Op een vrijdagmiddag

Răzvan Petrescu | June 01, 2009
Translated by: Jan Willem Bos

 

Op een vrijdagmiddag
Pa is dood. Hij was een rustige, enigszins mystieke man, met twee diepe gleuven aan weerszijden van zijn neus. Hij was soms weemoedig en had de gewoonte om op zondagen tijdens het middagmaal grapjes te maken. Dan gooide hij de soeplepel in de richting van de hanglamp en probeerde hem op te vangen. Dat lukte hem nooit. De ene keer sneuvelde de lamp, de andere keer het soepbord. De soep verspreidde zich vet en geel niet alleen over het tafelkleed, maar ook over zijn broek met krijtstreep, om uiteindelijk op het Perzisch tapijt te belanden, waar hij buitengewoon zichtbaar en stabiel werd. Ik had tranen in mijn ogen van het lachen, mijn moeder niet. Ik moet er nu nog om lachen, terwijl ik de Orde van de Arbeid Klasse Drie bekijk die pa in ’68 heeft gekregen. Het is een fraai donkerrood doosje dat prettig aanvoelt, en daarin zitten een zilveren insigne, een rood lint en pa. Het insigne stelt het staatswapen voor, met zonnestralen.
             De waarheid is dat hij niemand heeft vervolgd, zelfs niet een van de buren. Integendeel, hij heeft iedereen geholpen zoveel als hij kon. Zo was er bijvoorbeeld eentje die een keer in het voorjaar naar Venezuela wilde en pa heeft zich toen grote moeite getroost om voor hem een astrolabium op de kop te tikken. Helaas wist die man niet wat hij ermee aan moest en heeft hij zelfs de luchthaven niet weten te vinden, dus had hij een weg door het bos gekozen, die hij hollend aflegde, zodat ze hem vanuit een wachttoren hebben neergeschoten, pal tussen zijn ogen. Tegen het vallen van de avond hebben ze hem naar ons toe gebracht om hem te identificeren. Met uitzondering van zijn gezicht, dat door Kandinsky (Wassily) leek te zijn geschilderd, was het dezelfde pianoleraar die wij in het flatgebouw allemaal kenden, alleen wat geler dan normaal en gekleed in een zeer expressief zwart pak, dichtgeknoopt bij de nek. Ik weet nog dat de werkster iets mompelde, in de zin van dat hij stonk, hoewel niemand haar had uitgenodigd bij de identificatie aanwezig te zijn. Of bij de wake, want hij is twee dagen op de gang blijven staan, zodat iedereen hem kon komen zien.
             Pa was een vrolijk heerschap, hij droeg bretels. Hij was de enige in de hele flat die lol in zijn leven had. Hij had gaten geboord in de voordeur en had daar drie spionnetjes met groene glaasjes in aangebracht, waar hij vooral op zondagen door gluurde, en dan schreef hij in een zwart aantekenboekje op wie er voorbijkwam. Als hij niet wist hoe de persoon die voorbijkwam heette, kraste hij een kleine x in de deurpost, ongeveer ten hoogte van het kettinkje.
             Toen ik op een dag in de papieren van een verdacht bejaarde buurman grasduinde (ik werd voortdurend aangespoord om dat te doen, met gebruikmaking van een loper), stuitte ik op een minder gebruikelijke aantekening genaamdEpistel, die was geschreven in een opzettelijk infantiel handschrift en ondertekend met Gabriel, waar ik een kort fragment uit citeer: ‘Een bekende goochelaar (die open doekjes had gekregen in Madrid en Stockholm, stond op het affiche) maakte op een middag zijn opwachting in de circusarena van ons dorp. We waren met zijn allen te hoop gelopen voor de voorstelling omdat we dingen verwachtten die nooit eerder waren vertoond. Tot onze niet geringe verbazing kwamen we al vrij gauw tot de ontdekking dat die man niet alleen totaal niet in staat was te jongleren met balletjes van wit – soms rood – plastic, die hij voortdurend op de grond liet vallen zodat hij er overal achteraan moest rennen, en niet alleen een soort blauwige rook verspreidde die naar de urine van een suikerzieke stonk, of volslagen niet bij machte was iets geinigs te roepen, bijvoorbeeld een raadsel, iets wat iedereen kon begrijpen, of tenminste de kinderen, die zich te pletter verveelden en waren begonnen met een ijzerzaagje de centrale paal van de tent door te zagen, die krakend op een stel oude vrouwtjes terechtkwam, waardoor ze, terecht, begonnen te krijsen dat het einde van de wereld was gekomen, maar dat zelfs een eenvoudige koprol te hoog gegrepen voor hem was, en dat was niet de wijten aan zijn indrukwekkende goochelaarsvleugels van triplex – in werkelijkheid leek hij meer op een vliegtuig dan op iets anders – maar aan de verrassende omvang van zijn hoofd, dat bedekt was met slierten astraal haar, zoals een boer nogal overdreven opmerkte, maar zo zijn alle boeren, want het waren eerder armzalige geverfde lokken, die ’s nachts in krullers werden gezet en overdag met brillantine tegen zijn schedel werden geplakt, lokken die, geef ik toe, eventueel ook zouden kunnen worden aangezien voor het schaalmodel van een ver verwijderd sterrenstelsel, op die leeftijd of alleen al als je in een dergelijk dorp woont, zonder elektrisch licht en historische bezienswaardigheden waar je aan kunt terugdenken, kun je je gemakkelijk vergissen met betrekking tot lichaamsbeharing, en per slot van rekening waren de meeste gevoelens afhankelijk van de plaats waar je je bevond, als je op een van de voorste rijen zat, had je al gauw in de gaten dat zijn reusachtige hoofd de acrobaat-goochelaar in werkelijkheid uit zijn evenwicht bracht, echter het was niet grauw, zoals we hadden verwacht, het had niet de vorm van een peer, het vertoonde geen sporen van verminking, het bloedde niet en de mond stond ook niet wijd open, met grijnzende tanden, om ons aan het lachen te maken. Het was het hoofd van een engel. Na twee uur zijn we erin geslaagd om hem mee te tronen naar het buffet, waar we hem stomdronken hebben gevoerd.’
             Soms speelden we bij het vallen van de avond spionnetje. Beter gezegd: ik was de spion en pa sloop op handen en voeten achter mij aan, tot in de badkamer. Daar kreeg hij mij te pakken, met een bewonderenswaardige regelmaat, en dan knelde hij mijn vingers in een door hemzelf in elkaar geknutselde bankschroef, die over een stel grote en nauwgezet vervaardigde houten schroeven beschikte. Het deed me pijn, maar ik moest het uitschreeuwen van genot.
             Korte tijd later, toen ik zestien was geworden, betrapte ik mijn vader in zijn werkkamer – waar hij allerlei microfoons, voetzoekers, moeilijk te identificeren voorwerpen die je echter elektrische schokken bezorgden, fotocamera’s, trechters en koptelefoons waarmee hij de verwarmingsbuizen afluisterde – waar hij fijngevoelig een naakte buurvrouw aan het tekenen was. De buurvrouw, hoewel ze een absolute schoonheid was, kreunde. Misschien ook vanwege het gegeven dat ze met een draad aan de plafonnière was vastgebonden. Daarna heb ik haar nog maar een paar keer gezien, ze leek veranderd, maar de tekening heb ik tot op de dag van vandaag bewaard, het is eigenlijk meer een schets waarin zowel haar borsten als de plafonnière buitengewoon goed zijn gesuggereerd.
En toch, herhaal ik, was pa een goede vent. Ik handhaaf nadrukkelijk die uitspraak, met kennis van zaken en in weerwil van het feit dat er de laatste tijd steeds feller wordt beweerd dat hij honderden mensen naar zee heeft gestuurd. Waar zij het volgens de berichten buitengewoon zwaar hebben gehad. Dat is niet waar. Zij hoefden daar niets anders te doen dan dagelijks, voor zover hun krachten dat toelieten, een zandkasteeltje te bouwen, niemand heeft ooit van hen verlangd dat ze dat te groot maakten. Het enige wat een beetje moeizaam was, was het zoeken, want ze voelden zich verplicht, zo niet uit wellevendheid dan wel om esthetische redenen – om op enige manier te betalen voor hun gratis kost en inwoning – paarlemoeren schelpjes te verzamelen, van die zogenaamde sirenennagels, die ze vervolgens boven op de zandkastelen prikten. Sommigen, uit gemakzucht of vanwege hun hoge leeftijd of om ondoorgrondelijke redenen, gaven er de voorkeur aan om hun eigen nagels uit te rukken, meestal hun vingernagels, die ze op de hoogste zandtoren zetten, die aldus ook met een beetje bloed gekleurd was, en op die manier probeerden ze mijn vader een rad voor de ogen te draaien wanneer hij op inspectie kwam. En dan werden ze uiteraard gestraft. Helaas kunnen ze geen getuigenis meer afleggen, want ze zijn omgekomen toen de golven kwamen.
 
