Pa is dood. Hij was
een rustige, enigszins mystieke man, met twee diepe gleuven aan
weerszijden van zijn neus. Hij was soms weemoedig en had de gewoonte
om op zondagen tijdens het middagmaal grapjes te maken. Dan gooide
hij de soeplepel in de richting van de hanglamp en probeerde hem op
te vangen. Dat lukte hem nooit. De ene keer sneuvelde de lamp, de
andere keer het soepbord. De soep verspreidde zich vet en geel niet
alleen over het tafelkleed, maar ook over zijn broek met krijtstreep,
om uiteindelijk op het Perzisch tapijt te belanden, waar hij
buitengewoon zichtbaar en stabiel werd. Ik had tranen in mijn ogen
van het lachen, mijn moeder niet. Ik moet er nu nog om lachen,
terwijl ik de Orde van de Arbeid Klasse Drie bekijk die pa in ’68
heeft gekregen. Het is een fraai donkerrood doosje dat prettig
aanvoelt, en daarin zitten een zilveren insigne, een rood lint en pa.
Het insigne stelt het staatswapen voor, met zonnestralen.
De waarheid is dat
hij niemand heeft vervolgd, zelfs niet een van de buren. Integendeel,
hij heeft iedereen geholpen zoveel als hij kon. Zo was er
bijvoorbeeld eentje die een keer in het voorjaar naar Venezuela wilde
en pa heeft zich toen grote moeite getroost om voor hem een
astrolabium op de kop te tikken. Helaas wist die man niet wat hij
ermee aan moest en heeft hij zelfs de luchthaven niet weten te
vinden, dus had hij een weg door het bos gekozen, die hij hollend
aflegde, zodat ze hem vanuit een wachttoren hebben neergeschoten, pal
tussen zijn ogen. Tegen het vallen van de avond hebben ze hem naar
ons toe gebracht om hem te identificeren. Met uitzondering van zijn
gezicht, dat door Kandinsky (Wassily) leek te zijn geschilderd, was
het dezelfde pianoleraar die wij in het flatgebouw allemaal kenden,
alleen wat geler dan normaal en gekleed in een zeer expressief zwart
pak, dichtgeknoopt bij de nek. Ik weet nog dat de werkster iets
mompelde, in de zin van dat hij stonk, hoewel niemand haar had
uitgenodigd bij de identificatie aanwezig te zijn. Of bij de wake,
want hij is twee dagen op de gang blijven staan, zodat iedereen hem
kon komen zien.
Pa was een vrolijk
heerschap, hij droeg bretels. Hij was de enige in de hele flat die
lol in zijn leven had. Hij had gaten geboord in de voordeur en had
daar drie spionnetjes met groene glaasjes in aangebracht, waar hij
vooral op zondagen door gluurde, en dan schreef hij in een zwart
aantekenboekje op wie er voorbijkwam. Als hij niet wist hoe de
persoon die voorbijkwam heette, kraste hij een kleine x in de
deurpost, ongeveer ten hoogte van het kettinkje.
Toen ik op een dag
in de papieren van een verdacht bejaarde buurman grasduinde (ik werd
voortdurend aangespoord om dat te doen, met gebruikmaking van een
loper), stuitte ik op een minder gebruikelijke aantekening genaamdEpistel, die was geschreven in een opzettelijk infantiel
handschrift en ondertekend met Gabriel, waar ik een kort fragment uit
citeer: ‘Een bekende goochelaar (die open doekjes had gekregen in
Madrid en Stockholm, stond op het affiche) maakte op een middag zijn
opwachting in de circusarena van ons dorp. We waren met zijn allen te
hoop gelopen voor de voorstelling omdat we dingen verwachtten die
nooit eerder waren vertoond. Tot onze niet geringe verbazing kwamen
we al vrij gauw tot de ontdekking dat die man niet alleen totaal niet
in staat was te jongleren met balletjes van wit – soms rood –
plastic, die hij voortdurend op de grond liet vallen zodat hij er
overal achteraan moest rennen, en niet alleen een soort blauwige rook
verspreidde die naar de urine van een suikerzieke stonk, of volslagen
niet bij machte was iets geinigs te roepen, bijvoorbeeld een raadsel,
iets wat iedereen kon begrijpen, of tenminste de kinderen, die zich
te pletter verveelden en waren begonnen met een ijzerzaagje de
centrale paal van de tent door te zagen, die krakend op een stel oude
vrouwtjes terechtkwam, waardoor ze, terecht, begonnen te krijsen dat
het einde van de wereld was gekomen, maar dat zelfs een eenvoudige
koprol te hoog gegrepen voor hem was, en dat was niet de wijten aan
zijn indrukwekkende goochelaarsvleugels van triplex – in
werkelijkheid leek hij meer op een vliegtuig dan op iets anders –
maar aan de verrassende omvang van zijn hoofd, dat bedekt was met
slierten astraal haar, zoals een boer nogal overdreven opmerkte, maar
zo zijn alle boeren, want het waren eerder armzalige geverfde lokken,
die ’s nachts in krullers werden gezet en overdag met brillantine
tegen zijn schedel werden geplakt, lokken die, geef ik toe, eventueel
ook zouden kunnen worden aangezien voor het schaalmodel van een ver
verwijderd sterrenstelsel, op die leeftijd of alleen al als je in een
dergelijk dorp woont, zonder elektrisch licht en historische
bezienswaardigheden waar je aan kunt terugdenken, kun je je
gemakkelijk vergissen met betrekking tot lichaamsbeharing, en per
slot van rekening waren de meeste gevoelens afhankelijk van de plaats
waar je je bevond, als je op een van de voorste rijen zat, had je al
gauw in de gaten dat zijn reusachtige hoofd de acrobaat-goochelaar in
werkelijkheid uit zijn evenwicht bracht, echter het was niet grauw,
zoals we hadden verwacht, het had niet de vorm van een peer, het
vertoonde geen sporen van verminking, het bloedde niet en de mond
stond ook niet wijd open, met grijnzende tanden, om ons aan het
lachen te maken. Het was het hoofd van een engel. Na twee uur zijn we
erin geslaagd om hem mee te tronen naar het buffet, waar we hem
stomdronken hebben gevoerd.’
