Het imaginaire koninkrijk van Ştefan Bănulescu

Ştefan Bănulescu | August 18, 2008
Translated by: Jan Willem Bos

 

Met zijn geconcentreerde en raadselachtige oeuvre, onuitputtelijk in zijn fabelachtige structuur, is Ştefan Bănulescu een van belangrijkste en meest waardevolle prozaschrijvers van het naoorlogse Roemenië. Hij werd geboren als de achtste zoon in een boerenfamilie uit het in de Donauvlakte gelegen dorp Fǎcǎieni, district Ialomiţa. Niet weinig bronnen geven zijn geboortedatum als 1929, hoewel de auteur zelf een zeker mysterie rondom die datum in stand hield. Na eindexamen te hebben gedaan aan het lyceum van Cǎlǎraşi (afdeling Roemeens-Latijn) loopt de toekomstige schrijver in de jaren veertig college aan de Rechtenfaculteit en vervolgens aan de Letterenfaculteit, midden in de periode dat het sovjetcommunisme in Roemenië werd ingevoerd. Hij debuteert in de pers in Viaţa româneascǎ (Het Roemeense leven, 1949) met een essay over Gogol, terwijl zijn – niet erg opmerkelijke – debuut in boekvorm uit 1960 stamt: een verzameling reportages-essays bijeengebracht onder de titel Drum în cîmpie (Weg door de vlakte). Sommige van zijn essays over de geboorteplaatsen van grote schrijvers Realitatea în cǎutarea ficţiunii (De werkelijkheid op zoek naar de fictie, over Liviu Rebreanu) en Haimanale-Ploieşti-Mizil-Bucureşti (Haimanale-Ploieşti-Mizil-Boekarest, over I.L. Caragiale), gepubliceerd in de pers van die tijd, zullen later deel uitmaken van Scrisori provinciale (Provinciale brieven, 1976, waarvan de ongecensureerde titel luidt Scrisori din provincia de Sud-Est, Brieven uit de zuidoostelijke provincie). Een reeks gedichten in folkloristische stijl die in diezelfde tijdschriften verscheen, vormt in 1968 de verzameling genaamd Cîntece de cîmpie (Liederen van de vlakte) en zal vanaf 1971 als Addenda worden toegevoegd aan de bundel korte verhalen. Als Bănulescu’s echte debuut in boekvorm wordt niettemin de bundel met korte verhalen Iarna bǎrbaţilor (De winter van de mannen, 1965) beschouwd. Het boek, dat later werd vertaald in de belangrijkste Europese talen: Duits, Frans, Engels, Spaans, Russisch, Servisch, Pools, Tsjechisch, Hongaarse, omvat teksten die in de jaren 1963-1964 zijn verschenen in de tijdschriften Gazeta literarǎ (Literair gazet) en Luceafǎrul (De Avondster) en zal enkele aanpassingen van de hand van de auteur ondergaan tot de definitieve editie van 1979. De schrijver zal voor dit boek de Prozaprijs van de Schrijversbond ontvangen, waarna hij al gauw wordt gezien als een van de meest vooraanstaande prozaschrijvers van de poststalinistische ‘dooi’. Hij ontvangt beurzen voor buitenlandse universiteiten (Urbino, Iowa, later Berlijn), wordt vice-voorzitter van de Schrijversbond en, voor korte tijd, hoofdredacteur van De avondster (1968-1971) in de literair gezien meest reformistische periode van dat tijdschrift en tevens de meest ontspannen periode van het communistische regime in Roemenië. Na Cartea de la Metopolis (Het boek van Metopolis), het eerste en enige gepubliceerde deel van een geplande tetralogie, Cartea Milionarului (Het boek van de miljonair), raakt Bănulescu, zwaar getroffen – net als Borges! – door een oogkwaal als auteur op de achtergrond, hoewel hij – in de loop van de jaren tachtig en negentig – verhalen, memoires en fragmenten uit Cartea Dicomesiei (Het boek van Dicomesia), het tweede deel van de tetralogie Het boek van de miljonair, blijft publiceren in tijdschriften. In Elegii la sfîrşit de secol (Elegieën aan het einde van de eeuw, 1997) is fictie vermengd met een autobiografisch essay, op een wijze die hij voor het eerst had toegepast in Weg door de vlakte en had voortgezet in Brieven uit de zuidoostelijke provincie.
