelen op
de Kiseleff-weg – dat alles zou die fijngevoelige bijnamen van hen,
hun flatterende vergelijkingen met de landstreken van de beschaafde
wereld waardig zijn geweest, ware het niet dat ze zich ongemerkt
vermengden met de eerdere stad, want de veemarkten, de nerinkjes waar
most werd verkocht en de venters, de achterbuurten met de
hondenvangers en hun beruchte liefdesavontuurtjes, de vuilnisgravers
en de lijkenvreters, de twaalfjarige kindertjes die zich afbeulden
voor hun meester en de van de syfilis wegrottende temeiers bij het
Stenen Kruis vielen evenzeer te aanschouwen als de paleizen met
zuilengangen en de standbeelden van Pache, de grondlegger van de
metropool aan de Dâmboviţa. De geur van moussaka, worstjes en
koolrolletjes steeg op boven de nieuwe Vesting van het Licht als een
Byzantijnse deisis, die, overvloedig gekruid, verhevenheid en
verdorvenheid onder één noemer brengt.
Steeds hoger opstijgend in onze gestreepte ballon omvatten we met
onze blikken het Boekarest van tussen de oorlogen, of van na de Grote
Oorlog, zoals men toen zei, want de dappere, kleine natie aan de
Donau had zich ook, net als in ’77, in het vuur van de veldslagen
geworpen, die ze de een na de ander had verloren, ondanks de wonderen
van heldenmoed bij Mărăşeşti, Mărăşti en Oituz, toen onze
soldaten alleen in hun onderbroek hadden gestreden tegen de Duitsers,
die het voordeel genoten dat ze wel reglementair voorgeschreven
uniforms droegen. Vreemd genoeg kreeg het jonge koninkrijk na het
totale militaire échec zowaar een dubbel zo groot oppervlak en een
dubbel zo omvangrijke bevolking in de schoot geworpen en verwierf
derhalve ook pretenties van politieke, economische en bovenal
intellectuele meerderwaardigheid ten aanzien van onze Bulgaarse
broeders met hun welbekende dikke nekken. Modernisme, liberalisme,
avant-garde, de vierkantige architectuur van de internationale
bouwstijl – we hebben ze allemaal dubbel en dwars gehad, en onze
vlucht boven de stad bewijst dat we ze nog hebben, in tamelijk goede
staat, met uitzondering van de paar appartementencomplexen die
tijdens de aardbeving zijn ingestort. Het is een stad met rode stip,
met verroeste drinkwaterinstallaties, met vocht op de muren,
onverslaanbaar als een barbaarse natie, met interieurs die stinken
naar ouderdom en ziekte. Hij wordt bewoond door een gevarieerd
assortiment van partijbonzen, securisten, volkskunstenaars,
directeuren van de staatsgrutters, zangeressen van lichte muziek en
dichters van de nieuwe tijden, de fauna die de vorige generatie heeft
vervangen ten tijde van de nationalisatie, toen de adders van het
regime van grootgrondbezitters en kleinburgers zijn verdreven. De
wijken met door reusachtige haagbeuken beschaduwde herenhuizen hebben
het sindsdien overleefd, maar omdat ze zijn verwaarloosd en
afgebladderd en vol staan met ordinaire meubels, zijn zij ook,
geleidelijk aan, vervallen tot de staat van sinistere kasten van
huizen, met ieder een Dacia zonder wielen in de met een roestig hek
afgesloten voortuin.
Maar terwijl de oude stad stapsgewijs achteruitging en werd
overspoeld door met een vrolijke en niet-betalende nomadische
bevolking, was de nieuwe stad al bij zijn ontstaan een bouwval.
Voorbij de cirkel waarover tram 26 lui voortglijdt, afgeladen met
gipsen etalagepoppen die met watten gevulde broden meezeulen,
strekken zich de nieuwe arbeiderswijken uit, die na 1950 in een
steeds rapper tempo uit de grond zijn gestampt voor de werkers
klasse, ten bewijze van de zorg voor de mens die de Partij de
arbeidende klasse toedraagt. Hectaren met woonkazernes, allemaal met
dezelfde moeder en dezelfde vader, lucifersdoosjes waarin je je kont
niet kunt keren, betonnen cellen met plafonds die ieder moment naar
beneden lijken te komen om je levend te verpletteren. Flats en nog
meer flats, op een handbreedte van elkaar, met gecodeerde namen als
de onderdelen op een elektronische plaat, flats met uitpuilende
vuilstortkokers die stinken naar huishoudelijk afval, met buizen van
giftig lood waarop de kranen zijn aangesloten, met radioactief lood
in de alomtegenwoordige betonplaten. Legboerderijen voor mensen,
grauwe vernietigingskampen waar wangen invallen en huid verwelkt.