Soms speelden we
bij het vallen van de avond spionnetje. Beter gezegd: ik was de spion
en pa sloop op handen en voeten achter mij aan, tot in de badkamer.
Daar kreeg hij mij te pakken, met een bewonderenswaardige regelmaat,
en dan knelde hij mijn vingers in een door hemzelf in elkaar
geknutselde bankschroef, die over een stel grote en nauwgezet
vervaardigde houten schroeven beschikte. Het deed me pijn, maar ik
moest het uitschreeuwen van genot.
Korte tijd later,
toen ik zestien was geworden, betrapte ik mijn vader in zijn
werkkamer – waar hij allerlei microfoons, voetzoekers, moeilijk te
identificeren voorwerpen die je echter elektrische schokken
bezorgden, fotocamera’s, trechters en koptelefoons waarmee hij de
verwarmingsbuizen afluisterde – waar hij fijngevoelig een naakte
buurvrouw aan het tekenen was. De buurvrouw, hoewel ze een absolute
schoonheid was, kreunde. Misschien ook vanwege het gegeven dat ze met
een draad aan de plafonnière was vastgebonden. Daarna heb ik haar
nog maar een paar keer gezien, ze leek veranderd, maar de tekening
heb ik tot op de dag van vandaag bewaard, het is eigenlijk meer een
schets waarin zowel haar borsten als de plafonnière buitengewoon
goed zijn gesuggereerd.
En toch, herhaal
ik, was pa een goede vent. Ik handhaaf nadrukkelijk die uitspraak,
met kennis van zaken en in weerwil van het feit dat er de laatste
tijd steeds feller wordt beweerd dat hij honderden mensen naar zee
heeft gestuurd. Waar zij het volgens de berichten buitengewoon zwaar
hebben gehad. Dat is niet waar. Zij hoefden daar niets anders te doen
dan dagelijks, voor zover hun krachten dat toelieten, een
zandkasteeltje te bouwen, niemand heeft ooit van hen verlangd dat ze
dat te groot maakten. Het enige wat een beetje moeizaam was, was het
zoeken, want ze voelden zich verplicht, zo niet uit wellevendheid dan
wel om esthetische redenen – om op enige manier te betalen voor hun
gratis kost en inwoning – paarlemoeren schelpjes te verzamelen, van
die zogenaamde sirenennagels, die ze vervolgens boven op de
zandkastelen prikten. Sommigen, uit gemakzucht of vanwege hun hoge
leeftijd of om ondoorgrondelijke redenen, gaven er de voorkeur aan om
hun eigen nagels uit te rukken, meestal hun vingernagels, die ze op
de hoogste zandtoren zetten, die aldus ook met een beetje bloed
gekleurd was, en op die manier probeerden ze mijn vader een rad voor
de ogen te draaien wanneer hij op inspectie kwam. En dan werden ze
uiteraard gestraft. Helaas kunnen ze geen getuigenis meer afleggen,
want ze zijn omgekomen toen de golven kwamen.