De piano was van mama. Ik denk dat ik een jaar of vijf was toen ik werd verrast door de felheid waarmee mijn pa, met zijn hoofd onder de hanglamp, verordonneerde dat het een goed idee zou zijn als ik op pianoles ging. Mama had tegengeworpen dat ik nog te jong was en dat ze hoe dan ook niet inzag wat ik eraan zou hebben. Vooral omdat ik nog niet eens was begonnen met praten. Dat doet er niet toe, zei pa, het is de hoogste tijd dat hij ook een keertje iets intelligents doet. In ons huis, dat in het centrum van de stad was gelegen, had nooit iemand muziek gemaakt. Zelfs mama niet. Wat de buren aangaat, daar heb ik niets over te melden, niet eentje had het gewaagd om over de prikkeldraadversperring heen te klauteren. Pas drie jaar later, nadat we naar een flatje waren verhuisd, kwam de zaken in een ander daglicht te staan. Dus maakte er een pianoleraar zijn opwachting. Hij was mager, droeg een bril met ronde glazen en was als de dood voor mijn vader. Desondanks speelden we, de leraar en ik, gedurende de twee uur dat de wekelijkse pianoles duurde, met zijn minipoppentheater of boetseerden we. Ik had geen muzikaal gehoor. Maar wanneer pa kwam, hoefde niet ik te laten horen wat ik op de desbetreffende dag had geoefend, doch de leraar. Hij ging met gekromde rug op de kruk zitten, terwijl zijn met rode-gele-groene boetseerklei besmeurde vingers zichtbaar trilden, en bracht schuchter een sonate van Chopin ten gehore, steeds dezelfde, in bes opus 35, tot genoegen van de in fauteuils weggezakte familie gevolgd door de vlooienmars, die uiteindelijk iedereen in slaap wiegde, inbegrepen het dienstmeisje, dat net weer suiker in de roomsaus had gedaan. In plaats van zout. Zes maanden lang verdroeg de leraar de roomsaus met suiker en pa’s muzikale aanwijzingen, totdat hij op een ochtend het huis binnenliep met een wollen slaapmuts, vol haat op het toetsenbord van de piano ramde, op de lage tonen, zichzelf opsloot in de voorraadkast, bekende dat hij een volksvijand was en ik achterlijk en dat hij er niet meer tegen kon – dat hij er niet meer tegen kon zei hij op scherpe toon – en eindigde met de vraag of ik zin had om samen met hem van boetseerklei – hij had een doos meegebracht – het hoofd van Garibaldi op zijn sterfbed te maken. Dat heb ik gedaan, en niet slecht ook, met een blauwe snor, alleen verscheen de leraar de volgende dag niet meer. Ik heb hem tenminste niet meer gezien totdat ze hem ’s avonds gekleed in dat zwarte pak naar ons toe brachten. Pa heeft Garibaldi’s hoofd weggegooid en ik heb de bronzen klankbodem van de piano kapotgeslagen, waarna ik er een pedaal uit heb gerukt. Die pedaal heb ik later bevestigd op de driewieler waarmee ik heb deelgenomen aan een driewielerrace op districtsniveau. Ik heb die niet weten te winnen, ik kwam zelfs als laatste aan, tot wanhoop van mijn ouders. Ik droomde ervan om kunstenaar te worden. Mijn hele wezen hunkerde naar een dergelijk doel. Zo’n tien, twintig jaar later heb ik iets in die zin weten te bereiken, toen ik, naar aanleiding van een test om vast te stellen hoe telegeniek ik wel niet was, werd uitverkoren om te spelen in een godsdienstige film waarvan ik de naam ben vergeten, al had ik blijkbaar de hoofdrol, of, beter gezegd, ik was de stand-in van de hoofdrolspeler en samen bewerkstelligden dat blinden konden zien, lammen konden lopen en leprozen konden lachen. Maar de filmwereld was niets voor mij. Al groeten de blinde die ik heb genezen en ik elkaar nu nog op straat. En in mijn jeugd, ondanks mijn duidelijke ambities, was ik gedwongen allerlei onzinnige dingen te leren, te schaatsen, de duizend meter te rennen, te bokspringen (?), te touwklimmen, en dat lukte me allemaal niet, dus heeft de gymleraar, een zeurkous die een jaar van zijn pensioen af was, mij verlinkt bij mijn vader, en zo zijn zowel het klimtouw als de leraar verdwenen. Geschiedenis ging me boven mijn pet, het enige leuke van scheikunde vond ik de zuren waarmee ik de rokken van de meisjes besprenkelde, zij vonden daar niets aan, vrouwen hebben geen gevoel voor humor, bij het Roemeens maakte ik niets klaar. Ik had echter wel aanleg voor tekenen. Ik tekende aan één stuk door, koortsachtig en met mijn tong uit de mond, minuscule figuurtjes, als een jeugdige Bosch. Ik speelde vaak op het kerkhof. Ik trok vliegen hun vleugels uit, stopte vlinders in de vlam van het gasfornuis, sneed regenwormen in tweeën, stak spelden in de ogen van muizen. Ik was een voorlijk kind. Op de dagen dat ik, meestal tijdens de weekeinden, ondraaglijk gekrijs hoorde afdalen vanaf de zolder van het huis waar pa aan het werk was, maakte ik een waterverfschilderij en holde naar mama toe, die een stereo koptelefoon droeg en een zwart masker op had. Ik kon haar de aquarel niet laten zien, want ik kreeg haar masker niet af. Ik had een moeilijke jeugd, nergens vond ik enige troost. En pa werkte. Hij werkte zonder onderbreking. Op zulke momenten kon ik hem niet storen, dat zou hem hebben geïrriteerd. Hij had zich voorgenomen de wijk te zuiveren. Hem schoon te maken. Niettemin zat het dakraam altijd onder het stof.
