Met
zijn geconcentreerde en raadselachtige oeuvre, onuitputtelijk in zijn
fabelachtige structuur, is Ştefan Bănulescu een van belangrijkste
en meest waardevolle prozaschrijvers van het naoorlogse Roemenië.
Hij werd geboren als de achtste zoon in een boerenfamilie uit het in
de Donauvlakte gelegen dorp Fǎcǎieni, district Ialomiţa. Niet
weinig bronnen geven zijn geboortedatum als 1929, hoewel de auteur
zelf een zeker mysterie rondom die datum in stand hield. Na
eindexamen te hebben gedaan aan het lyceum van Cǎlǎraşi (afdeling
Roemeens-Latijn) loopt de toekomstige schrijver in de jaren veertig
college aan de Rechtenfaculteit en vervolgens aan de
Letterenfaculteit, midden in de periode dat het sovjetcommunisme in
Roemenië werd ingevoerd. Hij debuteert in de pers in Viaţa
româneascǎ (Het Roemeense
leven, 1949) met een essay over Gogol, terwijl zijn – niet erg
opmerkelijke – debuut in boekvorm uit 1960 stamt: een verzameling
reportages-essays bijeengebracht onder de titel
Drum în cîmpie (Weg door
de vlakte). Sommige van zijn essays over de geboorteplaatsen van
grote schrijvers Realitatea
în cǎutarea ficţiunii (De
werkelijkheid op zoek naar de fictie, over Liviu Rebreanu) en Haimanale-Ploieşti-Mizil-Bucureşti
(Haimanale-Ploieşti-Mizil-Boekarest, over I.L. Caragiale),
gepubliceerd in de pers van die tijd, zullen later deel uitmaken van Scrisori provinciale
(Provinciale brieven, 1976, waarvan de ongecensureerde titel luidt Scrisori din provincia de
Sud-Est, Brieven uit de
zuidoostelijke provincie). Een
reeks gedichten in folkloristische stijl die in diezelfde
tijdschriften verscheen, vormt in 1968 de verzameling genaamd Cîntece
de cîmpie (Liederen van de
vlakte) en zal vanaf 1971 als Addenda worden toegevoegd aan de bundel
korte verhalen. Als Bănulescu’s echte debuut in boekvorm wordt
niettemin de bundel met korte verhalen Iarna
bǎrbaţilor (De winter van
de mannen, 1965) beschouwd. Het boek, dat later werd vertaald in de
belangrijkste Europese talen: Duits, Frans, Engels, Spaans, Russisch,
Servisch, Pools, Tsjechisch, Hongaarse, omvat teksten die in de jaren
1963-1964 zijn verschenen in de tijdschriften Gazeta
literarǎ (Literair gazet)
en Luceafǎrul (De
Avondster) en zal enkele aanpassingen van de hand van de auteur
ondergaan tot de definitieve editie van 1979. De schrijver zal voor
dit boek de Prozaprijs van de Schrijversbond ontvangen, waarna hij al
gauw wordt gezien als een van de meest vooraanstaande prozaschrijvers
van de poststalinistische ‘dooi’. Hij ontvangt beurzen voor
buitenlandse universiteiten (Urbino, Iowa, later Berlijn), wordt
vice-voorzitter van de Schrijversbond en, voor korte tijd,
hoofdredacteur van De
avondster (1968-1971) in de
literair gezien meest reformistische periode van dat tijdschrift en
tevens de meest ontspannen periode van het communistische regime in
Roemenië. Na Cartea de la
Metopolis (Het boek van
Metopolis), het eerste en enige
gepubliceerde deel van een geplande tetralogie, Cartea
Milionarului (Het boek van
de miljonair), raakt Bănulescu, zwaar getroffen – net als Borges!
– door een oogkwaal als auteur op de achtergrond, hoewel hij – in
de loop van de jaren tachtig en negentig – verhalen, memoires en
fragmenten uit Cartea
Dicomesiei (Het boek van
Dicomesia), het tweede deel van
de tetralogie Het boek van
de miljonair, blijft
publiceren in tijdschriften. In Elegii
la sfîrşit de secol
(Elegieën aan het einde van de eeuw, 1997) is fictie vermengd met
een autobiografisch essay, op een wijze die hij voor het eerst had
toegepast in Weg door de
vlakte en had voortgezet in Brieven uit de
zuidoostelijke provincie.