De piano was van
mama. Ik denk dat ik een jaar of vijf was toen ik werd verrast door
de felheid waarmee mijn pa, met zijn hoofd onder de hanglamp,
verordonneerde dat het een goed idee zou zijn als ik op pianoles
ging. Mama had tegengeworpen dat ik nog te jong was en dat ze hoe dan
ook niet inzag wat ik eraan zou hebben. Vooral omdat ik nog niet eens
was begonnen met praten. Dat doet er niet toe, zei pa, het is de
hoogste tijd dat hij ook een keertje iets intelligents doet. In ons
huis, dat in het centrum van de stad was gelegen, had nooit iemand
muziek gemaakt. Zelfs mama niet. Wat de buren aangaat, daar heb ik
niets over te melden, niet eentje had het gewaagd om over de
prikkeldraadversperring heen te klauteren. Pas drie jaar later, nadat
we naar een flatje waren verhuisd, kwam de zaken in een ander
daglicht te staan. Dus maakte er een pianoleraar zijn opwachting. Hij
was mager, droeg een bril met ronde glazen en was als de dood voor
mijn vader. Desondanks speelden we, de leraar en ik, gedurende de
twee uur dat de wekelijkse pianoles duurde, met zijn
minipoppentheater of boetseerden we. Ik had geen muzikaal gehoor.
Maar wanneer pa kwam, hoefde niet ik te laten horen wat ik op de
desbetreffende dag had geoefend, doch de leraar. Hij ging met
gekromde rug op de kruk zitten, terwijl zijn met rode-gele-groene
boetseerklei besmeurde vingers zichtbaar trilden, en bracht schuchter
een sonate van Chopin ten gehore, steeds dezelfde, in bes opus 35,
tot genoegen van de in fauteuils weggezakte familie gevolgd door de
vlooienmars, die uiteindelijk iedereen in slaap wiegde, inbegrepen
het dienstmeisje, dat net weer suiker in de roomsaus had gedaan. In
plaats van zout. Zes maanden lang verdroeg de leraar de roomsaus met
suiker en pa’s muzikale aanwijzingen, totdat hij op een ochtend het
huis binnenliep met een wollen slaapmuts, vol haat op het toetsenbord
van de piano ramde, op de lage tonen, zichzelf opsloot in de
voorraadkast, bekende dat hij een volksvijand was en ik achterlijk en
dat hij er niet meer tegen kon – dat hij er niet meer tegen kon zei
hij op scherpe toon – en eindigde met de vraag of ik zin had om
samen met hem van boetseerklei – hij had een doos meegebracht –
het hoofd van Garibaldi op zijn sterfbed te maken. Dat heb ik gedaan,
en niet slecht ook, met een blauwe snor, alleen verscheen de leraar
de volgende dag niet meer. Ik heb hem tenminste niet meer gezien
totdat ze hem ’s avonds gekleed in dat zwarte pak naar ons toe
brachten. Pa heeft Garibaldi’s hoofd weggegooid en ik heb de
bronzen klankbodem van de piano kapotgeslagen, waarna ik er een
pedaal uit heb gerukt. Die pedaal heb ik later bevestigd op de
driewieler waarmee ik heb deelgenomen aan een driewielerrace op
districtsniveau. Ik heb die niet weten te winnen, ik kwam zelfs als
laatste aan, tot wanhoop van mijn ouders. Ik droomde ervan om
kunstenaar te worden. Mijn hele wezen hunkerde naar een dergelijk
doel. Zo’n tien, twintig jaar later heb ik iets in die zin weten te
bereiken, toen ik, naar aanleiding van een test om vast te stellen
hoe telegeniek ik wel niet was, werd uitverkoren om te spelen in een
godsdienstige film waarvan ik de naam ben vergeten, al had ik
blijkbaar de hoofdrol, of, beter gezegd, ik was de stand-in van de
hoofdrolspeler en samen bewerkstelligden dat blinden konden zien,
lammen konden lopen en leprozen konden lachen. Maar de filmwereld was
niets voor mij. Al groeten de blinde die ik heb genezen en ik elkaar
nu nog op straat. En in mijn jeugd, ondanks mijn duidelijke ambities,
was ik gedwongen allerlei onzinnige dingen te leren, te schaatsen, de
duizend meter te rennen, te bokspringen (?), te touwklimmen, en dat
lukte me allemaal niet, dus heeft de gymleraar, een zeurkous die een
jaar van zijn pensioen af was, mij verlinkt bij mijn vader, en zo
zijn zowel het klimtouw als de leraar verdwenen. Geschiedenis ging me
boven mijn pet, het enige leuke van scheikunde vond ik de zuren
waarmee ik de rokken van de meisjes besprenkelde, zij vonden daar
niets aan, vrouwen hebben geen gevoel voor humor, bij het Roemeens
maakte ik niets klaar. Ik had echter wel aanleg voor tekenen. Ik
tekende aan één stuk door, koortsachtig en met mijn tong uit de
mond, minuscule figuurtjes, als een jeugdige Bosch. Ik speelde vaak
op het kerkhof. Ik trok vliegen hun vleugels uit, stopte vlinders in
de vlam van het gasfornuis, sneed regenwormen in tweeën, stak
spelden in de ogen van muizen. Ik was een voorlijk kind. Op de dagen
dat ik, meestal tijdens de weekeinden, ondraaglijk gekrijs hoorde
afdalen vanaf de zolder van het huis waar pa aan het werk was, maakte
ik een waterverfschilderij en holde naar mama toe, die een stereo
koptelefoon droeg en een zwart masker op had. Ik kon haar de aquarel
niet laten zien, want ik kreeg haar masker niet af. Ik had een
moeilijke jeugd, nergens vond ik enige troost. En pa werkte. Hij
werkte zonder onderbreking. Op zulke momenten kon ik hem niet storen,
dat zou hem hebben geïrriteerd. Hij had zich voorgenomen de wijk te
zuiveren. Hem schoon te maken. Niettemin zat het dakraam altijd onder
het stof.