             Toch moet ik toegeven dat hij mij vrijwel nooit heeft aangemoedigd te schilderen. Hij vond dat een vrouwenberoep. Een man moet graven. Kanonnen afschieten. Bovendien beweerde hij dat ik niet in staat was om mensen in beweging af te beelden, en evenmin met een goede gelijkenis. Kijk beter door het spionnetje. Leer om schetsen te maken, adviseerde hij me. Ik heb al het mogelijke gedaan, qua schetsen dan, maar ik heb nooit gezien dat hij tevreden was. Hij was het niet eens met mijn bezigheden en ik begreep niet waarom, hij had me per slot van rekening op pianoles gedaan en dat kwam toch in de buurt, al viel het niet helemaal samen met het vakgebied dat mij het meeste aansprak. Eén enkele keer, hoog in de bergen, bij de Oude Wijven, heb ik zijn belangstelling weten te wekken. Tot zijn genoegen vuurde ik met een pijltjespistool twee pijltjes af op de zon. De projectielen heb ik niet meer teruggevonden. Ik heb een hele dag gehuild en niet eens omgekeken naar mijn tekenblok. Toen heeft pa mij een echt pistool beloofd, wanneer ik groot zou zijn. Toen ik eenmaal groot was, schrijf hij mij in op een parallellepipedumschool voor de kinderen van kaderleden. We zaten met z’n heel velen in het gebouw, een grijs bouwwerk. De leerkrachten gedroegen zich vreemd, heel star, ze droegen uniformen. Sommigen hadden de gewoonte om het klassenboek vanuit de deuropening precies op de lessenaar te gooien. Ze vertelde me dat ik te vaak droomde, te kleurrijk, te onnatuurlijk. Tijdens de lessen toeristische oriëntatie sloeg ik een verkeerde richting in, ik struikelde en vond een rode paddenstoel. Dezelfde paddenstoel werd ook ontdekt door de docent, die mij uitlegde dat het een lagere plant was, verstoken van chlorofyl, die leefde als een parasiet of een saprofyt en zich vermenigvuldigde door middel van sporen. Vervolgens somde hij voor mij de namen van enkele giftige paddenstoelen op: de stinkzwam (Phallus impudicus), de vliegenzwam (Amanitamuscaria), de Boletus satanas, de Russulaemetica, de zwavelboleet (Hypholoma fasciculare). Dit is, vervolgde hij terwijl hij de plant uit mijn hand griste, eenLactarius deliciosus. Ook wel de smakelijke melkzwam geheten. En om mij te laten zien hoe smakelijk die melkzwam wel niet was, heeft hij hem opgegeten. Een minuut later raakte hij in coma.
             Daarna nam ik deel aan schietoefeningen. Een sergeant die mij vader kende begroette me, een korporaal zoende me op allebei mijn wangen toen ik even niet oplette. Waar het om ging, was dat ik een automatisch geweer moest laden en afvuren. In het begin vroeg ik waarom ik moest schieten, maar omdat niemand mij antwoordde, nam ik de dichtstbijzijnde boom op de korrel. Het was een eik. Ik raakte twee keer zijn kruin, onder het applaus van mijn medescholieren. Tjilpend vlogen een paar vogels op. Ik kreeg de opdracht nogmaals te schieten. Op een haas. Hoewel ik hem niet zag, heb ik hem aan flarden geschoten. Een stel zigeuners, die huizen bewoonden welke tegen de oostelijke muur van de kazerne aan stonden, maakten muziek, ze hadden een bruiloft. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik heb ook op hen geschoten. Ik raakte de zangeres in haar been. Er klonk geschreeuw. Om daar een einde aan te maken, heb ik nog drie keer geschoten. De violist was op slag dood. Ze hebben hem met haastige spoed begraven naast de haas. Maar wel op enige afstand. En zo kwam er een einde aan dat hele gedoe, er werden geen klachten ingediend, pa had connecties, ik had hallucinaties, dat hield iedereen staande, ik had ze schijnbaar ook in mijn slaap, en de muzikant was een bescheiden man geweest, zonder gezin. Sindsdien droom ik niet meer. Vier jaar later ben ik overgegaan. Daarna ben ik in het ziekenhuis beland.
             Ik denk nu nog met genoegen terug aan die lange, lommerrijke lanen waarover ik wandelde op koele lenteochtenden, in mijn kamerjas van molton, terwijl ik probeerde te raden door het raam van welke zaal pa naar me keek. Ik wist dat hij iedere beweging van mij in de gaten hield, hij was tegelijk met mij opgenomen. Ik voelde me prettig in het ziekenhuis, misschien wel voor het eerst van mijn leven, hoewel er tegen mij was gezegd dat ik een taak te vervullen had. Ik was geplaatst in een paviljoen voor neuroses waarvan het niet duidelijk was hoe ernstig ze waren, sommigen slikten vorken in, anderen renden achter vogels aan, hoe dan ook waren het in meerderheid tamelijk zwijgzame autisten en manisch-depressieven. De overigen waren collega’s van mij, die ook uitgezonden waren. We hadden een soort team gevormd in onze zaal met zes bedden, we hielpen elkaar onze tanden te poetsen, we aten samen uit de pakketten die onze familie had gebracht, de familieleden hadden tranen in hun ogen, we deelden alles, medicijnen, zeep, de spuitbus tegen kakkerlakken. Ziekenhuiskakkerlakken bestaan er in grote aantallen, vliegensvlug, rode en zwarte, blijkbaar vinden ze het prettig in het ziekenhuis, want ik zag ze overal, in de nachtkastjes, in de bedden, hoewel we, om ze niet meer te zien, allerlei olieachtige injecties kregen, waarna we een tijdlang niet eens meer konden lopen. De verpleegsters waren zonder uitzondering blond, ik geloof dat ze voormalige handbalsters waren, een soort vrouwelijke nazaten van Wilhelm Tell, maar niet echt, want onze unanieme mening, die fluisterend werd uitgesproken terwijl we triktrak zaten te spelen op de gang, was dat er in feite geen enkel verschil is tussen een injectienaald en een kruisboog, zelfs niet wat betreft de afstand vanwaar wordt geschoten. De tijd verstreek. Soms moesten we op onze hoede zijn.
             Het viel ons op dat er tussen de vaste bewoners bizarre lieden zaten die niets anders deden dan gekleed in een pyjama en op pantoffels door de tuin wandelen. Al een van de eerste dagen knoopte ik een praatje aan met een schilder, een interessant type dat geprobeerd had zelfmoord te plegen door benzol in zijn ader te spuiten, het was niet gelukt en nu had hij een arm minder, hij heette Bordea, als ik me niet vergis, en hij zat de godganse dag aan een oude radio gekluisterd. Een keer vroeg ik of ik er ook eventjes naar mocht luisteren en toen vertelde hij mij dat er niets te horen viel, want hij stond niet aan. En dat kon ook niet, want bijna alle onderdelen ontbraken. Een ander, tandarts van beroep, heeft me twee keer, nadat hij me had opgedragen mijn mond te openen, gevraagd of ik spoken had gezien. Hij had ze wel gezien, naast het Cişmigiupark, ze kwamen uit de richting van Brezoianu. Het vreemde aan hen was dat ze hoeden droegen. Bovendien had ik de indruk dat hij van de verkeerde kant was, bij beide gelegenheden, na dat verhaal over de spoken, nodigde hij me weemoedig uit om bij hem langs te komen wanneer hij uit het ziekenhuis zou zijn gekomen – hij zat er al tien jaar –, hij had een juweel van een eenkamerflatje ergens in de buurt van het Standbeeld voor de Luchtvaarders, hij was vergeten waar precies, en ik heb hem vriendelijk geantwoord dat ik dat niet kon. Toch kwam hij overtuigend over, op een gegeven moment zat ik in de eetzaal naar een vioolconcert van Mozart te luisteren, met Oistrach, die vier jaar eerder was overleden, over spoken gesproken. En min of meer in verband daarmee herinner ik mij dat onze ouders ons zeer plichtsgetrouw iedere zondag kwamen opzoeken. Ze brachten frisdranken mee, tubes verf, sokken. Ik schilderde nu kompassen, in de stijl van Braque. Pa hield niet van Braque, daarentegen merkte ik tijdens een winter dat hij wel van een arbeidster hield, een werkneemster van de Broodfabriek. Ze was opgenomen in een ander gebouw, bij de vrouwen. En het was koud, het sneeuwde als uit een fluit, de arbeidster liep blootsvoets door de sneeuw. In diezelfde tijd maakte ik kennis met een nieuwe lotgenoot, een nurks type van een jaar of zestig. Zijn probleem was dat hij niet kon slapen, en hij ijsbeerde urenlang over de gang, van de ene kant naar de andere, kettingrokend, met afgemeten, volkomen gelijkmatige voetstappen, om welke reden hij ‘treintje’ was gedoopt. Op een middag in december maakte hij een onverwachte tussenstop in het trappenhuis, en door middel van een spontane en feilloos uitgevoerde pirouette landde hij op zijn hoofd op de traptreden, een hele etage lager. Dus hem hoefde ik tenminste niet langer in de gaten te houden. Toch heb ik een behoorlijk goed gelukt portret van hem gemaakt, met een blauw oog en een verpletterde schedelbasis, toen ze hem op een zware draagbaar naar het mortuarium brachten.
 
Toen ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, ontving ik gedetailleerde instructies van een heer die stevig gewikkeld was in een geruite deken, met betrekking tot de wijze waarop burgers die een afwijkend gedrag in de maatschappij vertonen dienen te worden gevolgd en aangegeven. Ik bewonderde zijn deken en heb zijn instructies zo goed mogelijk opgevolgd. Ik was echter geen moment undercover en vreemd genoeg trakteerde iedereen me op vanille-ijsjes. Thuis bestudeerde pa het hoorntje onder de microscoop en ik zorgde er altijd voor dat ik het hem intact bracht. Dan liet hij mij zien wat een parallax was, toonde me een onder het objectiefplaatje spartelend pantoffeldiertje of probeerde me uit te leggen hoe een videocamera werkte, of een stopcontact, of de satelliet die iedere avond boven ons huis voorbijkwam. Ik denk dat louter het scherpstellen van het oculair nostalgische gevoelens bij hem opriep, want dan begon hij me opnieuw, tegelijk met een korte uitleg over het leven in zoet water van infusiediertjes, zijn familiegeschiedenis te vertellen, dat zijn moeder een mooie vrouw was geweest die leed aan tuberculose en in die tijd was er geen hydrazide te krijgen, dus nam ze paracetamol, liet zich een sportief kapsel aanmeten en droeg de zorg, hoewel ze de hele tijd overal bloed spuugde, voor haar gewelddadige echtgenoot en hun twee kinderen, zijn zuster was ingenieur geworden op een bouwplaats, waar ze in een keet haar toekomstige echtgenoot had leren kennen, een expert in dynamiet die het tot consul zou schoppen, en zijn vader, de baas van dit wereldje, mijn grootvader dus, had al de rang van generaal toen hij zijn eerste auto met toeter in de stad kocht, waarmee hij de kruidenier heeft overreden. Blijkbaar was het een goedgebouwde vent, afstandelijk, kenner van twee vreemde talen die hij vloeiend sprak voor de badkamerspiegel en die later een dagboek bijhield dat zeer rijk was in details en waarin hij ook de namen en zonden van alle buren noteerde en, tot een uur voor zijn overlijden, de manier waarop hij zijn pensioen verdeelde: een leu voor lampolie, drie lei brood, tien bani lucifers, negenhonderd lei pruimenbrandewijn. Pa vertelde me, met een dubbelzinnige glimlach, dat opa een magistrale vertegenwoordiger zou zijn geweest van onze manier van leven, als hij nog had geleefd. Slordig. Infantiel. Of eerder onverantwoordelijk, omdat we onze tijd verdoen met onbenullige zaken. Als sprekend voorbeeld wees hij op mij. Hij wist dat ik schilder wilde worden, al had hij gehoopt dat ik voor een loopbaan als goochelaar zou kiezen. Vooral na die episode met school. In het leven doe je niet wat je leuk vindt, zei hij, en hij zei dat dikwijls, misschien vond hij die zin goed klinken, en dan ben je genoodzaakt om iets te ondernemen ten gunste van anderen, van de hulpbehoevende leden van de gemeenschap, die eeuwig is, en dat zolang het nog kon, we hebben de hele tijd een beeld van de uiterste limiet voor ogen, die ken jij ook, hoewel je zou kunnen zeggen dat je hersenen je niet echt helpen, want ik heb de golven op je eeg ook gezien, die lijken uit een lijntjesschrift te komen, het kerkhof, dat is de baak, de ultieme voorstelling, op sommige kruisen staat Ionescu geschreven, op andere niet, we zullen je nooit vergeten, hier ligt Vader, of onze aanbeden Dochter, al sinds lange tijd, het graf is naar de verdoemenis, het is ingezakt door de vele regenval, het is vreselijk hoeveel het hier regent, toen ik klein was, pikte ik moerbeien uit de bomen die waren gegroeid uit de buiken, billen en wangen van de berustenden onder de grond, als ze tenminste berustend zijn, vitaminen en wurmen bij elkaar, in de moerbei, want wurmen zijn rijk in eiwitten en moerbeien in vitaminen, en terwijl ik die oppeuzelde, zat ik te kijken naar de opschriften die waren uitgevoerd door echte kunstenaars, naar de getallen, de geboorte- en sterfdatums, vaak foutief gegraveerd, maar dat deed er niet meer toe, in marmer of hout. En hier en daar een foto. Hij als militair, zij op de middelbare school of in het gesticht, op een oud kiekje, tegen het sepia aan, onder een gebarsten ruitje. De meesten hebben hun hele armoedige leventje niets anders gedaan dan proberen onder de armoede uit te komen, zonder dat die arme sloebers, stelletje imbecielen, hebben begrepen dat hun misère hen hielp om dichter bij de zon te zijn waar jij met pijltjes op hebt geschoten, om tot bezinning te komen, te transpireren en zonder spijt in de ether opgenomen te worden. Mensen zijn gevaarlijk, dat is de waarheid, met hen was en is nooit iets te beginnen. Je hebt al een paar minuten nodig om hun namen op de grafmonumenten te kunnen begrijpen.
 