Duizenden, tienduizenden flatgebouwen voor de arbeiders met
papierdunne muren, waardoorheen je het geboer, gescheld, gepers en
gekreun van de buren hoort. Flatgebouwen waar ’s winters het water
in de radiatoren bevriest en ze doet barsten, waar het ’s zomers zo
heet is dat je hersenen gaan koken. Honderdduizenden flats met in de
hal verroeste en gebutste brievenbussen, met servicekostentabellen
die zijn bekrast door analfabeten, met de stank van soep en gekookte
kool op de trap, met obscene krabbels en tekeningen op alle muren,
bewoond door een meute die niets anders kende dan werk en thuis, door
tandeloze vrouwen, door harige kerels, in hemden, door
psychopathische kinderen die heksenklets achter de flat speelden,
tussen de Dacia’s en de Oltcits. Met de tijd zijn ook deze
bouwvallen verder vervallen. Decennia geen lik verf, jarenlang geen
spijker ingeslagen. De prefab-platen zijn gebroken en het ijzer van
de wapening is op onverwachte plaatsen tevoorschijn gekomen. De
relingen van de balkons zijn verroest. De spleten in de muren zijn zo
groot dat je vuist erin past. Op alle balkons hangen rijen ondergoed
te drogen, slierten worsten, gebroken plastic plantenbakken waarin
jonge katjes krioelen, bij ontstentenis van bloemen, van het bestaan
waarvan geen mens op de hoogte lijkt te zijn. Flats waar geen
ontkomen aan is, want je bevind je in Noord-Korea en kameraad Kim, in
Kaukasische variant, waakt over het geluk van alles en iedereen. De
wijken Primăverii, Cotroceni en Floreasca, onder haar reusachtige
glazen koepel, zijn fatsoenlijke plekken in de stedelijke kosmos die
zelfs onze glimlach en de spotlust op onze lippen doet bevriezen.
Wij zijn vrolijk met dit hoofdstuk begonnen, maar we moeten toegeven
dat onze stemming is gedaald. Wij hebben het helemaal gezien: ons
ganse leven op een flatje, van het ene naar het andere getto, in
nautiluscompartimenten met beperkt budget (nulbudget), met een
bijpassende lotsbestemming: geboorte, werk, dood, waar alleen de
statistisch gezien onmogelijke ontmoeting (maar ook het heelal is
statistisch gezien onmogelijk) met Herman een stokje voor heeft
gestoken. De zaaier is naar buiten gegaan om zijn erf in te zaaien,
maar het zaad is op geprefabriceerd beton gevallen, want er was niets
anders in de buurt. Hoe zou daar een zonnebloem of een orchidee uit
moeten voortkomen? Wat zou er voor de engelen, bij het einde der
tijden, te oogsten zijn van de miljoen zaadjes die waren
rondgestrooid in de arbeiderstehuizen en eenkamerappartementen
comfort IV? Zal de verlossing komen te midden van de kakkerlakken?
Zal de engel op de overloop staan, naast de vuilstortkoker, waar zijn
vleugels besmeurd raken met restjes hachee en hij met zijn
triangel-en-carillonstem zal spreken: jij wel, jij niet, jij wel, hij
niet…?
Maar de traan droogt al snel op onze wang, want we hebben een taak
die we tot een goed einde moeten brengen. Enfin, kijk wat we nu
waarnemen, op die milde ochtend van de 22e december, vanaf
de hoogte waarvan wij de hele stad kunnen overzien, tot aan de
ringweg, waar het verkeer vastzit in de file: overal vandaan, van de
rand van de megalopolis, van de industriegebieden in de buurt van de
warmtecentrales en de eindpunten van de trams, slingeren zich
eindeloze colonnes burgers tussen de schaduwen van de watertorens en
de verlaten fabrieken door en stromen in de richting van het Centrum,
als de stralen van een middelpuntzoekende zon. Het kan niet anders of
er zit een vooropgezet plan achter: vanaf de fabrieken van 23 August
en Nieuwe Tijden, en vanuit de wijken Pipera en Dămăroaia leken de
colonnes te vertrekken in een volgorde die afhing van hun afstand tot
het Centrum en ze verplaatsen zich in een ritme alsof ze
(telepathisch?) met elkaar communiceerden. Door de resolutie van het
beeld te vergroten zien we de vloedgolf in triomf tussen de
rijen woonkazernes met tien verdiepingen passeren, terwijl vanaf de
balkons ontelbare mensen naar het defilé wuiven. Toegegeven, de
kunstbloemen, portretten, praalwagens en borden met Roemeense
Communistische Partij ontbreken, daarentegen wordt er volop met
driekleurige vlaggen gezwaaid, waaruit het staatswapen met zorg is
verwijderd, zoals blijkbaar spontaan in het hele land is gebeurd. De
colonnes zwellen steeds aan naarmate ze vorderen, aangevuld met de
bevolking van de flatgebouwen waarin alleen de huisvrouwen en kleine
kinderen achterblijven, want Kerstmis staat voor de deur en dit is
niet het moment om je pannen zomaar op het vuur te laten staan, al
vergaat de wereld. Als we weer, deus ex machina, op
straathoogte komen, wordt onze blikken getrokken, afgezien van het
algehele enthousiasme en de luidruchtige omhelzingen (‘tjonge, man,
man,’ zou iemand later vertellen, ‘wat een dag was me dat, echt
niet te geloven! Als iemand me toen het hemd van m’n lijf had
gevraagd, dan zweer ik je dat ik het hem gegeven had!’), door
enkele merkwaardige details: op de boulevard staat op alle muren
geschreven, in dezelfde poepkleurige koeienletters: weg met de
schoenmaker en zelfs weg met ceuşescu. Verder staat er overal
pelotons van de militie, die zich afzijdig houden, in hun
wintermantels, met hun petten op het hoofd, en de mensen aangapen met
een verbijsterde blik op hun gezicht, alsof ze die kerel uit de mop
zijn, die zijn hoofd in de wc-pot stopt omdat hij heeft gehoord dat
je na het scheren eau de toilette hoort te gebruiken en die
voor de lift blijft staan waarop geschreven staat ‘Lift voor vier
personen’ om op nog drie personen te wachten zodat hij naar boven
kan. Die lui met kogelronde hersenen, waarop maar één plooiing te
zien is, en die blijkt uiteindelijk niets anders te zijn dan de
afdruk van zijn pet…
De mensen lopen zonder hun vroegere angst aan hen voorbij, ze
giechelen, grijnzen (ellendige flikkers, nou zijn jullie eindelijk
eens aan de beurt!) en laten zich verder meevoeren door de menigte,
zonder te weten wat er verder te gebeuren staat. Zij schreeuwen
dezelfde leuzen als de jongeren van de afgelopen nacht: ‘Olé, olé,
olé, olé,/ Ceauşescu is voorbij!’ en ‘Kom met ons mee-hee!’
en ‘Vrij-heid./ Vrij-heid!’, maar er zijn ook subtiele
verschillen: er wordt niet meer gestorven, er wordt niet meer
geslagen, er wordt niet meer gearresteerd. De hoofdweg, die naar de
Universiteit leidt, is niet breed genoeg voor de reusachtige colonne.
Er wordt langzaam gelopen, zoals wanneer de bioscoop uitgaat, wanneer
je je voorganger op de hielen trapt. Maar dat is nog niets vergeleken
bij de ongekende maalstroom op het Universiteitsplein, dat is omgord
door militiemannen die in rotten op de trappen van de Nationale
Schouwburg zijn geklommen. Hier zijn de colonnes samengekomen die uit
alle wijken zijn toegestroomd, en dan zet de menselijke vloedgolf
zich na enkele momenten van desoriëntatie, spontaan, lijkt het wel,
opnieuw in beweging op de Magheru-boulevard. Op de punten van haar
tenen ziet een middelbare scholierster in de verte de achterkant van
een tank waarop een hele meute mensen met vlaggen is geklauterd, die
met honderd handen tegelijk het teken van de overwinning maken. In
een flits van inspiratie stijgt uit ieders binnenste op: ‘Het leger
is met ons!’ De leus doet de temperatuur in één keer met tien
graden stijgen. Over de hele lengte van de boulevard wordt eindeloos
gescandeerd ‘Het leger is met ons! Het leger is met ons!’ Het
lijkt erop dat er meer van dergelijke tanks zijn, bedolven onder de
mensen, die langzaam vooruitkomen door de waanzin op de boulevard,
net als de praalwagens van vroeger waarop sportlui piramides maakten
en weefsters aan het weefgetouw werkten en waarop statistieken in
huizenhoge letters de resultaten van het laatste vijfjarenplan
toonden. Voor de tanks uit reed een militair voertuig waarop de
trechters van twee megafoons waren gemonteerd. Iemand sprak
nadrukkelijk en herhaalde steeds dezelfde zinnen die net zo tussen de
muren van de luxehotels galmden als het ‘Aan de kant!’ waardoor
aan de officiële colonnes in hun spookachtige passage werden
voorafgegaan. Wie was de wijze, verantwoordelijke en almachtige
godheid die vanuit de pantserwagen de meute toesprak? Wie had de
overweldigende taak op zich genomen de massa naar de vrijheid te
geleiden? Niemand vroeg zich dat af, misschien moest het wel zo zijn,
zoals het je in een droom niet verbaast dat je naakt over straat
loopt. En aan de einder, badend in het oranje licht van de ochtend,
is daar de Roemeense Revolutie, rijzig tot de derde verdieping van de
gebouwen, en desalniettemin buitengemeen vrouwelijk – zodat een
stelletje botteriken in haar nabijheid voortdurend proberen onder
haar rok te gluren – met een rinkelende halsketting bungelend op
haar borst en met wiegelende tred, die de burgers aanspoort op de weg
van de glorieuze geschiedenis van het volk. In het schuin invallende
licht, zijn de stiksels en versierselen van haar blouse verzadigd van
kleur, zodat ze een feestelijk tintje krijgen. De lovertjes op
haar rok, zo groot als schoteltjes, glinsteren paars en werpen
bedrieglijke weerspiegelingen op de etalages van de bioscoop Scala en
van de boekwinkel Sadoveanu.
Met een tamelijk platvloers maar effectvol cinematografisch procédé
(want geen enkele ware kunstenaar negeert de fantastische kracht van
het cliché) zwenken we over het merkwaardige defilé waarin zoveel
herinneringen elkaar snijden – de verhitte supporters die het
stadion van Dinamo verlaten, met wapperende vlaggen in de ramen van
de trams, als de hele Ştefan de Grote-weg in beslag wordt genomen
door donkere jochies, met hun oorverdovende gescandeer: ‘Di-na-mo,
ye, ye, Di-na-mo!’, de eindeloze rijen voor vlees bij Obor,
waarover het standbeeld van de boer met zijn in 1907 ten hemel
geheven vuist een sinistere schaduw werpt zoals in Chirico, de
defilés ter gelegenheid van 23 augustus of 1 mei –, doen alsof we
aarzelen en uiteindelijk zoomen we in op een van die honderdduizenden
blozende en enthousiaste gezichten, met wijd naar de hemel
opengesperde monden, die identiek lijkt te zijn aan iedere
willekeurige andere, zoals de gezichten van mieren als identiek op
ons overkomen en zoals een kat van driehonderd jaar geleden identiek
is aan eentje van vandaag. Driekwart van wat we zien, zijn gezichten.
De bovenkant van het spijsverteringskanaal, waar de analysatoren zijn
geconcentreerd, rondom de hersenen, als druppels op een bloem. Zoals
aan de onderkant de geslachtsdelen zijn, want wij zijn bipolair
symmetrische wezens: boven de verbinding met de ruimte, beneden de
verbinding met de tijd. We hebben in onze hersenen neurale structuren
die als speciale functie het herkennen van gezichten hebben. Wij zijn
niet in staat onderscheid te maken tussen de gezichten van
sprinkhanen, maar het menselijk gelaat, dat misschien niet minder
anoniem is voor meer geavanceerde wezens dan wij die zich ongezien
over ons heen buigen (‘want God kijkt niet naar het uiterlijk van
de mens’), krijgt voor ons een enorme resolutie en evenveel
betekenis. Net als de misvormde homunculus, die anamorfotisch over de
hersenhelften is uitgespreid, bestaan wij voor driekwart uit onze
gezicht, waarin het trilstaartje van ons lichaam bungelt. Breng je
gezicht dicht bij de ogen van een zuigeling van een maand en hij zal
enthousiast reageren. Het hoeft niet eens een gezicht te zijn: een
vel papier waarop twee ogen zijn getekend volstaan om een glimlach
tevoorschijn te toveren. Misschien glimlachen wij ook zo tegen een
masker waarvan wij geloven dat het God is, troosten wij ons ermee dat
dit in ieder geval beter is dan de gezichtsblindheid
waarmee zovelen lijken te zijn behept…
Het is het gezicht van Mircea, nog bleker en meer ingevallen dan
gewoonlijk, met ogen die glanzen van het slaapgebrek, met een
gebarsten en gezwollen onderlip, het is Mircea, meegesleurd door de
meute in de nauwte bij de Oneşti-straat, waar de colonne linksaf is
geslagen, tegen de vitrines van de galerieën Orizont aanschurkt en –
dat is nu overduidelijk – zich begeeft in de richting van de grote
open ruimte voor het Centraal Comité, waar, achttien jaar eerder, de
fatale bijeenkomst had plaatsgevonden. De schitterende
winterochtendzon, ongeschikt voor het nemen van foto’s, overbelicht
zijn wangen, voorhoofd en adamsappel, maar doet aan de andere kant
wel zijn ogen in hun kassen verzinken. Hij rukt op, samen met de
menigte, zoals de spermatozoa van een flinke zaadlozing langs de
spierwand van de schede glijden, naar het nog onzichtbare eitje dat –
zoals alleen wij weten – ze majesteitelijk tegemoetkomt op een
kolossale buis van Eustachius.
Mircea is bekaf en hallucineert van de honger. Eigenlijk loopt hij
bijna te slaapwandelen, meegesleurd door de mensenhorde, in ieder
geval zakt hij dikwijls, minutenlang, weg onder het schitterende
oppervlak, als de zee in de schemering, van het bewustzijn. Hij daalt
zwemmend af, met trage bewegingen, zijn lokken als van een man-sirene
wapperend in de kille luchtstromen, naar de fantastische verdronken
steden van zijn geest, waar winter en voorjaar, zon en sterren,
herinneringen en verlangens zich vermengen in fractalen en in
fractalen van fractalen. En telkens opnieuw hervindt hij daar in de
diepte hetzelfde bedwelmende en waanzinnige tafereel, met dezelfde
twee wezens die voor immer zijn opgesloten in dezelfde bolgia van de
hel: de spin en de vlinder, de beul en het slachtoffer, die elkaar te
lijf gaan en elkaar verwonden en weer herstellen en elkaar weer
verscheuren, onder de grond, vanwaar geen kreet doordringt. De blanke
vlinder, met donsvleugels en gloeiende ogen, worstelt in het smerige
web, met nog één vrije vleugel, en vervult de olijfkleurige lucht
met miljoenen schubjes, en de spin die naar hem toe stelt over zijn
onoverwinnelijke paden, antracietzwart, en hem in zijn glinsterende
slijm wikkelt als ware hij een cocon. En vervolgens het vlees en de
vloeibaar geworden organen uit het levende, verlamde en bewuste
lichaam zuigt, dat niet eens in staat is te gillen. Soms was het
onderaardse vertrek – wellicht het enige in het heelal – zijn
slaapkamer in Floreasca, waarin hij nooit had geslapen. Andere keren,
tegen de achtergrond van de valleien van zijn droom, in het vierde
stadium, waarin die meest raadselachtige toestand van de geest, de
rem-slaap, zijn staart ontvouwt als een pauw, bevond Mircea zich
opnieuw in de psychiatrische gevangenis waar hij, tijdens het
voorjaar, na de injecties met monowaterstofchloride van piperidine,
tientallen en nog eens tientallen uren had geijld oog in oog met de
Rorschach-platen, met hun gruwelijke willekeurige vlinders van
inkt, met hun vermogen om dierlijke angsten en engelachtige
vertederingen, schaamte en haat en profetie aan je hersens te
ontlokken. Met die volmaakt evenwijdige vleugels van gestold bloed en
gekristalliseerde urine vermengt zich ook het vreselijke pak slaag
dat hij die nacht in Jilava heeft gekregen, de klappen met de rug van
de hand tegen zijn mond in de cel waarin drie man waren gesmeten, de
in zijn oog schijnende zaklantaarn, de naar knoflook stinkende haat
van de verhoorder: ‘Godverdomde klootzak, ben je soms niet goed
snik, hé? De straat opgaan, hé? Ik pis in je bek, schijtbak die je
bent! Wacht maar, dan geef ik jullie een revolutie, dat je er spijt
van krijgt dat die zeug die je heeft geworpen je op de wereld heeft
gezet!’ En de zestienjarige jongen die tot het dag werd aan één
stuk had gehuild, in een hoekje van de cel, als een zoutzak op het
cement, terwijl hij af en toe jammerde: ‘Ze gaan ons doodschieten,
mama, ze gaan ons doodschieten!’ En de ander, een van de baardapen,
met een geweldig brede rug, alsof hij een van de gipsen Atlassen was
onder de balkons van de oude stad, die zonder een kik de klappen
verdroeg, want omdat zij zich ergerden aan zijn atletische gestalte
hadden ze hem in elkaar geschopt en zijn vingers en ribben gebroken.
Daarna was de aardige securist ten tonele verschenen, met valse
regenboogkleurige vleugels op zijn rug, die hun gegevens noteerde op
wat papieren en zijn oor naar hen toe moest buigen om te kijken of er
nog iets verstaanbaars kon opvangen uit een mond met een bebloede
tong en gebroken tanden, terwijl hij de omslag van zijn broek
weghield van de fysiologische smerigheid in de cel en hen toesprak
met christelijk mededogen: ‘Jongens toch, in wat voor schijtzooi
zijn jullie nou beland? Hadden jullie dat nou nodig, jezelf in de
nesten werken, nu het moment is gekomen om wat van je leven te maken?
Man, ik snap echt niet wat er in jullie hoofd omgaat. Wat voor
teringzooi hebben ze daar dan, dat jullie niet zonder kunnen, dat je
bereid bent te stikken in een container of te verzuipen in de Donau
om er te komen? Is het niet beter om in je eigen land te blijven,
waar je bent geboren, dat je gratis en voor niets naar school heeft
laten gaan, dat je heeft aangekleed en een mens van je heeft gemaakt?
Wat ontbreekt jullie dan, jongens? Gratis poliklinieken, lage huur en
servicekosten, goedkope leningen zodat je wat meubeltjes kunt
neerzetten, een koelkast… Wat hebben jullie niet gehad, makkers,
dat je de straat op bent gegaan om stennis te trappen? Eten? Ik zie
dat je zo stevig gebouwd bent als een beer. Weten jullie wel,
jongens, dat Amerika het land van de vetzakken is, dat ze zich zo
volproppen met garnalen en slakken en meer van die smeerboel dat ze
er alles weer uitkotsen? Hebben jullie gezien hoe ze kevers aten inMondo Cane? Denk je soms dat dat gelogen was? Zo is het ook
niet goed. Verspilling moet er ook niet zijn. Want zij denken geen
tel die scharminkeltjes in Biafra waar de vliegen op gaan zitten
alsof ze kadavers zijn. Weten jullie hoe de Amerikanen eten? Ze eten
de helft van een jampot leeg en daarna gooien ze hem weg. Dat is toch
zonde, zeg nou zelf? Is het dan niet beter om het zuinig aan te doen,
zoals k’m’raad Ceauşescu zegt? Tuurlijk is het zo dat wij
levensmiddelen exporteren, zoals kaas, vlees, maar dat is niet de
schuld van de leiding van de partij en de staat. Hebben jullie dan
geen greintje verstand? Zien jullie niet hoe die kapitalisten ons bij
de kloten hebben? Wat moeten we anders? De k’m’raad heeft het
beste met ons voor, hij heeft chemische fabrieken gebouwd,
raffinaderijen, het kanaal, hij heeft de Dacia gemaakt, een auto van
goed metaal, niet zoals de Trabant, die van bordpapier is. Een jaar
op tien geleden lagen jullie aan zijn voeten, want jullie ouders
legden jullie in de watten, als een stelletje prinsen. Wilde je
chocola? Pak aan, chocola. Wilde je een sapje? Hier heb je een sapje.
Echte, van sinaasappelen. “Cico, Cico, sinaasappels in een glas.”
Niet die chemische rommel zoals Coca-Cola. En warmte? Was er geen
warmte in huis? Ik liet die kleintjes van mij de hele winter in hun
onderbroek rondlopen, ze kropen over de grond, ze brandden zich aan
de radiatoren. Nu is dat niet meer zo, dat geef ik toe, maar dat
moeten jullie de k’m’raad niet aanwrijven, want dat is ook de
schuld van die klotekapitalisten. Had de k’m’raad de wereldwijde
oliecrisis van ’79 kunnen voorzien? Was hij soms Mafalda? Die lui
hebben ons de nek omgedaan, niet onze fouten. En het kanaal dan? Is
het de schuld van kam’raad Ceauşescu dat de Duitsers hun stuk niet
meer hebben aangelegd, in de Elba of waar het ook had moeten komen?
Hij wilde iets goeds doen voor het welzijn van het volk, dat de
mensen te eten zouden hebben. Maar zien jullie dan niet, stelletje
onbenullen dat jullie zijn, dat we zijn omringd door vijanden? Dat ze
allemaal op onze rijkdommen uit zijn? Dat ze ons allemaal
dwarszitten? Wie heeft er dan voordeel bij het Roemeense wonder? De
Hongaren? De Russen? Als de k’m’raad er niet was geweest, zaten
we diep in de stront: de Russen in het land (oké, Gheorghiu-Dej
heeft ze eruit gegooid, maar de chef heeft zijn lijn voortgezet: geen
inmenging in de binnenlandse aangelegenheden), Transsylvanië naar de
Hongaren… dan zouden we het wel kunnen schudden, met een
grondgebied waar je nauwelijks je kont kunt keren... Wat moeten jonge
warhoofden daarvan snappen? Ze weten hoe de Beatles heten, maar de
namen van de Roemeense voievoden kennen ze niet. Ze vinden dat alles
wat Roemeens is stinkt. Vertel ze maar over vaderland, over het volk,
over plicht: alsof je tegen de muren praat. Ze grijnzen je aan om je
duidelijk te maken dat zij echt slimmer zijn. Wee je gebeente,
stelletje overlopers en landverraders dat jullie zijn…
Denk nou toch gewoon eventjes na: wat zouden jullie in plaats van de
Kameraad hebben gedaan? Ons staal en onze chemicaliën en tractoren
zijn te duur geworden, want toen we ze ontwierpen was er nog geen
energiecrisis, toen kostte energie geen moer. Maar de prijs van een
kilowatt is door het plafond gegaan. En dan zit je met de situatie
dat je miljarden hebt gestopt in fabriekshallen en ovens en
schoorstenen die je niet uit elkaar kunt halen om ze dan in stukjes
te verkopen voor de prijs van pud ijzer. Wij verkochten toch
aro-jeeps, fosfaten en nitraten, olie-installaties? Wie koopt zoiets
nu nog, als die anderen ze drie keer zo gemakkelijk en zo goedkoop
maken? En waar moeten wij dan van leven? Van de lichte industrie, dat
is ervan gekomen, en als wij dat hadden geweten, zouden we ons daarop
hebben toegelegd. Vlees, kaas, textiel. Man, het is zover gekomen dat
we onderbroeken exporteren, godsamme nog an toe. En schapenkaas, want
die arme schaapjes hebben toch maar weer het meeste mededogen met het
Roemeense volk.
Snappen jullie het nu? Of galmt het in jullie hoofd als in het
stadion van Dinamo? We voeren eten uit, maar er blijft ook over voor
de bevolking, anders waren jullie hier niet, zo vet dat jullie huid
strak staat als een trommel. We geven jullie zoveel als jullie nodig
hebben, niet om je vol te proppen, en met de valuta van de export
stichten we bouwwerken, monumenten die de eeuwen zullen trotseren,
want niemand vraagt nog wat die lui die de piramides of de Taj Mahal
hebben neergezet, eigenlijk te eten hadden. De Transfăgărăşanul
is de enige autoweg die vanaf de maan te zien is en dan lopen jullie
te mekkeren dat jullie niet een worst per dag hebben om jullie darmen
te vullen? Het Huis van het Volk is groter dan het Pentagon. Welke
van onze voievoden heeft zoiets voor mekaar gekregen? De koning? Valt
het Peleş-paleis soms te vergelijken met het Huis van het Volk?
Jullie zijn niet binnen geweest om te zien wat een kroonluchters, wat
een marmer, wat een ebbenhouten versieringen… Vergeleken daarmee
stelt Peleş geen moer voor, neem dat maar van mij aan, want ik ben
binnen geweest. Je loopt naar de plafonds te staren totdat je kramp
in je nek krijgt, want je kunt er geen genoeg van krijgen.
Maar dan mekkeren zij: er is geen vrijheid. We mogen niet zomaar
zeggen wat we denken. Zij en hun gedenk! Misschien denken ze erover
hoe ze een of andere del in de koffer moeten krijgen of hoe ze hun
haar moeten laten wapperen zodat ze eruitzien als die nichten die
rockmuziek maken. Andere gedachten geloof ik niet dat jullie in je
hoofd hebben. Vertel maar wat je op je lever hebt, vader, ik hou je
toch niet tegen? Heb ik soms je lippen op elkaar genaaid? Als het
maar geen dingen zijn die vijandig zijn ten aanzien van de
partijleiding, van de k’m’raad, van ons socialistische stelsel.
Je kan lullen wat je wilt, tot je er pijn in je kaken van krijgt, als
je maar een vent bent, een patriot, een goede Roemeen, anders
verdwijn je in het gesticht of in de bajes, want één rotte appel
kan alle andere aansteken. Zo is dat overal. Wat, denk je soms dat
een Engelsman zomaar op straat kan lopen schreeuwen “Ik prop mijn
lul in de koningin van Engeland”? Of een Amerikaan “Ze kunnen m’n
rug op met dat Witte Huis”? Misschien roept een of andere gek dat
wel, maar daarna krijgt hij de gevolgen voor zijn kiezen. De
elektrische stoel, vader, want ook daar kun je niet zomaar alles
permitteren! Ik had het er laatst over met een informant van mij, een
oud wrak, een ex-lid van de IJzeren Garde (daar heb ik hem ook mee
gepakt en ik houd hem stevig vast: die ouwe verlinkt tot hij erbij
neervalt), en die zegt tegen mij: “Man, ik heb in Duitsland
gestudeerd, in de tijd van Hitler. En ik geef u mijn erewoord, dat
als jij je wist te gedragen en je zei geen dingen die niet hoorden,
dan deed niemand je iets…” Logisch, wat zou de Gestapo met je
willen als je je gewoon met je eigen zaakjes bemoeide? Leg je toe op
je studie, vader, schrijf je gedichten over bloempjes en vogeltjes,
ga ’s een keer naar de kroeg, drink met mate, neem nu en dan een
meisje mee naar huis… Denk je dat we daarvoor arresteren? Geen
sprake van, we wensen je zelfs “veel succes ermee”! Maar hou je
commentaar op het beleid van de Partij voor je, want je bent een drol
met ogen, je hebt geen idee wat zich in de wereld afspeelt. Denken
jullie soms dat de Securitate bestaat uit misdadigers, bruten, dat we
niks anders dan meppen uitdelen? Maar vertel mij dan eens waar op de
wereld er geen veiligheidsdienst is? Wat is de cia dan wel? Dat is
een staat in een staat en, misschien wisten jullie het niet, maar zij
hebben Kennedy vermoord… Wie heeft onze Securitate vermoord, man?
Misschien in de jaren vijftig, twee-drie bandieten in de bergen. Maar
verder zou ik het niet weten. De Roemeense Securitate, dat jullie het
ook weten, is van het volk en uit het volk. En dus moet-ie alles
weten wat er gebeurt ten behoeve van het volk. Maak je maar geen
zorgen, want we brengen geen microfoons aan om te horen hoe jullie je
vrouw in de slaapkamer een beurt geven. En we geven geen handen met
geld uit aan het netwerk van informanten om ons “Roodkapje” en
“De geit met de drie geitjes” te vertellen. Wij weten wie de
vijanden van het volk zijn, die lui die hun oren laten hangen naar
vader Calciu en Monica Lovinescu, van die snuiters die, net als
jullie, de straat opgaan om lulkoek te brullen. Tja, wie zijn billen
brandt, moet op de blaren zitten…
Denk je dat ik oppak als je een mop vertelt met ome Nicu? Ik laat je
lekker lopen, vadertje, want ik heb wel wat anders aan mijn hoofd.
Maar ik kom naar je toe en zeg: kijk, ik heb hier deze opname. Wat
heb je liever: dat ik je met de flikkers in de bak gooi, zodat die je
roosje kunnen platwalsen, of je schrijft een paar rapporten over wat
er bij jou op je werk zoal besproken wordt, onder een schuilnaam,
zodat zelfs de duivel nooit te horen krijgt wat je geflikt hebt? Dit
is de manier waarop wij nu werken, we hebben zo onze methodes. En het
is me nog nooit gebeurd dat iemand de voorkeur gaf aan de flikkers,
zelfs niet degenen die we oppakten omdat ze zogenaamd homo waren.
Onder ons gezegd en gezwegen, ik zou ze allemaal vergassen, smerige
bruinwerkers, de schande van het Roemeense volk! De wet is te
schappelijk met hen wanneer ze maar een paar jaar achter de tralies
belanden… Ha-ha-ha, nu we het daar toch over hebben, dat doet me
denken aan een mop… en verdomme nog aan toe als die mop niet
precies op jullie van toepassing is, alsof hij voor jullie is
gemaakt. Een heel leger zaadcellen spuit uit een lul en trekt vrolijk
en dapper op door een lange, donkere tunnel. Ze willen niets liever
dan zo diep mogelijk doordringen in de kut van dat meisje, dan kunnen
ze daar doen wat ze doen moeten. Net als ieder leger hebben ze een
verkenner vooruitgestuurd om te zien hoe en wat. Na een tijdje keert
de verkenner terug en roept: “Broeders, wij zijn verloren! We
zitten in de stront!” Ha-ha, zo is het ook met die revolutie van
jullie. De dingen gaan niet altijd zo als je denkt…’
De vleugels op zijn rug, als geschilderd door Fran Angelico, zagen
er vodderig uit, als de vloerkleedjes van vroeger in Floreasca of als
een stel smerige dweilen. De securist had zich niet meer vertoond,
verdwenen in wie weet wat voor slangenhol, en de drie jongens, onder
het bloed, werden gewoon op straat gezet, zonder een woord, en hun
werd de weg voor de deur van de gevangenis gewezen, die over de
verblindende, besneeuwde vlakte kronkelde. Mircea’s geest, die in
Bardo verkeert verwart het gepolariseerde licht van de zonsopkomst,
gewelfd als in een kristallen bol, met de helderheid en het tumult
van het gigantische plein vóór het Centraal Comité, waar een
miljoen mensen niet alleen het ovalen met straatklinkers geplaveide
oppervlak hadden gevuld, maar, zo leek het wel, ook de heldere en
bevroren lucht van de ochtend, waarin een vage geur van koolmonoxide
ons eraan herinnert dat we in Boekarest zijn. Van de hemel die zich
reusachtig welft over het plein, stevig steunend op de boekwinkel
Kretzulescu, op het tot een kunstmuseum omgetoverde Koninklijk
Paleis, op de Universiteitsbibliotheek en op het vreselijke,
geheimzinnige gebouw van het Centraal Comité, was nog maar weinig te
zien als gevolg van alle handen met de in het overwinningsteken
gespreide vingers, van alle vlaggen met het uitgeknipte staatswapen,
van alle schutskoepels van pacifistische tanks, volgepakt met
uitgelaten lieden. De megafoons van de pantserwagen gromden iets
onverstaanbaars, dat echter heel overtuigend klonk, en de Revolutie
bleef eindelijk staan, pal naast het Centraal Comité, en legde haar
borsten, waarvan de tepels uit het borduursel van haar blouse staken,
op het balkon van de Patria-bioscoop. Het arme meisje bibberde van de
kou, ze had haar schouders met haar handen vastgepakt en wreef over
haar armen, terwijl het pygmeevolkje rondom haar in de siersparren in
de nabijheid was geklommen, in de neonpalen en op iedere wat hogere
stoeprand, om er getuige van te zijn, om de kleinkinderen iets te
vertellen te hebben in de ver in de toekomst gelegen, vreedzame
winteravonden in het rijk van de vrijheid, wanneer het met Roemenië
goed zou zijn en alle Roemenen in welstand zouden leven…
Meegevoerd door de stroom was Mircea ook voor het presidentiële
balkon beland, waarvandaan een dag eerder het seniele oudje, met zijn
astrakanmuts diep over zijn wenkbrauwen getrokken en met Leana naast
hem, de menigte een salarisverhoging van vijftig lei had toegezegd en
met de doffe oogopslag van een boer op leeftijd wachtte op de
gebruikelijke toejuichingen. Van de plaats waar hij zich bevond kon
Mircea de zoom van de Roemeense Revolutie vastpakken en, in de
opwelling van een angstig kind, greep hij in zijn vuist het ruwe
textiel, geborduurd met katoenen kruisjes, van haar rok vast. De voet
van de reuzenvrouw stak in een kokette boerensandaal van fijn leer,
en toen de wind plotseling de zoom van de rok deed opwaaien, konden
de omstanders duidelijk de zwarte netkousen zien en de geplooide
kousenband, rood als een vuurtong, die de dij van de fiere Roemeense
omgordde, zodat een unanieme erectie zich verspreidde over dat plein,
dat zo uitgestrekt was, dat de kromming ervan te zien was, gevormd op
de kromming van de aarde. Wie van de hitsige bruidsjonkers zou de
koningin van het bal uitkiezen? Met welke Russen en Turken zou ze de
acaná dansen, in een orgie van vrijheid zoals sinds 1848 niet meer
was gezien? Na de paring trekken mieren zelf hun vleugels uit en gaan
over tot meer prozaïsche bezigheden. Zou het nu ook zo gaan? Het is
alsof we het niet kunnen geloven, want de arbeiders van de
industriegebieden verkeren nog in een roes van geluk en liefde, maken
nog het hoorntjesgebaar met miljoenen pezige handen, die het gewend
zijn om zware werktuigen te hanteren, met buizen en bakens in de
vaderlandse fabrieken. Iedereen hoopt te worden uitverkoren, iedereen
heeft een maarschalksstaf in zijn broek, stijf geworden door de
glorieuze dag waarop de bruilof met de Geschiedenis wordt gevierd. En
de Revolutie, rinkelend met de gouden munten aan haar ketting, komt
hen tegemoet en onderwerpt zich aan de wil van het volk: ze werp een
oog op de menigte en begint plotseling haar vrijers uit te kiezen met
een glimlachende zelfverzekerdheid, alsof ze hen al een eeuwigheid
kent. Ze buigt zich lichtjes over de wriemelende massa, steekt haar
hand uit en pakt bevallig, tussen twee met ringen beladen vingers,
een demonstrant, ze houdt hem vast ten hoogte van haar gezicht, geeft
hem een koket kusje op zijn kruin en zet hem voorzichtig neer op het
balkon. Eenmaal uit haar greep bevrijd brengt die snuiter zijn
kleding op orde, met rode koontjes van opwinding, en neemt vervolgens
een verantwoordelijke en strenge houding aan terwijl hij zijn blikken
laat glijden over de mensenzee aan zijn voeten. Hij voelt dat hij nu
het hoofd kan bieden aan de Revolutie, aan de situatie, aan het
moment waarop we, tegenover Europa, blijk moeten geven van tact…
Het reusachtige boerinnetje buigt zich weer over de meute (Mircea
voelt een ogenblik hoe het pikzwarte haar zijn wangen striemt zoals
in zijn kinderjaren, toen hij in Tântava op de bok van de wagen zat
en de staarten van de paarden soms zijn gezicht raakten), de mensen
kijken weer tussen haar tieten, een dukaat ter grootte van een
vrachtwagenwiel slaat weer eens iemand knock-out, maar de gedreven
Roemeense voert standvastig haar missie uit: ze tilt nog een
revolutionair op het balkon, dan nog een en nog een, totdat
uiteindelijk zo’n dertig mensen in zwarte overjassen de volledige
formatie vormen. Rien ne va plus. De vrouw
trekt zich bescheiden terug in een hoek en luistert, samen met de
eindeloze volksoploop, naar de toespraken van de uitverkorenen. We
trekken ons ook terug, discreet, uit het besneeuwde cubiculum waarin
het mysterie van het huwelijk wordt gevierd, niet zo kosmisch als de
bruiloft van de Moldavische herder uit vroeger tijden, maar
ongetwijfeld onder een even gunstig gesternte voor de lotsbestemming
van het volk. We hebben nog de gelegenheid een witte helikopter met
het presidentiële logo te zien opstijgen van het dak van het
Centraal Comité, die een reusachtige banner met zich meevoert waarop
in gestileerde letters, zogenaamde ‘Roemeense letters’ zoals op
het etiket van ‘Twee blauwe ogen’: wacht maar wij komen elkaar
nog wel eens tegen… staat geschreven. De Revolutie steekt haar hand
ernaar uit, probeert hem als een vlieg in haar vuist te vangen, maar
het witte, mollige toestel glipt tussen haar vingers door en
verwijdert zich, over de honderden blinde muren, puntdaken en
verroeste koepels, ontbladerde haagbeuken, bouwvallige stadions,
vervallen industriegebieden, besneeuwde stukken vlakte en bos, in de
richting van de verlaten en onafgemaakte muur in een provinciale
kazerne waar, met geweer aan de voet, het vuurpeloton reeds staat te
wachten.