De
winter van de mannen zet
op een zeer persoonlijke manier de archaïserende,
mythisch-fantastische lijn van het proza van Mihail
Sadoveanu, Mircea Eliade şi Vasile Voiculescu
voort, waarbij hij het ruwe of
schilderachtige proza van bepaalde schrijvers van de vlakte zoals
Panait Istrati, Zaharia Stancu of Fǎnuş Neagu tot een hoger
speculatief-cerebraal niveau tilt. De ‘geleerde’ filtering van de
folkloristische tradities komt in het verlengde van de erudiete
‘archeologische’ bespiegelingen van Alexandru Odobescu, de
negentiende-eeuwse meester, de ironische karaktertekening sluit aan
bij de epistolaire literatuur van Costache Negruzzi en het
vormelijke, afstandelijke esthetisme bij het proza van Mateiu
Caragiale. Er bestaan ook andere mogelijke ingrediënten die samen deuniciteit van
Bǎnulescu vormen. De kritiek heeft, terecht, gesproken over een
expressionistische stilering van de folklore van de vlakte en, bij
uitbreiding, van het hele imaginaire universum in De
winter van de mannen. We
kunnen evenzeer spreken van een ‘alchemistische’ verwerking
daarvan, vertaald in een proza met een onmiskenbaar eigen stempel.
Het decor is meestal dat van de meren van de Donau en van de steppe
van de Bărăganvlakte – in Mistreţii erau blînzi (De
everzwijnen waren mak), Dropia(De trapgans), Satul de lut (Het
lemen dorp), Varǎ
şi viscol (Zomer en
sneeuwstorm) of Masa cu
oglinzi (De tafel met
spiegels) – maar Gaudeamusopent ook een venster op
het oude, door de oorlog verwoeste Boekarest. De quasi-archaïsche
ahistoriciteit van de Donaustreken, met de dorre, hete zomers en de
barbaarse winters, de verveling van de provinciestadjes ‘waar niets
gebeurt’ worden geraakt door de dreiging van de Geschiedenis
(legers, vluchtelingen, enz.) en door ritselaars als Bazacopol, maar
tegelijkertijd staan ze open voor het intellectuele leven van de
Stad. Beelden van de hoofdstad dringen in sterke mate door viaGaudeamus
(waarin een herinnering aan de oorlog en aan desertie/‘terugkeer
naar huis’ van vóór de studententijd wordt opgehaald) of via de
verhalen die aan de editie van 1971 waren toegevoegd: Vieţi
provizorii (Voorlopige
levens, met een uitstapje naar de vreemde mythologie van de vlakte,
die verder wordt uitgebouwd in de roman Het
boek van de miljonair) en Casa cu ecouri tîrzii (Het
huis met de late echo’s), een
bijzondere kort verhaal waarin de weerklanken van Mircea Eliade een
borgesiaans karakter krijgen: de hoofdpersoon, die binnengaat in het
oude huis, zonder klokken en kalender, van een zeer bejaard
familielid – de voormalige actrice Cuna Bogomileanu – belandt in
een wereld waarin hij buiten de tijd leeft, in een soort ‘toekomst
van het verleden’…
Alles
bij elkaar biedt De winter
van de mannen een variant
met couleur locale op het magisch realisme, dat in Roemenië in de
jaren zestig werd ontdekt via de Zuid-Amerikaanse schrijvers: een
oosterse, Balkanische en ‘zuidelijke’, intens fabelachtige vorm
ervan. De meeste verhalen spelen zich in feite af in de leegte tussen
twee werelden, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog en vóór de
invoering van het communisme: een traumatische ervaring voor de
kinderen/jongeren van toen. De oorlog voedt, met zijn beelden en de
sporen die hij in het bewustzijn heeft achtergelaten, een aanzienlijk
deel van het proza van de ‘zestigers’ (D.R.
Popescu, Fǎnuş Neagu e.a.). Het boek, dat zelf verscheen tijdens de
overgang tussen twee stadia van het systeem, op de grens tussen het
stalinisme en de poststalinistische ‘dooi’, slaagt er handig in
de nog moeilijk te omzeilen klippen van de ideologische concessies te
vermijden. De inmenging van de ideologie is alleen – hoogstens! –
voelbaar in de enkele ‘optimistische’ signalen in de richting van
‘de nieuwe wereld’ (die we met name tegenkomen in Zomer
en sneeuwstorm, De
tafel met spiegels en Gaudeamus,
die niet toevallig later door de auteur zijn herzien).
De
oorlog en de historische veranderingen brengen identiteiten uit
balans, ondergraven de tradities van het dorp in de vlakte. Een dorp
dat – tot op dat moment – ver is gebleven van de ontketende
wereld, verankerd in een archaïsche levensritme. Ook de tijd, het
tijdsbesef, wordt ondergraven, wat tot gevolg heeft dat de
herinnering aan gebeurtenissen wordt gerelativeerd. Niet alleen de
oude wereld van de vlakte gaat ten onder, maar ook de oude wereld van
de Stad, ongeacht of het om een provinciestad gaat of om Boekarest
zelf. De instabiele, gebarsten werkelijkheid zal worden overspoeld
door de legendes en mystificaties, onderworpen aan een stelsel van
onzekerheid, van tegenstrijdige informatie. De illusie, de mythos, de
verbeelding nemen wraak. Zo komen we bij een belangrijke dimensie van
Ştefan Bănulescu’s proza, dat discreet aanwezig is in De
winter van de mannen
(vooral in de verhalen met een ‘steedse’ inslag), uitgebreid
wordt in Provinciaalse
brieven (1976) en zijn
hoogtepunt bereikt in Het
boek van Metopolis (1977).
Ik doel op zijn teloorgaand
byzantinisme, fabelachtig
en hermetisch. Het Ancien
Régime van de
Bărăganvlakte, dat wordt aangevallen door de moderne tijd, beleeft
een ‘Götterdämmerung’ door de verdwijning (of het verstoppen?)
van de laatste overblijfselen van Byzantium. Alles is dubbelzinnig,
en de ‘zichtbare’ schijn bevat een heimelijke, ondergrondse,
ondergravende dimensie: bijna niets heeft nog een stabiele fundering.
Deze relativistisch-speculatieve – en vanaf een zeker punt
metafictionele, niet verstoken van een stiekeme ironie –
fabeldimensie maakt van Bănulescu een schrijver uit de familie van
Borges en Ernst Junger. Geen van de prozaschrijvers van zijn
generatie heeft bewezen minder ‘vatbaar’ te zijn voor de
esthetische aandelenbeurs van het postcommunisme (en van het
postmodernisme).
De
verhalen in De winter van de
mannen staan met elkaar in
verband door middel van enkele mythische plaatselijke personages (de
stinkend rijke meester van het verhaal, Andrei de Dode, de vrijbuiter
met meerdere levens uit de Donaumeren, Vica, zijn vermoedelijke
dochter die het hoofd van iedere man op hol brengt, Constantin de
Verdwenene de Eerste, ‘de geschifte koning van de vlakte’, de
laatste – een ongeletterde en verwarde jongeling, die in staat is
om spontaan de meest ingewikkelde berekeningen uit te voeren…),
door middel van de afstammelingen van oude families uit die streek
(Lǎscǎreanu, Bogomileanu), of
door middel van nieuwe figuren (de industrieel Bazacopol, de bizarre
wagenmenner Polider) , en door middel van de magische, bezwerende,
folkloristische rijmpjes die op rituele wijze door de boeren worden
opgezegd (de zogenaamde ‘liederen van de vlakte’). Deze vormen de
‘voornaamste wordingselementen’ van Het
boek van de miljonair.
Bovendien zijn de Liederen
van de vlakte, volgens een
uitspraak van
de auteur, ‘lyrische documenten van de spiritualiteit van de
personages’. De wereld in het proza van Ştefan
Bǎnulescu, organisch gegroeid uit de verbeelding van zijn
geboortegrond, komt naar voren als een fabelachtig autonoom
universum, met een eigen geografie, geschiedenis en mythologie, een
‘imaginaire provincie’ zoals Yoknapatawpha van Faulkner of de
Macondo van Márquez. Maar wel een post-Byzantijnse ‘zuidoostelijke
provincie’, op het kruispunt van wegen en beschavingen. In een
tijdperk waarin er met schuine ogen werd gekeken naar individueel
eigendom – inbegrepen in de literatuur – behoort Bǎnulescu tot
de Roemeense schrijvers die, met gebruikmaking van uiteenlopende
ontsnappingsstrategieën, een fictioneel en onmiskenbaar territorium
voor eigen gebruik kolonialiseren en besturen. Tussen de zuiver
landelijke verhalen, met een heidens substraat – zoals het
apocalyptisch-diluviale De
everzwijnen waren mak of
het chimerische, raadselachtige De
trapgans – en de verhalen
waarin de stad een rol speelt, gedomineerd door de sombere presentie
van de oorlog, bestaan de ‘communicerende vaten’ die De
winter van de mannen
verbinden met Provinciaalse
brieven en met Het
boek van de miljonair.
Sommige daarvan worden door Elegieën
aan het einde van de eeuw
retrospectief belicht. De standaarddelen van het ‘epistolaire’
origineel uit 1976 zoals Inefabilul(De onfeilbare), Un
viscol de altǎdatǎ (Een
sneeuwstorm van weleer) of Un
alt colonel Chabert (Een
andere kolonel Chabert) zijn een voortzetting van Provisorische
levens en
Het huis met de late echo’s.
Alles bij elkaar vormen de teksten van deze auteur de legpuzzel van
een ‘imaginair koninkrijk’ als een fascinerend netwerk van nooit
volledig verklaarde betekenissen.
Hoewel
hij uitgaat van de werkelijkheid en een journalistieke, dagboek- of
memoiresstijl niet schuwt, is Bǎnulescu geen realistisch schrijver,
zoals hij ook niet – geheel en al – een fantastisch schrijver is.
Niettemin bevatten zijn prozawerken een dosis bespiegelende,
mysterieuze ‘onuitsprekelijkheid’, waarin wat gezegd wordt tot
doel heeft meer reliëf te verlenen aan de dingen die ongezegd
blijven: de mensen spreken in bedekte termen, ze ‘kramen dingen
uit’, met veelbetekende pauzes. Zij hebben als vanzelfsprekend
toegang tot de geheime dimensies van de dingen, van de kosmische
natuur, tot een ‘gene zijde’ die deel uitmaakt van een oeroude
ervaring. De stijl is sober, vormelijk en tot zijn essentie
teruggebracht, niet zonder een zekere diffuse ‘ouderwetsheid’; de
– discreet moderne – compositie, met plotselinge
niveauverschuivingen, vol betekenissen die tussen de vingers door
glippen. De sfeer ontstaat hier niet uit een esthetiserende, barokke
rijkdom van de beschrijving maar, integendeel, uit de soberheid van
de beschrijving. Een klassieke afstandelijkheid van de stem, waarin
weemoed en ironie besloten liggen en –onderdrukte – emoties gezag
uitoefenen over de tekst. Alles, in het proza van deze auteur, is
gespiritualiseerd en dubbelzinnig, en het onverklaarbare, het
raadselachtige verzekert het functioneren van de fictionele wereld
zelf, waarin rituele, magisch-folkloristische praktijken co-existeren
met een geleerde wijsheid, die voorzichtig ter tonele wordt gevoerd.
Zo kan bijvoorbeeld de trapgans, de vogel uit het gelijknamige
verhaal die op het punt staat te verdwijnen, worden gezien als een
chimaera, als een zinsbegoocheling waarnaar de twee vreemdelingen
over de vlakte op weg zijn en waarnaar, in het geheim, meerdere
‘families’ bij nacht op zoek zijn. Hij kan echter ook worden
beschouwd als een erotische geestverschijning: de vrouw van Paminode
Dǎnilǎ die door niemand gezien is en die ooit verdwenen is en naar
wie een van de reizigers steeds op zoek is. In het algemeen zijn de
novelles van Bǎnulescu de vertelling van een zoektocht naar een
vaag, schimmig voorwerp. Tijdens het zoeken ontdekken de
‘nieuwkomers’ in de oude wereld van de vlakte gemeenschappen en
lotsbestemmingen door middel van de verhalen of legendes die erover
de ronde doen. De auteur wisselt, kundig, de vertelling in de derde
persoon af met de eerste persoon, waarbij hij op doordachte wijze de
‘Byzantijnse’ tweeslachtigheid en het ongezegde koestert en de
indruk wekt minder te weten dan zijn personages. Een geliefde
techniek, waar in de periode tussen de twee wereldoorlogen Mateiu
Caragiale (in Sub pecetea
tainei, Onder het zegel der
heimelijkheid) het patent op
had, maar die later ook door vooraanstaande schrijvers van de jaren
’60-’80 (van Alice Botez en Mircea Ciobanu tot Ştefan Agopian)
is aangewend, is die van de informationele leegte, van de ellips, van
de historische en biografische lacune waarin verzinsel, bedrog of
mythe zich een plaatsje verschaffen. Als bij de meesters van de
Oriënt wordt de illusie sterker dan de werkelijkheid. In feite
verkeert de vlakte – door de zon verdord, verlaten, eindeloos,
droog – in het teken van de zinsbegoocheling. Een metafoor voor dit
gegeven biedt de lange, gefragmenteerde vertelling De
tafel met spiegels, die het
in perspectief plaatst: het verhaal draait om een naamloze,
gogoliaanse loser (Ion Popescu), die in het park van een stad in de
vlakte‚ ‘die niet te zien is’, een tafel met spiegels neerzet
die zo zijn geplaatst dat ze de waarnemingen van de voorbijgangers
veranderen. De vertellers zijn vaak personages met artistieke
talenten, maar ook met door de droogte vervormde waarnemingen,
dwalend over de verlaten vlakte waarheen de Russische legers
oprukken… In Het lemen
dorp zoekt een reiziger in
een verwoeste wereld naar de sporen van een postbesteller die samen
met een heel regiment aan het front is verdwenen. Omdat ze meent dat
hij gesneuveld is, hertrouwt de
vrouw van de postbode met een oude invalide (‘de broer van de
onderwijzer’) uit het dorp F. en wordt tijdens een bombardement
gedood. Op hetzelfde moment zal ook de gids van de verteller om het
leven komen: een liedcomponist en ex-priester die voornemens was een
symfonie genaamd Het lemen
dorp te schrijven…
De ironie van het lot maakt dat, jaren later, de verteller in een
krant de foto van de verdwenen man tegenkomt, die het er, verrassend
genoeg, levend bleek te hebben afgebracht… In Voorlopige
levens (het beste verhaal
van het boek, samen met De
everzwijnen waren mak)
worden de verhoudingen tussen mythe, geschiedenis, biografie en
impersonatie gecompliceerd op de leest van een retro-achtig proza dat
wordt bevolkt door vreemde, subliem-belachelijke personages met een
levensloop die is gebroken of uitgewist door het intermezzo van de
jaren vijftig.
De
everzwijnen waren mak, de
emblematische novelle waarmee De
winter van de mannen
overtuigend opent, kan worden
gelezen als een apocalyptisch beeld van de vernietigingendezondvloed,
maar ook als een optimistische metafoor van de bevrijding,
van de dooi.
Zowel qua narratieve formule als qua plaatsbepaling heeft deze
vertelling iets excentrieks in vergelijking met de overige verhalen
van het boek. Wij bevinden ons in de laatste winter van de Tweede
Wereldoorlog (ergens wordt tussen neus en lippen door gezegd ‘Rommel
is nog in Afrika’). Het kader is niet langer de Bărăganvlakte,
ook niet de meren van de rivieren de Borcea en de Ialomiţa, maar een
visserdorp in de Donaudelta – en dus een buitenpost van Bǎnulescu’s
‘provincie.’ De novelle heeft – in tegenstelling tot de andere
– een traditionele epische lijn, die vloeiend en dynamisch is:
uitgeweken voor het water dat alles dreigt te overstromen vaart een
gezin van Lipoveense vissers – Condrat en Fenia – door de Delta
op zoek naar stevige grond, in de vorm van een zandduin, waar zij hun
kind kunnen begraven. Maar het zand kan het hoge water niet weerstaan
en ‘wat Condrat graaft, stort achter hem weer in’. De
onfortuinlijke visser wordt vergezeld – bij wijze van priester –
door een diaken genaamd Ichim, die zichzelf presenteert als ‘een
verheven geest’, ‘onbegrepen’, verzeild geraakt tussen
dorpelingen als Ovidius in Tomis… In het tafereel verschijnt ook de
losbandige Vica, de verleidster van alle mannen in de streek: de stof
van legendes (waarvan sommige met een betoverend Balkanisch aroma…).
Omdat ze was verjaagd als een wild dier en graag weer ‘onder de
mensen wil komen’, trotseert ze Fenia’s jaloezie door hen een
handje te helpen. Bedreigd door de ijsschotsen in de Donau – die
zijn losgeslagen door de plotselinge opwarming van het weer –
zoeken Condrat, Fenia, de diaken, Vica en de twee muzikanten die hen
vergezellen (uitverkoren om bij het graf feestliederen ten gehore te
brengen!) hun toevlucht in de dorpsschool, waar het kind zal worden
begraven met een leesboek en schriften op de borst. Dat is het moment
waarop tussen de ijsschotsen een kudde ‘makke’ everzwijnen zijn
opwachting maakt, met aan het hoofd een ‘keizer’ genaamd Vasile.
En hun verschijning brengt een collectieve schaterlach teweeg –
gezond, optimistisch, bevrijdend… – onder de mannen van het dorp.
Hun conjuncturele solidariteit contrasteert met het ‘egoïsme’
van Fenia, die wantrouwig is ten aanzien van de ‘ketterse’,
elementair-vitale Vica. Zo eindigt het verhaal als een triomf van een
elementair collectief gevoel. Maar het boek wordt afgesloten in een
raadselachtige trant, in eenzaamheid en ondergang. Tussen deze twee
polen beweegt zich het uitzonderlijke proza van Ştefan Bǎnulescu.