Pa had een hamer. Twintig jaar geleden, het was op een woensdag, nadat dat ik dat stuk gereedschap vol met geronnen bloed en haren had gezien, begon het te regenen. Ik weet niet waarom ik me toen pas bedacht dat pa mensen met de hamer vermoordde, in de tuin. Er waren een hoop verdachte heuveltjes verschenen tussen de groentebedden. En hij deed wat hij deed – daar ben ik stellig van overtuigd, met de instemming of zelfs de aanmoediging van mijn ongehuwde tantes, die opwindende benen hadden, met driedubbele voetzolen, ik bekeek hen door het sleutelgat van hun slaapkamer met de gesteven gordijntjes, in laatste instantie een stel nogal merkwaardige dames, die voorwendden dat ze naar de kerk gingen terwijl ze eigenlijk alleen maar naar de plee achter in de tuin liepen, waar ik een reuzenspin had neergezet. Wel een stom beest, want in twee jaar is hij er niet één keer in geslaagd hen te verhinderen hun behoefte te doen, laat staan hen bang te maken. Hij was zo goedmoedig, de stumper. Hij kon niet eens een vlieg opeten, om van twee tantes nog maar te zwijgen. Ik geloof dat zij de bron van al het kwaad waren, aangezien zij zich, onder andere, uitkleedden in de spiegel en vervolgens poedelnaakt het onzevader opzegden. Zoals ze mij irriteerden, konden zij ook mijn vader op de kast jagen, met name omdat hij met zijn gezondheid was begonnen te tobben en hoe kalm je ook was, als je naar hen luisterde, zou je in staat zijn iemand de nek om te draaien. Als je zag hoe zij hun dunne haar kamden boven de wasbak die ze vervolgens vergaten af te spoelen of hoe ze de afvoerbuis verstopten als ze het wel deden, hoe ze ophitsende volkswijsjes neurieden bij het open raam, hoe ze in zichzelf pratend door het hele huis liepen, hoe ze mama verweten dat ze geen voedzame stoffen in de soep deed, dus stopten zij er ongeschilde aardappels in, omdat de schil tocoferol bevat, zoals ze naar de fabrieksarbeiders keken, hijgend als in Meer naar links, drie hamers, een in die tijd beroemd toneelstuk, hoe ze ’s ochtends de badkamer bezet hielden, hoe ze zich optrokken aan de stang om kleden te kloppen. Welnu, op die dag dat het regende, had ik naar de vogels zitten kijken. Het waren een paar merels, een kraai en twee koolmezen. Ze hadden veel gegeten, iemand had een heel in water geweekt brood voor ze op de drempel achtergelaten, of misschien had hij het in iets anders geweekt, wellicht in een beetje spiritus, en in twee uur hadden ze dat opgegeten. Op een gegeven moment stortte de kraai ter aarde alsof hij door de bliksem was getroffen. Een koolmees knalde meermalen met zijn kop tegen het raam en de andere vogels waren onwel tot een uur of negen ’s avonds. Ze hadden onstuitbaar de hik, sommige kukelden van de telefoondraad naar beneden. Nog een mazzel dat de binnenplaats niet geasfalteerd was.
             Toen begon ik het te begrijpen.
             Ik wist nog niet zo goed wat. Maar ik dacht met een grenzeloze emotie aan de kraai. Aan ons leven dat omvliegt.
 
Enige tijd later raakte de priester, die te veel in beslag werd genomen door het voorlezen, in de war, en in plaats van dat hij de aarde over de doodskist gooide, gooide hij hem over mij heen. En die dag was ik nog verkouden ook. Ik veegde de aarde van mijn neus met een hoekje van het lint waarop ‘eeuwige spijt’ stond geschreven. Omdat de inkt nog vers was, werd de spijt uitgeveegd en bleef alleen de eeuwige over. Uit het flatgebouw naast de begraafplaats klonkSchilderijententoonstelling van Mussorgski.
             Laat ik maar niet vertellen wat een problemen ik heb gehad met de doodskist. Ik ben een hoop winkels binnengegaan, of hoe die ook mogen heten, en overal werd mij op kleffe, kastanjebruine en lijdende, in zekere zin religieuze toon uitgelegd, gefluisterd door een stel beleefde snuiters met kastanjebruin haar en enorm kleine, dicht bij elkaar geplaatste ogen, dat er aanzienlijke prijsverschillen bestonden tussen de desbetreffende voorwerpen aangezien sommige lichter zijn, van populierenhout, andere van eiken of beuken, ook kon ik mijn keuze nog laten vallen op aerodynamisch gevormde exemplaren, van aluminium, voor bijzondere gelegenheden, hoe dan ook was een bewerkte doodskist een stuk duurder dan een gewone. Ik heb enkele tentoongestelde exemplaren bekeken, die gelukkig leeg waren. En bij diezelfde gelegenheid heb ik ook nog vernomen dat voor de houtbewerking zonder uitzondering een selectie wordt gemaakt uit typisch Japanse bloemen, en inderdaad viel me op dat ze waren bewerkt met een geduld dat het Japanse fanatisme eigen is, zozeer dat ik vermoed dat zelfs net op de wereld gekomen wormen er minachting voor koesterden, indien ze er niet, althans voor een tijdje, lol aan beleven.
             Toen kwam de kwestie van de handvatten aan de orde. Een koperen handvat kost een bom duiten, wat ertoe leidt dat je er plotseling een hekel aan krijgt, een bloedhekel, zodat je zin hebt het eraf te rukken, het plat te stampen, het om te smelten, om over vier stuks nog maar te zwijgen. Dus heb ik uiteindelijk de keuze laten vallen op een klein, eenvoudig, ongelakt doodskistje, zonder kussentje en zonder handvatten Ik bedacht dat we hem per slot van rekening ook op onze schouders konden dragen.
             Omdat er echter maar drie personen op de begrafenis aanwezig waren, van wie twee vrouwen, hebben we hem gesleept.
             Pa keek niet blij.
             Als ik me goed herinner, was die blik ook een van de redenen waarom ik me die vrijdagmiddag zo rot heb geërgerd, toen pa – nadat hij naar mijn meest recente schilderij had, daar stond een treintje op, en tegen me had gezegd dat ik geen greintje talent had – me probeerde aan mijn verstand te brengen wat talent was. Werk. Roeping. Toewijding. Weet jij wat roeping is? vroeg hij. Kijk! En hij toonde mij zijn medaille, zijn zilveren insigne met het staatswapen, dat hij had ontvangen ‘wegens buitengewone diensten verricht ten behoeve van de verdediging van de sociale orde en de staatsinrichting’. Vervolgens zette hij de bandrecorder voor me aan. Het was een Agfaband. Ik hoorde een vrouwenstem om water vragen. Ik verzocht hem de band te laten lopen. Na enkele ogenblikken stilte wist ik dezelfde stem weer te onderscheiden, al leek hij ditmaal iets poëtischer. Waarschijnlijk had niemand haar water gegeven. Wat die lui daar die vrouw hebben aangedaan, staat niet op de opname. Ik keek zijdelings naar pa. De verdediging van de staatsinrichting, herhaalde hij, terwijl hij het gordijn recht trok dat om een onduidelijke reden fladderde. Toen bekende hij mij dat hij dit vak al achttien jaar uitoefende, een bijna muzikaal vak, zo niet pure muziek, want alleen in een dergelijk vak kun je iedere week iemand om water horen vragen met verbrande ogen of schreeuwend in bes, zoals in de sonate van Chopin waar hij zo graag naar luisterde terwijl hij doodgemoedereerd roomsaus met suiker at, en hij beëindigde zijn tirade met zijn oog tegen het spionnetje gedrukt en met de opmerking dat hij trots was. Ik vroeg hem waarop. Hij kon mij geen antwoord geven, vooral niet omdat er een dame met een hoed voorbijkwam. Nadat we een pauze hadden genomen voor de dame, heb ik heb verzocht een bes te laten horen. Ook dat lukte hem niet. Dus heb ik hem met de hamer geslagen. Eén enkele klap. Hij had een erg zachte schedel.
 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Stelian Tănase
Translated by: Jean Harris