Toch moet ik
toegeven dat hij mij vrijwel nooit heeft aangemoedigd te schilderen.
Hij vond dat een vrouwenberoep. Een man moet graven. Kanonnen
afschieten. Bovendien beweerde hij dat ik niet in staat was om mensen
in beweging af te beelden, en evenmin met een goede gelijkenis. Kijk
beter door het spionnetje. Leer om schetsen te maken, adviseerde hij
me. Ik heb al het mogelijke gedaan, qua schetsen dan, maar ik heb
nooit gezien dat hij tevreden was. Hij was het niet eens met mijn
bezigheden en ik begreep niet waarom, hij had me per slot van
rekening op pianoles gedaan en dat kwam toch in de buurt, al viel het
niet helemaal samen met het vakgebied dat mij het meeste aansprak.
Eén enkele keer, hoog in de bergen, bij de Oude Wijven, heb ik zijn
belangstelling weten te wekken. Tot zijn genoegen vuurde ik met een
pijltjespistool twee pijltjes af op de zon. De projectielen heb ik
niet meer teruggevonden. Ik heb een hele dag gehuild en niet eens
omgekeken naar mijn tekenblok. Toen heeft pa mij een echt pistool
beloofd, wanneer ik groot zou zijn. Toen ik eenmaal groot was,
schrijf hij mij in op een parallellepipedumschool voor de kinderen
van kaderleden. We zaten met z’n heel velen in het gebouw, een
grijs bouwwerk. De leerkrachten gedroegen zich vreemd, heel star, ze
droegen uniformen. Sommigen hadden de gewoonte om het klassenboek
vanuit de deuropening precies op de lessenaar te gooien. Ze vertelde
me dat ik te vaak droomde, te kleurrijk, te onnatuurlijk. Tijdens de
lessen toeristische oriëntatie sloeg ik een verkeerde richting in,
ik struikelde en vond een rode paddenstoel. Dezelfde paddenstoel werd
ook ontdekt door de docent, die mij uitlegde dat het een lagere plant
was, verstoken van chlorofyl, die leefde als een parasiet of een
saprofyt en zich vermenigvuldigde door middel van sporen. Vervolgens
somde hij voor mij de namen van enkele giftige paddenstoelen op: de
stinkzwam (Phallus impudicus), de vliegenzwam (Amanitamuscaria), de Boletus satanas, de Russulaemetica, de zwavelboleet (Hypholoma fasciculare).
Dit is, vervolgde hij terwijl hij de plant uit mijn hand griste, eenLactarius deliciosus. Ook wel de smakelijke melkzwam
geheten. En om mij te laten zien hoe smakelijk die melkzwam wel niet
was, heeft hij hem opgegeten. Een minuut later raakte hij in coma.
Daarna
nam ik deel aan schietoefeningen. Een sergeant die mij vader kende
begroette me, een korporaal zoende me op allebei mijn wangen toen ik
even niet oplette. Waar het om ging, was dat ik een automatisch
geweer moest laden en afvuren. In het begin vroeg ik waarom ik moest
schieten, maar omdat niemand mij antwoordde, nam ik de
dichtstbijzijnde boom op de korrel. Het was een eik. Ik raakte twee
keer zijn kruin, onder het applaus van mijn medescholieren. Tjilpend
vlogen een paar vogels op. Ik kreeg de opdracht nogmaals te schieten.
Op een haas. Hoewel ik hem niet zag, heb ik hem aan flarden
geschoten. Een stel zigeuners, die huizen bewoonden welke tegen de
oostelijke muur van de kazerne aan stonden, maakten muziek, ze hadden
een bruiloft. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik heb ook op hen
geschoten. Ik raakte de zangeres in haar been. Er klonk geschreeuw.
Om daar een einde aan te maken, heb ik nog drie keer geschoten. De
violist was op slag dood. Ze hebben hem met haastige spoed begraven
naast de haas. Maar wel op enige afstand. En zo kwam er een einde aan
dat hele gedoe, er werden geen klachten ingediend, pa had connecties,
ik had hallucinaties, dat hield iedereen staande, ik had ze
schijnbaar ook in mijn slaap, en de muzikant was een bescheiden man
geweest, zonder gezin. Sindsdien droom ik niet meer. Vier jaar later
ben ik overgegaan. Daarna ben ik in het ziekenhuis beland.
Ik denk nu nog met
genoegen terug aan die lange, lommerrijke lanen waarover ik wandelde
op koele lenteochtenden, in mijn kamerjas van molton, terwijl ik
probeerde te raden door het raam van welke zaal pa naar me keek. Ik
wist dat hij iedere beweging van mij in de gaten hield, hij was
tegelijk met mij opgenomen. Ik voelde me prettig in het ziekenhuis,
misschien wel voor het eerst van mijn leven, hoewel er tegen mij was
gezegd dat ik een taak te vervullen had. Ik was geplaatst in een
paviljoen voor neuroses waarvan het niet duidelijk was hoe ernstig ze
waren, sommigen slikten vorken in, anderen renden achter vogels aan,
hoe dan ook waren het in meerderheid tamelijk zwijgzame autisten en
manisch-depressieven. De overigen waren collega’s van mij, die ook
uitgezonden waren. We hadden een soort team gevormd in onze zaal met
zes bedden, we hielpen elkaar onze tanden te poetsen, we aten samen
uit de pakketten die onze familie had gebracht, de familieleden
hadden tranen in hun ogen, we deelden alles, medicijnen, zeep, de
spuitbus tegen kakkerlakken. Ziekenhuiskakkerlakken bestaan er in
grote aantallen, vliegensvlug, rode en zwarte, blijkbaar vinden ze
het prettig in het ziekenhuis, want ik zag ze overal, in de
nachtkastjes, in de bedden, hoewel we, om ze niet meer te zien,
allerlei olieachtige injecties kregen, waarna we een tijdlang niet
eens meer konden lopen. De verpleegsters waren zonder uitzondering
blond, ik geloof dat ze voormalige handbalsters waren, een soort
vrouwelijke nazaten van Wilhelm Tell, maar niet echt, want onze
unanieme mening, die fluisterend werd uitgesproken terwijl we
triktrak zaten te spelen op de gang, was dat er in feite geen enkel
verschil is tussen een injectienaald en een kruisboog, zelfs niet wat
betreft de afstand vanwaar wordt geschoten. De tijd verstreek. Soms
moesten we op onze hoede zijn.
Het
viel ons op dat er tussen de vaste bewoners bizarre lieden zaten die
niets anders deden dan gekleed in een pyjama en op pantoffels door de
tuin wandelen. Al een van de eerste dagen knoopte ik een praatje aan
met een schilder, een interessant type dat geprobeerd had zelfmoord
te plegen door benzol in zijn ader te spuiten, het was niet gelukt en
nu had hij een arm minder, hij heette Bordea, als ik me niet vergis,
en hij zat de godganse dag aan een oude radio gekluisterd. Een keer
vroeg ik of ik er ook eventjes naar mocht luisteren en toen vertelde
hij mij dat er niets te horen viel, want hij stond niet aan. En dat
kon ook niet, want bijna alle onderdelen ontbraken. Een ander,
tandarts van beroep, heeft me twee keer, nadat hij me had opgedragen
mijn mond te openen, gevraagd of ik spoken had gezien. Hij had ze wel
gezien, naast het Cişmigiupark,
ze kwamen uit de richting van Brezoianu. Het vreemde aan hen was dat
ze hoeden droegen. Bovendien had ik de indruk dat hij van de
verkeerde kant was, bij beide gelegenheden, na dat verhaal over de
spoken, nodigde hij me weemoedig uit om bij hem langs te komen
wanneer hij uit het ziekenhuis zou zijn gekomen – hij zat er al
tien jaar –, hij had een juweel van een eenkamerflatje ergens in de
buurt van het Standbeeld voor de Luchtvaarders, hij was vergeten waar
precies, en ik heb hem vriendelijk geantwoord dat ik dat niet kon.
Toch kwam hij overtuigend over, op een gegeven moment zat ik in de
eetzaal naar een vioolconcert van Mozart te luisteren, met Oistrach,
die vier jaar eerder was overleden, over spoken gesproken. En min of
meer in verband daarmee herinner ik mij dat onze ouders ons zeer
plichtsgetrouw iedere zondag kwamen opzoeken. Ze brachten frisdranken
mee, tubes verf, sokken. Ik schilderde nu kompassen, in de stijl van
Braque. Pa hield niet van Braque, daarentegen merkte ik tijdens een
winter dat hij wel van een arbeidster hield, een werkneemster van de
Broodfabriek. Ze was opgenomen in een ander gebouw, bij de vrouwen.
En het was koud, het sneeuwde als uit een fluit, de arbeidster liep
blootsvoets door de sneeuw. In diezelfde tijd maakte ik kennis met
een nieuwe lotgenoot, een nurks type van een jaar of zestig. Zijn
probleem was dat hij niet kon slapen, en hij ijsbeerde urenlang over
de gang, van de ene kant naar de andere, kettingrokend, met
afgemeten, volkomen gelijkmatige voetstappen, om welke reden hij
‘treintje’ was gedoopt. Op een middag in december maakte hij een
onverwachte tussenstop in het trappenhuis, en door middel van een
spontane en feilloos uitgevoerde pirouette landde hij op zijn hoofd
op de traptreden, een hele etage lager. Dus hem hoefde ik tenminste
niet langer in de gaten te houden. Toch heb ik een behoorlijk goed
gelukt portret van hem gemaakt, met een blauw oog en een verpletterde
schedelbasis, toen ze hem op een zware draagbaar naar het mortuarium
brachten.
Toen ik uit het
ziekenhuis werd ontslagen, ontving ik gedetailleerde instructies van
een heer die stevig gewikkeld was in een geruite deken, met
betrekking tot de wijze waarop burgers die een afwijkend gedrag in de
maatschappij vertonen dienen te worden gevolgd en aangegeven. Ik
bewonderde zijn deken en heb zijn instructies zo goed mogelijk
opgevolgd. Ik was echter geen moment undercover en vreemd genoeg
trakteerde iedereen me op vanille-ijsjes. Thuis bestudeerde pa het
hoorntje onder de microscoop en ik zorgde er altijd voor dat ik het
hem intact bracht. Dan liet hij mij zien wat een parallax was, toonde
me een onder het objectiefplaatje spartelend pantoffeldiertje of
probeerde me uit te leggen hoe een videocamera werkte, of een
stopcontact, of de satelliet die iedere avond boven ons huis
voorbijkwam. Ik denk dat louter het scherpstellen van het oculair
nostalgische gevoelens bij hem opriep, want dan begon hij me opnieuw,
tegelijk met een korte uitleg over het leven in zoet water van
infusiediertjes, zijn familiegeschiedenis te vertellen, dat zijn
moeder een mooie vrouw was geweest die leed aan tuberculose en in die
tijd was er geen hydrazide te krijgen, dus nam ze paracetamol, liet
zich een sportief kapsel aanmeten en droeg de zorg, hoewel ze de hele
tijd overal bloed spuugde, voor haar gewelddadige echtgenoot en hun
twee kinderen, zijn zuster was ingenieur geworden op een bouwplaats,
waar ze in een keet haar toekomstige echtgenoot had leren kennen, een
expert in dynamiet die het tot consul zou schoppen, en zijn vader, de
baas van dit wereldje, mijn grootvader dus, had al de rang van
generaal toen hij zijn eerste auto met toeter in de stad kocht,
waarmee hij de kruidenier heeft overreden. Blijkbaar was het een
goedgebouwde vent, afstandelijk, kenner van twee vreemde talen die
hij vloeiend sprak voor de badkamerspiegel en die later een dagboek
bijhield dat zeer rijk was in details en waarin hij ook de namen en
zonden van alle buren noteerde en, tot een uur voor zijn overlijden,
de manier waarop hij zijn pensioen verdeelde: een leu voor lampolie,
drie lei brood, tien bani lucifers, negenhonderd lei
pruimenbrandewijn. Pa vertelde me, met een dubbelzinnige glimlach,
dat opa een magistrale vertegenwoordiger zou zijn geweest van onze
manier van leven, als hij nog had geleefd. Slordig. Infantiel. Of
eerder onverantwoordelijk, omdat we onze tijd verdoen met onbenullige
zaken. Als sprekend voorbeeld wees hij op mij. Hij wist dat ik
schilder wilde worden, al had hij gehoopt dat ik voor een loopbaan
als goochelaar zou kiezen. Vooral na die episode met school. In het
leven doe je niet wat je leuk vindt, zei hij, en hij zei dat
dikwijls, misschien vond hij die zin goed klinken, en dan ben je
genoodzaakt om iets te ondernemen ten gunste van anderen, van de
hulpbehoevende leden van de gemeenschap, die eeuwig is, en dat zolang
het nog kon, we hebben de hele tijd een beeld van de uiterste limiet
voor ogen, die ken jij ook, hoewel je zou kunnen zeggen dat je
hersenen je niet echt helpen, want ik heb de golven op je eeg ook
gezien, die lijken uit een lijntjesschrift te komen, het kerkhof, dat
is de baak, de ultieme voorstelling, op sommige kruisen staat Ionescu
geschreven, op andere niet, we zullen je nooit vergeten, hier ligt
Vader, of onze aanbeden Dochter, al sinds lange tijd, het graf is
naar de verdoemenis, het is ingezakt door de vele regenval, het is
vreselijk hoeveel het hier regent, toen ik klein was, pikte ik
moerbeien uit de bomen die waren gegroeid uit de buiken, billen en
wangen van de berustenden onder de grond, als ze tenminste berustend
zijn, vitaminen en wurmen bij elkaar, in de moerbei, want wurmen zijn
rijk in eiwitten en moerbeien in vitaminen, en terwijl ik die
oppeuzelde, zat ik te kijken naar de opschriften die waren uitgevoerd
door echte kunstenaars, naar de getallen, de geboorte- en
sterfdatums, vaak foutief gegraveerd, maar dat deed er niet meer toe,
in marmer of hout. En hier en daar een foto. Hij als militair, zij op
de middelbare school of in het gesticht, op een oud kiekje, tegen het
sepia aan, onder een gebarsten ruitje. De meesten hebben hun hele
armoedige leventje niets anders gedaan dan proberen onder de armoede
uit te komen, zonder dat die arme sloebers, stelletje imbecielen,
hebben begrepen dat hun misère hen hielp om dichter bij de zon te
zijn waar jij met pijltjes op hebt geschoten, om tot bezinning te
komen, te transpireren en zonder spijt in de ether opgenomen te
worden. Mensen zijn gevaarlijk, dat is de waarheid, met hen was en is
nooit iets te beginnen. Je hebt al een paar minuten nodig om hun
namen op de grafmonumenten te kunnen begrijpen.
Pa had een hamer.
Twintig jaar geleden, het was op een woensdag, nadat dat ik dat stuk
gereedschap vol met geronnen bloed en haren had gezien, begon het te
regenen. Ik weet niet waarom ik me toen pas bedacht dat pa mensen met
de hamer vermoordde, in de tuin. Er waren een hoop verdachte
heuveltjes verschenen tussen de groentebedden. En hij deed wat hij
deed – daar ben ik stellig van overtuigd, met de instemming of
zelfs de aanmoediging van mijn ongehuwde tantes, die opwindende benen
hadden, met driedubbele voetzolen, ik bekeek hen door het sleutelgat
van hun slaapkamer met de gesteven gordijntjes, in laatste instantie
een stel nogal merkwaardige dames, die voorwendden dat ze naar de
kerk gingen terwijl ze eigenlijk alleen maar naar de plee achter in
de tuin liepen, waar ik een reuzenspin had neergezet. Wel een stom
beest, want in twee jaar is hij er niet één keer in geslaagd hen te
verhinderen hun behoefte te doen, laat staan hen bang te maken. Hij
was zo goedmoedig, de stumper. Hij kon niet eens een vlieg opeten, om
van twee tantes nog maar te zwijgen. Ik geloof dat zij de bron van al
het kwaad waren, aangezien zij zich, onder andere, uitkleedden in de
spiegel en vervolgens poedelnaakt het onzevader opzegden. Zoals ze
mij irriteerden, konden zij ook mijn vader op de kast jagen, met name
omdat hij met zijn gezondheid was begonnen te tobben en hoe kalm je
ook was, als je naar hen luisterde, zou je in staat zijn iemand de
nek om te draaien. Als je zag hoe zij hun dunne haar kamden boven de
wasbak die ze vervolgens vergaten af te spoelen of hoe ze de
afvoerbuis verstopten als ze het wel deden, hoe ze ophitsende
volkswijsjes neurieden bij het open raam, hoe ze in zichzelf pratend
door het hele huis liepen, hoe ze mama verweten dat ze geen voedzame
stoffen in de soep deed, dus stopten zij er ongeschilde aardappels
in, omdat de schil tocoferol bevat, zoals ze naar de
fabrieksarbeiders keken, hijgend als in Meer naar links, drie
hamers, een in die tijd beroemd toneelstuk, hoe ze ’s ochtends
de badkamer bezet hielden, hoe ze zich optrokken aan de stang om
kleden te kloppen. Welnu, op die dag dat het regende, had ik naar de
vogels zitten kijken. Het waren een paar merels, een kraai en twee
koolmezen. Ze hadden veel gegeten, iemand had een heel in water
geweekt brood voor ze op de drempel achtergelaten, of misschien had
hij het in iets anders geweekt, wellicht in een beetje spiritus, en
in twee uur hadden ze dat opgegeten. Op een gegeven moment stortte de
kraai ter aarde alsof hij door de bliksem was getroffen. Een koolmees
knalde meermalen met zijn kop tegen het raam en de andere vogels
waren onwel tot een uur of negen ’s avonds. Ze hadden onstuitbaar
de hik, sommige kukelden van de telefoondraad naar beneden. Nog een
mazzel dat de binnenplaats niet geasfalteerd was.
Toen begon ik het
te begrijpen.
Ik wist nog niet zo
goed wat. Maar ik dacht met een grenzeloze emotie aan de kraai. Aan
ons leven dat omvliegt.
Enige tijd later
raakte de priester, die te veel in beslag werd genomen door het
voorlezen, in de war, en in plaats van dat hij de aarde over de
doodskist gooide, gooide hij hem over mij heen. En die dag was ik nog
verkouden ook. Ik veegde de aarde van mijn neus met een hoekje van
het lint waarop ‘eeuwige spijt’ stond geschreven. Omdat de inkt
nog vers was, werd de spijt uitgeveegd en bleef alleen de eeuwige
over. Uit het flatgebouw naast de begraafplaats klonkSchilderijententoonstelling van Mussorgski.
Laat ik maar niet
vertellen wat een problemen ik heb gehad met de doodskist. Ik ben een
hoop winkels binnengegaan, of hoe die ook mogen heten, en overal werd
mij op kleffe, kastanjebruine en lijdende, in zekere zin religieuze
toon uitgelegd, gefluisterd door een stel beleefde snuiters met
kastanjebruin haar en enorm kleine, dicht bij elkaar geplaatste ogen,
dat er aanzienlijke prijsverschillen bestonden tussen de
desbetreffende voorwerpen aangezien sommige lichter zijn, van
populierenhout, andere van eiken of beuken, ook kon ik mijn keuze nog
laten vallen op aerodynamisch gevormde exemplaren, van aluminium,
voor bijzondere gelegenheden, hoe dan ook was een bewerkte doodskist
een stuk duurder dan een gewone. Ik heb enkele tentoongestelde
exemplaren bekeken, die gelukkig leeg waren. En bij diezelfde
gelegenheid heb ik ook nog vernomen dat voor de houtbewerking zonder
uitzondering een selectie wordt gemaakt uit typisch Japanse bloemen,
en inderdaad viel me op dat ze waren bewerkt met een geduld dat het
Japanse fanatisme eigen is, zozeer dat ik vermoed dat zelfs net op de
wereld gekomen wormen er minachting voor koesterden, indien ze er
niet, althans voor een tijdje, lol aan beleven.
Toen kwam de
kwestie van de handvatten aan de orde. Een koperen handvat kost een
bom duiten, wat ertoe leidt dat je er plotseling een hekel aan
krijgt, een bloedhekel, zodat je zin hebt het eraf te rukken, het
plat te stampen, het om te smelten, om over vier stuks nog maar te
zwijgen. Dus heb ik uiteindelijk de keuze laten vallen op een klein,
eenvoudig, ongelakt doodskistje, zonder kussentje en zonder
handvatten Ik bedacht dat we hem per slot van rekening ook op onze
schouders konden dragen.
Omdat er echter
maar drie personen op de begrafenis aanwezig waren, van wie twee
vrouwen, hebben we hem gesleept.
Pa keek niet blij.
Als ik me goed
herinner, was die blik ook een van de redenen waarom ik me die
vrijdagmiddag zo rot heb geërgerd, toen pa – nadat hij naar mijn
meest recente schilderij had, daar stond een treintje op, en tegen me
had gezegd dat ik geen greintje talent had – me probeerde aan mijn
verstand te brengen wat talent was. Werk. Roeping. Toewijding. Weet
jij wat roeping is? vroeg hij. Kijk! En hij toonde mij zijn medaille,
zijn zilveren insigne met het staatswapen, dat hij had ontvangen
‘wegens buitengewone diensten verricht ten behoeve van de
verdediging van de sociale orde en de staatsinrichting’. Vervolgens
zette hij de bandrecorder voor me aan. Het was een Agfaband. Ik
hoorde een vrouwenstem om water vragen. Ik verzocht hem de band te
laten lopen. Na enkele ogenblikken stilte wist ik dezelfde stem weer
te onderscheiden, al leek hij ditmaal iets poëtischer.
Waarschijnlijk had niemand haar water gegeven. Wat die lui daar die
vrouw hebben aangedaan, staat niet op de opname. Ik keek zijdelings
naar pa. De verdediging van de staatsinrichting, herhaalde hij,
terwijl hij het gordijn recht trok dat om een onduidelijke reden
fladderde. Toen bekende hij mij dat hij dit vak al achttien jaar
uitoefende, een bijna muzikaal vak, zo niet pure muziek, want alleen
in een dergelijk vak kun je iedere week iemand om water horen vragen
met verbrande ogen of schreeuwend in bes, zoals in de sonate van
Chopin waar hij zo graag naar luisterde terwijl hij doodgemoedereerd
roomsaus met suiker at, en hij beëindigde zijn tirade met zijn oog
tegen het spionnetje gedrukt en met de opmerking dat hij trots was.
Ik vroeg hem waarop. Hij kon mij geen antwoord geven, vooral niet
omdat er een dame met een hoed voorbijkwam. Nadat we een pauze hadden
genomen voor de dame, heb ik heb verzocht een bes te laten horen. Ook
dat lukte hem niet. Dus heb ik hem met de hamer geslagen. Eén enkele
klap. Hij had een erg zachte schedel.