De winter van de mannen zet op een zeer persoonlijke manier de archaïserende, mythisch-fantastische lijn van het proza van Mihail Sadoveanu, Mircea Eliade şi Vasile Voiculescu voort, waarbij hij het ruwe of schilderachtige proza van bepaalde schrijvers van de vlakte zoals Panait Istrati, Zaharia Stancu of Fǎnuş Neagu tot een hoger speculatief-cerebraal niveau tilt. De ‘geleerde’ filtering van de folkloristische tradities komt in het verlengde van de erudiete ‘archeologische’ bespiegelingen van Alexandru Odobescu, de negentiende-eeuwse meester, de ironische karaktertekening sluit aan bij de epistolaire literatuur van Costache Negruzzi en het vormelijke, afstandelijke esthetisme bij het proza van Mateiu Caragiale. Er bestaan ook andere mogelijke ingrediënten die samen deuniciteit van Bǎnulescu vormen. De kritiek heeft, terecht, gesproken over een expressionistische stilering van de folklore van de vlakte en, bij uitbreiding, van het hele imaginaire universum in De winter van de mannen. We kunnen evenzeer spreken van een ‘alchemistische’ verwerking daarvan, vertaald in een proza met een onmiskenbaar eigen stempel. Het decor is meestal dat van de meren van de Donau en van de steppe van de Bărăganvlakte – in Mistreţii erau blînzi (De everzwijnen waren mak), Dropia(De trapgans), Satul de lut (Het lemen dorp), Varǎ şi viscol (Zomer en sneeuwstorm) of Masa cu oglinzi (De tafel met spiegels) – maar Gaudeamusopent ook een venster op het oude, door de oorlog verwoeste Boekarest. De quasi-archaïsche ahistoriciteit van de Donaustreken, met de dorre, hete zomers en de barbaarse winters, de verveling van de provinciestadjes ‘waar niets gebeurt’ worden geraakt door de dreiging van de Geschiedenis (legers, vluchtelingen, enz.) en door ritselaars als Bazacopol, maar tegelijkertijd staan ze open voor het intellectuele leven van de Stad. Beelden van de hoofdstad dringen in sterke mate door viaGaudeamus (waarin een herinnering aan de oorlog en aan desertie/‘terugkeer naar huis’ van vóór de studententijd wordt opgehaald) of via de verhalen die aan de editie van 1971 waren toegevoegd: Vieţi provizorii (Voorlopige levens, met een uitstapje naar de vreemde mythologie van de vlakte, die verder wordt uitgebouwd in de roman Het boek van de miljonair) en Casa cu ecouri tîrzii (Het huis met de late echo’s), een bijzondere kort verhaal waarin de weerklanken van Mircea Eliade een borgesiaans karakter krijgen: de hoofdpersoon, die binnengaat in het oude huis, zonder klokken en kalender, van een zeer bejaard familielid – de voormalige actrice Cuna Bogomileanu – belandt in een wereld waarin hij buiten de tijd leeft, in een soort ‘toekomst van het verleden’…
Alles bij elkaar biedt De winter van de mannen een variant met couleur locale op het magisch realisme, dat in Roemenië in de jaren zestig werd ontdekt via de Zuid-Amerikaanse schrijvers: een oosterse, Balkanische en ‘zuidelijke’, intens fabelachtige vorm ervan. De meeste verhalen spelen zich in feite af in de leegte tussen twee werelden, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog en vóór de invoering van het communisme: een traumatische ervaring voor de kinderen/jongeren van toen. De oorlog voedt, met zijn beelden en de sporen die hij in het bewustzijn heeft achtergelaten, een aanzienlijk deel van het proza van de ‘zestigers’ (D.R. Popescu, Fǎnuş Neagu e.a.). Het boek, dat zelf verscheen tijdens de overgang tussen twee stadia van het systeem, op de grens tussen het stalinisme en de poststalinistische ‘dooi’, slaagt er handig in de nog moeilijk te omzeilen klippen van de ideologische concessies te vermijden. De inmenging van de ideologie is alleen – hoogstens! – voelbaar in de enkele ‘optimistische’ signalen in de richting van ‘de nieuwe wereld’ (die we met name tegenkomen in Zomer en sneeuwstorm, De tafel met spiegels en Gaudeamus, die niet toevallig later door de auteur zijn herzien).
De oorlog en de historische veranderingen brengen identiteiten uit balans, ondergraven de tradities van het dorp in de vlakte. Een dorp dat – tot op dat moment – ver is gebleven van de ontketende wereld, verankerd in een archaïsche levensritme. Ook de tijd, het tijdsbesef, wordt ondergraven, wat tot gevolg heeft dat de herinnering aan gebeurtenissen wordt gerelativeerd. Niet alleen de oude wereld van de vlakte gaat ten onder, maar ook de oude wereld van de Stad, ongeacht of het om een provinciestad gaat of om Boekarest zelf. De instabiele, gebarsten werkelijkheid zal worden overspoeld door de legendes en mystificaties, onderworpen aan een stelsel van onzekerheid, van tegenstrijdige informatie. De illusie, de mythos, de verbeelding nemen wraak. Zo komen we bij een belangrijke dimensie van Ştefan Bănulescu’s proza, dat discreet aanwezig is in De winter van de mannen (vooral in de verhalen met een ‘steedse’ inslag), uitgebreid wordt in Provinciaalse brieven (1976) en zijn hoogtepunt bereikt in Het boek van Metopolis (1977). Ik doel op zijn teloorgaand byzantinisme, fabelachtig en hermetisch. Het Ancien Régime van de Bărăganvlakte, dat wordt aangevallen door de moderne tijd, beleeft een ‘Götterdämmerung’ door de verdwijning (of het verstoppen?) van de laatste overblijfselen van Byzantium. Alles is dubbelzinnig, en de ‘zichtbare’ schijn bevat een heimelijke, ondergrondse, ondergravende dimensie: bijna niets heeft nog een stabiele fundering. Deze relativistisch-speculatieve – en vanaf een zeker punt metafictionele, niet verstoken van een stiekeme ironie – fabeldimensie maakt van Bănulescu een schrijver uit de familie van Borges en Ernst Junger. Geen van de prozaschrijvers van zijn generatie heeft bewezen minder ‘vatbaar’ te zijn voor de esthetische aandelenbeurs van het postcommunisme (en van het postmodernisme).
De verhalen in De winter van de mannen staan met elkaar in verband door middel van enkele mythische plaatselijke personages (de stinkend rijke meester van het verhaal, Andrei de Dode, de vrijbuiter met meerdere levens uit de Donaumeren, Vica, zijn vermoedelijke dochter die het hoofd van iedere man op hol brengt, Constantin de Verdwenene de Eerste, ‘de geschifte koning van de vlakte’, de laatste – een ongeletterde en verwarde jongeling, die in staat is om spontaan de meest ingewikkelde berekeningen uit te voeren…), door middel van de afstammelingen van oude families uit die streek (Lǎscǎreanu, Bogomileanu), of door middel van nieuwe figuren (de industrieel Bazacopol, de bizarre wagenmenner Polider) , en door middel van de magische, bezwerende, folkloristische rijmpjes die op rituele wijze door de boeren worden opgezegd (de zogenaamde ‘liederen van de vlakte’). Deze vormen de ‘voornaamste wordingselementen’ van Het boek van de miljonair. Bovendien zijn de Liederen van de vlakte, volgens een uitspraak van de auteur, ‘lyrische documenten van de spiritualiteit van de personages’. De wereld in het proza van Ştefan Bǎnulescu, organisch gegroeid uit de verbeelding van zijn geboortegrond, komt naar voren als een fabelachtig autonoom universum, met een eigen geografie, geschiedenis en mythologie, een ‘imaginaire provincie’ zoals Yoknapatawpha van Faulkner of de Macondo van Márquez. Maar wel een post-Byzantijnse ‘zuidoostelijke provincie’, op het kruispunt van wegen en beschavingen. In een tijdperk waarin er met schuine ogen werd gekeken naar individueel eigendom – inbegrepen in de literatuur – behoort Bǎnulescu tot de Roemeense schrijvers die, met gebruikmaking van uiteenlopende ontsnappingsstrategieën, een fictioneel en onmiskenbaar territorium voor eigen gebruik kolonialiseren en besturen. Tussen de zuiver landelijke verhalen, met een heidens substraat – zoals het apocalyptisch-diluviale De everzwijnen waren mak of het chimerische, raadselachtige De trapgans – en de verhalen waarin de stad een rol speelt, gedomineerd door de sombere presentie van de oorlog, bestaan de ‘communicerende vaten’ die De winter van de mannen verbinden met Provinciaalse brieven en met Het boek van de miljonair. Sommige daarvan worden door Elegieën aan het einde van de eeuw retrospectief belicht. De standaarddelen van het ‘epistolaire’ origineel uit 1976 zoals Inefabilul(De onfeilbare), Un viscol de altǎdatǎ (Een sneeuwstorm van weleer) of Un alt colonel Chabert (Een andere kolonel Chabert) zijn een voortzetting van Provisorische levens en Het huis met de late echo’s. Alles bij elkaar vormen de teksten van deze auteur de legpuzzel van een ‘imaginair koninkrijk’ als een fascinerend netwerk van nooit volledig verklaarde betekenissen.
Hoewel hij uitgaat van de werkelijkheid en een journalistieke, dagboek- of memoiresstijl niet schuwt, is Bǎnulescu geen realistisch schrijver, zoals hij ook niet – geheel en al – een fantastisch schrijver is. Niettemin bevatten zijn prozawerken een dosis bespiegelende, mysterieuze ‘onuitsprekelijkheid’, waarin wat gezegd wordt tot doel heeft meer reliëf te verlenen aan de dingen die ongezegd blijven: de mensen spreken in bedekte termen, ze ‘kramen dingen uit’, met veelbetekende pauzes. Zij hebben als vanzelfsprekend toegang tot de geheime dimensies van de dingen, van de kosmische natuur, tot een ‘gene zijde’ die deel uitmaakt van een oeroude ervaring. De stijl is sober, vormelijk en tot zijn essentie teruggebracht, niet zonder een zekere diffuse ‘ouderwetsheid’; de – discreet moderne – compositie, met plotselinge niveauverschuivingen, vol betekenissen die tussen de vingers door glippen. De sfeer ontstaat hier niet uit een esthetiserende, barokke rijkdom van de beschrijving maar, integendeel, uit de soberheid van de beschrijving. Een klassieke afstandelijkheid van de stem, waarin weemoed en ironie besloten liggen en –onderdrukte – emoties gezag uitoefenen over de tekst. Alles, in het proza van deze auteur, is gespiritualiseerd en dubbelzinnig, en het onverklaarbare, het raadselachtige verzekert het functioneren van de fictionele wereld zelf, waarin rituele, magisch-folkloristische praktijken co-existeren met een geleerde wijsheid, die voorzichtig ter tonele wordt gevoerd. Zo kan bijvoorbeeld de trapgans, de vogel uit het gelijknamige verhaal die op het punt staat te verdwijnen, worden gezien als een chimaera, als een zinsbegoocheling waarnaar de twee vreemdelingen over de vlakte op weg zijn en waarnaar, in het geheim, meerdere ‘families’ bij nacht op zoek zijn. Hij kan echter ook worden beschouwd als een erotische geestverschijning: de vrouw van Paminode Dǎnilǎ die door niemand gezien is en die ooit verdwenen is en naar wie een van de reizigers steeds op zoek is. In het algemeen zijn de novelles van Bǎnulescu de vertelling van een zoektocht naar een vaag, schimmig voorwerp. Tijdens het zoeken ontdekken de ‘nieuwkomers’ in de oude wereld van de vlakte gemeenschappen en lotsbestemmingen door middel van de verhalen of legendes die erover de ronde doen. De auteur wisselt, kundig, de vertelling in de derde persoon af met de eerste persoon, waarbij hij op doordachte wijze de ‘Byzantijnse’ tweeslachtigheid en het ongezegde koestert en de indruk wekt minder te weten dan zijn personages. Een geliefde techniek, waar in de periode tussen de twee wereldoorlogen Mateiu Caragiale (in Sub pecetea tainei, Onder het zegel der heimelijkheid) het patent op had, maar die later ook door vooraanstaande schrijvers van de jaren ’60-’80 (van Alice Botez en Mircea Ciobanu tot Ştefan Agopian) is aangewend, is die van de informationele leegte, van de ellips, van de historische en biografische lacune waarin verzinsel, bedrog of mythe zich een plaatsje verschaffen. Als bij de meesters van de Oriënt wordt de illusie sterker dan de werkelijkheid. In feite verkeert de vlakte – door de zon verdord, verlaten, eindeloos, droog – in het teken van de zinsbegoocheling. Een metafoor voor dit gegeven biedt de lange, gefragmenteerde vertelling De tafel met spiegels, die het in perspectief plaatst: het verhaal draait om een naamloze, gogoliaanse loser (Ion Popescu), die in het park van een stad in de vlakte‚ ‘die niet te zien is’, een tafel met spiegels neerzet die zo zijn geplaatst dat ze de waarnemingen van de voorbijgangers veranderen. De vertellers zijn vaak personages met artistieke talenten, maar ook met door de droogte vervormde waarnemingen, dwalend over de verlaten vlakte waarheen de Russische legers oprukken… In Het lemen dorp zoekt een reiziger in een verwoeste wereld naar de sporen van een postbesteller die samen met een heel regiment aan het front is verdwenen. Omdat ze meent dat hij gesneuveld is, hertrouwt de vrouw van de postbode met een oude invalide (‘de broer van de onderwijzer’) uit het dorp F. en wordt tijdens een bombardement gedood. Op hetzelfde moment zal ook de gids van de verteller om het leven komen: een liedcomponist en ex-priester die voornemens was een symfonie genaamd Het lemen dorp te schrijven… De ironie van het lot maakt dat, jaren later, de verteller in een krant de foto van de verdwenen man tegenkomt, die het er, verrassend genoeg, levend bleek te hebben afgebracht… In Voorlopige levens (het beste verhaal van het boek, samen met De everzwijnen waren mak) worden de verhoudingen tussen mythe, geschiedenis, biografie en impersonatie gecompliceerd op de leest van een retro-achtig proza dat wordt bevolkt door vreemde, subliem-belachelijke personages met een levensloop die is gebroken of uitgewist door het intermezzo van de jaren vijftig.
De everzwijnen waren mak, de emblematische novelle waarmee De winter van de mannen overtuigend opent, kan worden gelezen als een apocalyptisch beeld van de vernietigingendezondvloed, maar ook als een optimistische metafoor van de bevrijding, van de dooi. Zowel qua narratieve formule als qua plaatsbepaling heeft deze vertelling iets excentrieks in vergelijking met de overige verhalen van het boek. Wij bevinden ons in de laatste winter van de Tweede Wereldoorlog (ergens wordt tussen neus en lippen door gezegd ‘Rommel is nog in Afrika’). Het kader is niet langer de Bărăganvlakte, ook niet de meren van de rivieren de Borcea en de Ialomiţa, maar een visserdorp in de Donaudelta – en dus een buitenpost van Bǎnulescu’s ‘provincie.’ De novelle heeft – in tegenstelling tot de andere – een traditionele epische lijn, die vloeiend en dynamisch is: uitgeweken voor het water dat alles dreigt te overstromen vaart een gezin van Lipoveense vissers – Condrat en Fenia – door de Delta op zoek naar stevige grond, in de vorm van een zandduin, waar zij hun kind kunnen begraven. Maar het zand kan het hoge water niet weerstaan en ‘wat Condrat graaft, stort achter hem weer in’. De onfortuinlijke visser wordt vergezeld – bij wijze van priester – door een diaken genaamd Ichim, die zichzelf presenteert als ‘een verheven geest’, ‘onbegrepen’, verzeild geraakt tussen dorpelingen als Ovidius in Tomis… In het tafereel verschijnt ook de losbandige Vica, de verleidster van alle mannen in de streek: de stof van legendes (waarvan sommige met een betoverend Balkanisch aroma…). Omdat ze was verjaagd als een wild dier en graag weer ‘onder de mensen wil komen’, trotseert ze Fenia’s jaloezie door hen een handje te helpen. Bedreigd door de ijsschotsen in de Donau – die zijn losgeslagen door de plotselinge opwarming van het weer – zoeken Condrat, Fenia, de diaken, Vica en de twee muzikanten die hen vergezellen (uitverkoren om bij het graf feestliederen ten gehore te brengen!) hun toevlucht in de dorpsschool, waar het kind zal worden begraven met een leesboek en schriften op de borst. Dat is het moment waarop tussen de ijsschotsen een kudde ‘makke’ everzwijnen zijn opwachting maakt, met aan het hoofd een ‘keizer’ genaamd Vasile. En hun verschijning brengt een collectieve schaterlach teweeg – gezond, optimistisch, bevrijdend… – onder de mannen van het dorp. Hun conjuncturele solidariteit contrasteert met het ‘egoïsme’ van Fenia, die wantrouwig is ten aanzien van de ‘ketterse’, elementair-vitale Vica. Zo eindigt het verhaal als een triomf van een elementair collectief gevoel. Maar het boek wordt afgesloten in een raadselachtige trant, in eenzaamheid en ondergang. Tussen deze twee polen beweegt zich het uitzonderlijke proza van Ştefan Bǎnulescu.
 