From Maestro: A Melodrama. Episode 7

Emiluţa has an unfortunate thought. She’ll throw herself off the top of the building. Why? What the fuck? Let’s say for the cause of PeaceonEarth, for the slumdogs, Europe, for the lonely. Which is to say she doesn’t have a ghost of a reason. Viva Walachia! The way things stand, if ...

Translator’s Note
Translator’s Note: a synopsis
Author: Ştefan Agopian
Translated by: Ileana Orlich

How I Learned to Read (from Tache de Catifea / The Velvet Man)

The bearded man was the owner of an apothecary shop where he worked with two apprentices. Nobody paid me any mind, so I spent all day in what was supposed to be the shop. I say this because it was a large, dark room full of odors—a mix of smells from everywhere. The room hadn’t been cleaned ...

Translator’s Note
Re: Learning to Read, from Tache de catifea / The Velvet Man
Author: Gabriela Adameşteanu
Translated by: Patrick Camiller

Wasted Morning - Napoleon in Bucharest

“What you’ve got here is heaven on earth,” Vica says as she drops onto the kitchen chair. “But where’s your mother?” “At work,” Gelu lazily replies, leaning sideways against the door. “She’s doing mornings this week, didn’t you know?” He is tall and thin, with unset ...

Author: Petre Ispirescu
Translated by: Jean Harris

Youth Without Age and Life Without Death

It happened once as never before-y, ‘cause if it couldn’t be true, it wouldn’t make a story about the time when the poplar tree made berries and the willow tree broke out in cherries, when bears began to brawl with their tails, and wolf and lamb, unfurling their sails, threw arms around each ...

Translator’s Note
On Petre Ispirescu
Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx