De dichter en prozaschrijver Mircea Cărtărescu (1956) wordt
beschouwd als de meest vooraanstaande schrijver van zijn generatie,
die bekend staat als ‘de Tachtigers’ (ze debuteerden allen in de
jaren tachtig van de vorige eeuw) en voornamelijk postmodern is
geïnspireerd. In een kort zelfportret dat zijn uitgeverij Humanitas
hem had gevraagd te schrijven, zegt Cărtărescu dat het feit dat hij
van dichter proza-auteur werd, het droevigste is dat hem in dit leven
is overkomen. Hij voelde zich al dichter, zegt hij, toen hij nog
niets anders had geschreven dan zijn dagboek, en hij zou eigenlijk
niets liever willen dan terugkeren naar dat vroege, onschuldige
stadium van zijn schrijverschap. Poëzie schrijft hij af en toe nog
wel, maar het is zijn prozawerk waaraan hij zijn nationale en
internationale faam te danken heeft.
Hoewel Cărtărescu geen politieke schrijver is, kreeg hij toch
problemen met de communistische censuur omdat hij in 1985 een
verhalenbundel had willen publiceren onder de titel Nostalgia,
wat leek te verwijzen naar de gelijknamige film van de
sovjetregisseur Andrei Tarkovski, die niet populair was bij de
Roemeense communistische autoriteiten. De verhalenbundel verscheen
uiteindelijk als Visul (De droom) en kreeg die titel ook in de
Franse vertaling. Na de val van het regime verscheen het boek alsnog
onder zijn oorspronkelijk bedoelde titel. Hierna kwam zijn carrière
in een stroomversnelling. Cărtărescu, die al jarenlang de best
verkopende Roemeense schrijver is, werkte een klein decennium lang
aan een omvangrijke trilogie, Orbitor (Verblindend), die hij
in 2008 voltooide: Aripa stângă (De linkervleugel), Corpul
(Het lijfje) en Aripa dreaptă (De rechtervleugel). Orbitor,
uit deel drie waarvan het hier gepubliceerde fragment komt, is een
roman waarin realisme en fantasie, het logische en het absurde,
elkaar voortdurend afwisselen in een ongekende rijkdom van beelden en
beeldspraak. De personages die de roman bevolken stappen ook
moeiteloos over van de ene (on)werkelijkheid in de andere, waarin,
zoals de criticus Nicolae Manolescu schreef, ‘de tekening van een
tapijt het ganse heelal kan bevatten en het tapijt de kosmos zelve
kan worden’.
Met het nogal
luchtige prozawerk De ce iubim femeile (Waarom wij van vrouwen
houden), dat in 2004 verscheen, wist Cărtărescu het grote publiek
te bereiken en het boekje – met een cd waarop sommige van de
voornamelijk autobiografische verhalen worden voorgelezen – is, met
75.000 verkochte exemplaren, het meest succesvolle boek van een
Roemeense auteur sinds de revolutie van 1989. De romans en verhalen
van Cărtărescu zijn in een groot aantal talen vertaald en hij wordt
sinds enige jaren getipt als kandidaat voor de Nobelprijs. In
Nederland verscheen in 1995 de roman Travesti (Travestie).In Nieuw Wereldtijdschrift (nr. 1, 1997) verscheen ‘De
Roulettespeler’, vertaald door Jan Willem Bos, en in Dietsche
Warande & Belfort (150ste jg., nr. 1, februari 2005),
verscheen ‘Een gelukkige dag in mijn leven’, ingeleid en vertaald
door Jan H. Mysjkin.