 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Stelian Tănase
Translated by: Jean Harris

From Maestro: A Melodrama. Episode 7

Emiluţa has an unfortunate thought. She’ll throw herself off the top of the building. Why? What the fuck? Let’s say for the cause of PeaceonEarth, for the slumdogs, Europe, for the lonely. Which is to say she doesn’t have a ghost of a reason. Viva Walachia! The way things stand, if ...

Translator’s Note
Translator’s Note: a synopsis
Author: Ştefan Agopian
Translated by: Ileana Orlich

How I Learned to Read (from Tache de Catifea / The Velvet Man)

The bearded man was the owner of an apothecary shop where he worked with two apprentices. Nobody paid me any mind, so I spent all day in what was supposed to be the shop. I say this because it was a large, dark room full of odors—a mix of smells from everywhere. The room hadn’t been cleaned ...

Translator’s Note
Re: Learning to Read, from Tache de catifea / The Velvet Man
Author: Gabriela Adameşteanu
Translated by: Patrick Camiller

Wasted Morning - Napoleon in Bucharest

“What you’ve got here is heaven on earth,” Vica says as she drops onto the kitchen chair. “But where’s your mother?” “At work,” Gelu lazily replies, leaning sideways against the door. “She’s doing mornings this week, didn’t you know?” He is tall and thin, with unset ...

Author: Petre Ispirescu
Translated by: Jean Harris

Youth Without Age and Life Without Death

It happened once as never before-y, ‘cause if it couldn’t be true, it wouldn’t make a story about the time when the poplar tree made berries and the willow tree broke out in cherries, when bears began to brawl with their tails, and wolf and lamb, unfurling their sails, threw arms around each ...

Translator’s Note
On Petre Ispirescu
Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx