Gecontroleerd echo-effect

Mircea Nedelciu | November 01, 2008
Translated by: Jan Willem Bos

 

Gecontroleerd echo-effect

Een dik glas, tot aan de afgeschilferde rand gevuld met witte wijn in de kleur van slaolie, het felle licht van de bureaulamp, een stapel blanco papier, het geluid van kranen dat via de buizen in het hele flatgebouw wordt doorgegeven, een deur die op een kier staat, de gang, een andere halfopen deur is te zien door de eerste heen, in de woonkamer bespreekt Cornelia iets met een collegaatje. Soms neemt een deel van haar knie, neus en voorhoofd het hoge en smalle kader van de halfopen deur in beslag, soms een deel van haar onderarm. Van hun stemmen kan af en toe een wat schrillere klinker of zelfs een heel woord worden opgevangen, onverstaanbaar, zonder context. De wereld dus, maar dan de wereld gezien door een dergelijke kier, uiteengevallen in niet-functionele, niet-anatomische delen. Een van de deuren wordt plotseling gesloten. Ze zijn nu ongetwijfeld overgegaan tot wat steviger roddels, waar ze liever niet te veel getuigen bij hebben. Een blik die lang op de deur blijft rusten.

‘Nu ben je een muis, meneertje,’ zegt de Schilder, ‘een muis met een grijze vacht en angstige ogen. Je gaat aan je bureau zitten, tegenover een stapel papier, maar je komt er niet eens aan toe eraan te knagen, door het te lezen of het weg te werken, je zoekt eigenlijk gewoon een holletje waarin je zo snel mogelijk kunt wegkruipen. Heb je zin in koffie? Kom op, we gaan koffie zetten! Of ben je bang dat koffie slecht is voor je bloedvaten? Als je dat ook maar één keer tegen mij zegt, gooi ik je eruit, als je dat maar weet. Wil je weten wat je te wachten staan? Ik maak een pakketje van je en kegel je het raam uit. En dan ben ik nog genadig omdat we op de begane grond zitten. En ik ben genadig omdat ik weet dat je eerst een straathond bent geweest en dat je een muis bent geworden omdat de hondenvangers je niet te pakken hebben gekregen. Ze zijn je gewoon vergeten, man! En dan denk jij je hebt weten te ontkomen, heb je genoeg aan één schepje suiker?’

            Je kon nauwelijks een glimlach onderdrukken terwijl je naar hem luisterde, en zoals gewoonlijk bekeek je ook van dichtbij een van zijn nieuwe werken, een doek op groot formaat waar hij net aan was begonnen. Je wist dat hij zich daaraan ergerde. Tegen zijn zin openbaarde het geheim van bepaalde kleureffecten zich aan je, en als je later, wanneer het schilderij af was, tegen hem zei: ‘Ik weet hoe je dat gedaan hebt, je hebt zo’n penseelstreek gemaakt en daarna zo een!’, dan sprong hij uit zijn vel, maakte je voor spion uit, voelde zich geschoffeerd. Soms echter, hoewel je een schilderij in verschillende stadia had bestudeerd, lukte het je niet er in een vinger achter te krijgen en dan was hij dolgelukkig, het leek wel of dat hem eigenlijk meer vreugde bezorgde dan wanneer hij een zeer succesvolle tentoonstelling had.

            Om vijf voor halfvier gaat de deur van het kantoor open en een puntneus, die een flink stuk naar voren steekt, een neus waar iedereen op het kantoor mee vertrouwd is, verschijnt in de opening ervan, ‘wat zou hij willen, het is bijna halfvier, we moeten naar huis’. De blik, die wordt belemmerd door de niet helemaal gesloten deur, blijft niet steken bij de al opgeruimde papieren, hoewel het niet echt de blik van een chef is, hij zoekt iets, en wanneer hij dat vindt doet een glimlach zijn gezicht opklaren: ‘Kameraad Griguţă, niet weggaan, man, ik wil je iets vertellen, ja?’

            ‘Ja, kameraad…’

            Maar de deur wordt weer gesloten. Dat is het tijdstip waarop hij wakker wordt om je iets te vertellen, alsof hij tot op dat moment geen tijd heeft gehad! De anderen beginnen zich aan te kleden, de vrouwen controleren hun gezichtjes in spiegeltjes die ze speciaal voor dat doel in hun lade bewaren. Het is halfvier. Ze groeten je om de beurt, min of meer besmuikt.

            Out of graces, back in graces!’ zegt de laatste, terwijl hij voor de grap een diepe buiging met zijn pet maakt.

            Je proeft de wijn en trekt een gezicht. Je bent geen groot kenner, maar omdat je niet echt gewend bent aan deze veelgeprezen drank (sommige mensen beweren zelfs dat deze kan worden geanalyseerd als een kunstwerk door er eenvoudigweg sommige principes van de ethiek op toe te passen), komt het eerste contact meestal als onaangenaam op je over. Je legt de spullen op je bureau op hun plaats, verzet de bureaulamp in een poging er een ideale positie voor te vinden en opnieuw stolt je blik op de gelige wijn en op het niet al te elegante glas dat eromheen zit.

 

Het was een donkerrode wijn, bijna zwart, door de restaurantmanager uit zijn vergeten persoonlijke voorraad gehaald, en Fatache, die het gebaar op prijs had gesteld, had gelijk een hele preek afgestoken om uit leggen waar bij een dergelijke wijn de echte kwaliteit uit bestaat, en intussen proefde hij de wijn en spreidde zijn vakkennis als wijnbouwer tentoon, waar de manager (die nog naast hun tafeltje stond, lichtjes voorovergebogen) vol bewondering zijn verbazing over uitsprak, zelfs als hij hier en daar de plank missloeg. Jij was hoe dan ook verbaasd over het feit dat ‘kameraad Fatache’ je bij hem aan tafel had uitgenodigd en je probeerde af en toe ook iets aan het gesprek bij te dragen – uiteraard door hem gelijk te geven. Triescu was het ook de hele tijd met Fatache eens, deed of hij totaal geen verstand had van wijnen en stelde vragen die een volkomen open deur waren. Na een minuut of tien had de manager zich beleefd verontschuldigd, omdat hij het volgens eigen zeggen erg druk had (inderdaad had hij daarna nog een halfuur door de zaal heen en weer gelopen om een oogje op de kelners te houden, naar wie hij discrete gebaren maakte of die hij woeste blikken toewierp) en was vertrokken, waarna Fatache nog een tijdje had doorgedramd over het onderwerp wijn (Triescu en jij waren nog steeds één en al oor, met bevestigende gebaren en uitroepen van ‘ongelooflijk!’), vervolgens was hij overgegaan op zijn buitenlandse reizen, vrouwen, Joden en de cancan. Af en toe werd er van jullie verlangd dat je een mop vertelde en dat jullie blij waren, in bescheiden mate uiteraard, wanneer Fatache schaterlachte, nog voordat je de clou had verteld.

 

Dat alles zou nu op papier moeten worden gezet en je hebt al het gevoel dat de lamp niet efficiënt staat, je hebt onverklaarbaar jeuk, je ergert je aan de deur die ze samenzweerderig hebben dichtgedaan, en de wijn heeft een onmogelijke smaak.

            ‘Wanneer je een paar dagen vrij hebt, niet vakantie, maar gewoon snipperdagen, ga je dan met me mee naar de Westelijke Karpaten? Of mag dat niet van je vrouw?’

            ‘Op dit moment kan ik niet weg, maar ik zal het binnenkort doen.’

            ‘Ik zal je foto’s van die streek laten zien, heb ik je al verteld dat ik een blokhut heb gekocht? Voor drieduizend lei, hij staat buiten het dorp en de eigenaars zijn verhuisd, ze hebben er niets meer aan, ze waren al blij dat ze een gek hadden gevonden die ze er drieduizend voor wilde geven!’

            Je ziet hem orde scheppen op het vieze houten tafeltje, waarop hij de twee kopjes neerzet, de asbak, de sigaretten, hij doet een lamp uit en steekt een andere aan, ‘hij is een maniak!’ zeg je bij jezelf en je probeert je hem daar voor de geest te halen, in zijn blokhut, met een lemen vloer, je ziet hoe hij ongeduldig de haard aanmaakt, je bewondert hem in feite voor dit permanente ritualistische contact met de materie, je bemerkt op zijn gezicht onafgebroken een vreugde waar jij geen toegang toe hebt.

            ‘Ik heb ze laten ontwikkelen, morgen is de film klaar en dan ga ik ermee aan de slag, ik heb puik papier gevonden, van Hongaarse makelij, dat heeft een voortreffelijk contrast. Of laat ik je maar beter vertellen wat ik gisteren gegeten heb, wil je weten wat ik gisteren gegeten heb?’

            ‘Nee!’

            ‘Kom op, afgetakelde muis, kom, laat me je dat vertellen, het was een waar banket!’

            Het viel je steeds moeilijker om hem te onderbreken, hem een vraag te stellen, hem dus te laten praten over de dingen die jou dwarszitten.

            De deur van het kantoor was tenslotte opnieuw opengegaan (je was alleen, je had een sigaret opgestoken en het was al tien over halfvier) en had eerst ruimte geboden aan die bespottelijke neus (des te bespottelijker omdat hij op het gezicht van een chef zat), en vervolgens aan Bencu en diens goocheme glimlach, die ieder moment kon veranderen in een masker van onverzettelijkheid.

            ‘Kameraad Griguţă,’ zei hij terwijl hij plaatsnam en naar jou gebaarde dat je weer kon gaan zitten (op je werk ben je Griguţă of kameraad Griguţă; voor de meisjes, toen je nog ongetrouwd was, Grig; in je identiteitsbewijs Gregor Vranca; op de universiteit was je ‘Volens nolens, agheasmus Gregorius bebit’, en thuis noemt Cornelia je ook Grig), moet je horen waarom ik je gevraagd om even te blijven, had je haast…?’

            ‘Nee.’

            ‘Mooi zo, luister… jij bent toen met die Fatache van het ministerie in Sibiu geweest, toen hij zich een stuk in de kraag heeft gedronken en heeft gedaan wat hij heeft gedaan, toen jullie hebben betaald, jij en Triescu, ja?’

            ‘Mja, dat is zo, maar…’

            ‘Eh, en begrijp me alsjeblieft niet verkeerd, wat ik van je wil, van Triescu heb ik het al gekregen, dat je in een paar pagina’s beschrijft wat er percies is gebeurd!

            ‘!!!’

            ‘Weet je… en ik zeg je nogmaals dat je me niet verkeerd moet begrijpen, ik weet dat je een serieus iemand bent, wij moeten… op eigen kracht… snap je? Wat ik bedoel… van die lieden die… omdat ze een kruiwagen hebben of de indruk wekken dat ze die hebben… prestatie, man, en wat dan nog dat hij op het ministerie zit en wij hier? Wat er percies is gebeurd, je moet geen dingen gaan zitten verzinnen, ik weet heel goed, geen… begrijp je me?’

            ‘Ja, maar…’

            ‘Dat weet ik, je hoeft niet bang te zijn, niemand weet ervan, luister, je hoeft het niet eens te ondertekenen, je beschrijft wat er is gebeurd en klaar, ja? Kun je dat doen? Griguţă? Kun je dat, man?’

            ‘Ik zou het wel kunnen, maar…’

            ‘Moet je horen wat je doet, je gaat naar huis, maar denk er alsjeblieft goed over na, zie maar, diep uit je geheugen op hoe het gegaan is, maar zet het dan ook op papier. Twee, drie pagina’s, meer niet, ja?’

            Hij sprak met zachte stem, bijna op een fluistertoon, hoewel er verder niemand meer op het kantoor was en misschien ook niet in de andere kantoren, hij had zich ver over de tafel heen naar jou toe gebogen, jij probeerde je sigaret bij hem uit de buurt te houden, zodat hij geen last zou hebben van de rook, maar hoewel hij zelf niet rookte, trok hij zich er niets van aan, en uiteindelijk had je ingestemd.

            ‘Maar… het blijft onder ons, ja? Niemand weet ervan!’ voegde hij er nog aan toe, en hij schudde je de hand, waarmee hij je toestemming gaf om te vertrekken.

            Hij bleef nog even, hij had nog wat te doen. Waarschijnlijk om te vermijden dat jullie samen het gebouw zouden verlaten.

     Buiten, op straat, was het was gestopt met regenen en de frisse lucht verkwikte je, maar niet voor al te lang en zeker niet voor de rest van de dag. Je hoofd stond helemaal niet naar de lucht die je inademde. En zo vatte je plotseling het plan op om de Schilder te bellen. Je wist niet of hij thuis was, hij was voor enkele dagen naar de Westelijke Karpaten, maar je voelde de behoefte een paar woorden met iemand te wisselen. Je wilde zijn gefluisterde overwegingen horen, die van realiteitszin gespeend waren en geestig. Toen hij je telefoontje had beantwoord en jij naar hem op weg was, piekerde je erover hoe je het hem zou vragen, recht voor zijn raap: ‘Een lagere chef verlangt van je dat je een smerige streek uithaalt met een hogere chef. Wat moet je in zo’n geval doen?’ en hoe je vervolgens met genoegen naar zijn gezever zou luisteren. Maar nu moest je wachten tot de gelegenheid daartoe zich voordeed.

            ‘Mijn vrouw heeft een collegaatje dat ik weet niet hoeveel jaar getrouwd was, van die, hoe noem je zulke mensen, nouveau riches, en die hadden besloten een party te geven. Zo zeiden ze dat, “een party”! Wat een kapsones! En dan zegt mijn vrouw: “Trek je pak aan, want we gaan naar een party.” Ik had gisteren de hele dag in de trein gezeten en als ik een pak aan moet, heb ik er meestal de ziekte in, maar toen ik hoorde dat het om “een party” ging, kwam ik niet meer bij van het lachen en ben ik gegaan. Ik had me toch een trek na tien uur treinen, als je weet hoe dat is. Als je nog koffie wilt, de pot staat daar!’

            Zo te zien bestond het nieuwe schilderij waar hij aan werkte uit een verzameling schots en scheef staande huisjes, een achterbuurtstraatje of een wijk die werd gesloopt. Allerlei kleurige geometrische vlekken die gegroepeerd waren rondom een soort wit vierkant dat het midden van het doek in beslag nam en leek op een open raam dat aan de onderkant schuchter werd doorsneden door twee bloeiende takken. Onder de lijst. De Schilder praatte, was uitgelaten, lachte voor zich uit. Hoe kon je nog zijn aandacht trekken, hem een vraag stellen zodat hij zijn gedachten kon laten gaan over het morele gehalte van jouw daden? Zodat hij wijze woorden kon zeggen over jouw chef, Bencu, diensthoofd in het belangrijkste instituut binnen het ministerie, en zijn mening kon geven, op zijn eigen wijze, over de ‘twee of drie pagina’s’ die jij zou moeten schrijven over Fatache, Bencu’s tegenpool binnen het ministerie?

 

Het klopt, Fatache was toen ladderzat geweest, hij had de kelners uitgescholden, hij wilde op de vuist gaan met een stel arbeiders die aan het tafeltje naast het hunne hadden zitten drinken, hij liet aan iedereen zien ‘wie hij wel niet was’ door hen zijn legitimatie onder de neus te duwen, Triescu en jij deden jullie best om hem te stuiten en jullie hadden plotseling je buik vol van ‘Fatache, de big boss’, maar tussen dit gebeuren en hem geniepig een mes in de rug steken, zoals Bencu van je verlangde, zaten toch een paar stappen. Inderdaad, nadat hij ruzie had gemaakt met de kelners, was een er gepeperde rekening op tafel verschenen, iedereen was vergeten dat de manager met de wijn was gekomen en deze had aangeboden, Fatache kon niet meer helder denken, de manager was onvindbaar, je had samen met Triescu de hele nota voldaan, maar dat betekende nog niet dat Fatache jullie had gedwongen om zijn consumpties voor jullie rekening te nemen.

 

De deur ging weer open, ditmaal iets verder, en Cornelia’s vriendin kwam binnen om tot ziens te zeggen.

            ‘Hoe is het met je, Grig?’ vraagt ze, en jij haalt met een schuldbewuste glimlach je schouders op, maar zij kan onmogelijk weten waarom er een schuldgevoel in je glimlach verscholen ligt, zodat ze het niet opmerkt. ‘Ben je weer aan het werk? Jij gaat nog filosoof worden, jongen!’ vervolgt ze, en jij lacht, bescheiden ditmaal, als iemand die al filosoof is en, het is nu eenmaal niet anders, niet om zijn eigen succes heen kan.

            Cornelia lacht ook, haar vriendin heeft waarschijnlijk een geslaagde grap gemaakt. Of dat hebben ze samen bekokstoofd, wie weet? Je staat op en zegt ‘tot ziens’ tegen dat meisje dat een studiegenootje van je was maar van wie je nu niet weet hoe je haar moet aanspreken, samen met Cornelia laat je haar uit, je gaat terug naar je kamer, neemt nog een slokje van de witte wijn, je herinnert je dat je die middag, in het atelier van de Schilder, in plaats van naar hem te luisteren, in plaats van die sprong naar gewichtloosheid te maken die je jezelf had beloofd door daarheen te gaan, stompzinnig naar dat schilderij achter hem had zitten staren.

            ‘En zij had in een of ander idioot tijdschrift of bij een van mijn illustere confrères van het Kunstenaarsfonds een idee voor een avondjurk opgedaan die monumentaal geschikt was voor die poespas en die haar op het lijf geschreven was. Het is lang geleden dat ik zoiets slonzigs heb gezien, dus ik was meteen in de stemming en ben op le foie gras aangevallen. Hoor je, kantoorrat, waar die lui zichzelf op trakteren na tien jaar huwelijk? Op foie gras, meneertje! Eerlijk gezegd zou een halsketting van foie gras haar ook goed hebben gestaan, ik moet haar die suggestie aan de hand doen, maar je had moeten zien hoe al die anderen de pink van hun linkerhand omhoogstaken om de foie gras te proeven! Het was kostelijk! Wacht, want ik heb hier een cassette met Jacques Brel, ik zal die even opzetten, moet je horen hoe die het zegt: “Les bourgeois / C’est comme les cochons, / Plus ça devient vieux, / Plus ça devient bête!” En de gesprekken… wat moet ik daar nog over zeggen! Het is niet eens de moeite waard om daar de draak mee te steken. Je moet het gewoon zelf meemaken! Waar verbergen ze in vredesnaam dergelijke “kwaliteiten” als ze wat jonger zijn, man?’

            Het Franse liedje dat de cassetterecorder ten gehore bracht klonk nu door de kamer en je zag hoe de Schilder, met zijn cynische filosofensmoel, naar de woorden luisterde en voor zich uit lachte, hij draafde door en zei: ‘O, en naar dat festijn waren ook goden gekomen, mijn beste. Geld was gekomen, en Appartement (hij had vier kamers aan en was samen gekomen met Villa, die een halsketting van binnentrappen droeg), Personenauto, Vestigingsvergunning voor Boekarest, Paspoort, Reizen en Familie in het Buitenland en andere minder Goden. Die mengden zich ongemerkt in de conversatie van onze disgenoten, en deze brachten voortdurende heildronken op hen uit.’

            ‘En welke naam heb je hiervoor in je hoofd?’ onderbrak jij zijn tirade, terwijl je wees naar het schilderij achter hem.

            ‘Daarvoor? Ik ga het “Echostraat” noemen, zo heet die straat ook echt, hij ligt ergens aan de rand van de stad, ik geloof dat hij wordt gesloopt.’

            Nu probeer je je opnieuw te concentreren op het vel papier, dat nog altijd blanco is.

            Hoe moet je het formuleren zodat Bencu er niets mee kan? Hoe zou je er een boemerang van kunnen maken? En in welke mate zou je het percies zo op papier kunnen krijgen, zoals hij zo nadrukkelijk van je verlangde? Zou het niet juist op die manier een boemerang zijn? Hoe kun je, door het allemaal op te schrijven, toch zo anoniem mogelijk blijven? Hoe moet je beginnen, hoe moet je eindigen om duidelijk te laten blijken dat je niet aan Bencu’s kant staat en dat je het alleen maar op papier zet om bepaalde onaangename gevolgen te vermijden? Maar wat zou er eigenlijk gebeuren als je niets schrijft en morgen met opgeheven hoofd naar je werk gaat? (‘Zoiets kan ik niet doen, kameraad Bencu!’) Hij zou je een samenzweerderige glimlach toewerpen (’Dat geeft niet, kameraad Griguţă!’), maar het bedrijf heeft afdelingen in alle delen van het land en over een paar dagen zou hij je plotseling nodig hebben in Baia Mare, Oradea of Cluj, Cornelia zou een gezicht naar je trekken (‘want zo ben jij altijd, je bent een slappeling’), er zouden allerlei andere onprettige dingetjes kunnen gebeuren. Maar zijn zulke excuses voldoende om iets laaghartigs te doen? In feite kun je voor alles wat je doet een rechtvaardiging vinden, Bencu zelf heeft je dat laten zien, Triescu zou op zijn beurt een ander smoesje uit zijn mouw kunnen schudden. Hij hangt niet de held uit. Maar heeft de geschiedenis (zelfs als het de geschiedenis van een bedrijf of van een huwelijk is) echt helden nodig? En dan gaat het er niet om dat helden, om zich te kunnen verweren, ook aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Wat stelt een dagelijks heldendom voor en waar dient het toe? En dan nog, heb jij het voorkomen van een held? Jij, met Cornelia’s nukken, met een huis dat afbetaald moet worden, met jouw angst dat je naar een of andere uithoek wordt overgeplaatst? Laten we wel even serieus blijven! En zelfs als het je niets kan schelen, heb je het beloofd, je hebt toegezegd dat je ‘twee, drie pagina’s’ zult schrijven, is het wel netjes om terug te krabbelen? Gewoon schrijven, Griguţă, kappen met die aanstellerij, wat, denk je soms dat jij alles weet wat zich in de wereld afspeelt omdat je toevallig econoom bent? Toen je hem uiteindelijk het verhaal had verteld, was ook de Schilder van mening geweest dat je het moest doen.

            ‘Schrijf jij maar, meneer de muis, een brief voor die vent die je heeft gezegd dat je dat moet doen, en begin zo: “Je kunt mijn rug op!” en sluit af met dezelfde zin. Dat lijkt me een uitstekende formulering voor zulke gevallen. Echt prachtig, een stijlbloempje!’

            ‘En Cornelia…’

            ‘Ah, ja, dat was ik vergeten. Je schrijft hem in twee exemplaren en een ervan richt je rechtstreeks aan haar, snap je?’

            Voor hem was het probleem zo eenvoudig als wat en hij begon de koffiekopjes te wassen. Daarna zette hij ze omgekeerd neer, zodat ze konden uitdruipen, en kwam terug op het schilderij.

            ‘Weet je, ik heb me ook afgevraagd waarom de gemeente die straat eigenlijk de Echostraat heeft genoemd. En ik weet het niet, ik zweer dat ik het niet weet. Maar ik denk dat ik het onbewust de hele tijd door mijn hoofd speelt, moet je maar eens goed kijken hoe de kleuren van het centrum naar de rand toe verlopen!’

            ‘Ja, dat zei je al, maar dat is toch een verdoezeling, een effect dat stopt bij de lijst, je maakt er toch ook een lijst voor, hè?’

            Op dat punt werd hij pas echt kwaad en blafte hij je af.

            ‘Ja, natuurlijk maak ik er ook een lijst voor! Ik maak er een lijst voor en stel het tentoon en er zal ook wel een rund zijn dat het gaat kopen om het in zijn woonkamer op te hangen er eronder foie gras of friet te eten, nou goed?’

            ‘Ja, het is goed,’ zei jij, ‘heb je nog nieuwe platen?’

            Die had hij niet en daarom luisterden jullie verder naar Jacques Brel.

            Cornelia rammelt ergens mee in de badkamer. Je ziet voor je dat ze de gang oversteekt naar de slaapkamer en de lichten uitdoet, je zou willen dat ze iets tegen je zei. En zij kan waarschijnlijk je gedachten lezen, want ze doet de deur open en vraagt je: ‘Kom je niet naar bed?’

            ‘Nee, ik blijf nog even op, welterusten!’

            ‘Welterusten!’

            Zo is het ook genoeg. Mensen hebben grote behoefte aan informatie. De hele tijd en allerlei soorten informatie.

            ‘Efficiënt leven betekent leven met adequate informatie,’ zei de Schilder tien minuten later, toen hij wat was gekalmeerd en uit de klassieken van de cybernetica citeerde. ‘Alle drama’s van de oude wereld zijn per slot van rekening voortgekomen uit een gebrek aan adequate informatie. Als Romeo op tijd de brief van de priester zou hebben gekregen, zou hij geen zelfmoord hebben gepleegd voordat Julia weer was bijgekomen. Het drama zou een happy end hebben gekend. Maar zou de tekst van Shakespeare dan nog van dezelfde waarde zijn geweest?’

            Je was verrast. Je had nooit eerder meegemaakt dat de Schilder zich op een af andere manier probeerde te rechtvaardigen.

            In principe is een dergelijk drama vandaag de dag niet meer mogelijk. Een telefoontje, een telegram, een vliegreis van een uur, alles kan worden opgelost.

            Ja, maar jij weet niet waar Fatache zich bevindt, hij schijnt de stad uit te zijn, je kunt hem op geen enkele manier vóór morgenochtend te pakken krijgen en dan nog, schiet jij er wat mee op als je hem van tevoren waarschuwt?

            ‘Maar wie besluit welke informatie adequaat voor mij is en welke niet’ zei hij verder nog, en opnieuw begon hij door zijn atelier te ijsberen, hij stak een lamp aan, deed een andere uit.

            Uiteindelijk had je afscheid van hem genomen en was je vertrokken.

            Nu is het stil in het hele flatgebouw en ook van de straat dringt geen enkel geluid meer tot je door. De nacht heeft van alles bezit genomen. Je neemt nog een slok wijn en plotseling, alsof de zurige smaak ervan je een schok bezorgt, spring je op: blijkbaar weet Bencu niets van de geschiedenis met dat meisje. Als hij dat zou hebben geweten, zou hij je op het hart hebben gedrukt om vooral niet te vergeten dat ook toe te voegen.

 

Niet lang na middernacht, nadat jullie er met veel moeite in waren geslaagd om Fatache naar zijn kamer te krijgen en terug te keren naar jullie eigen kamer op dezelfde gang, hoorden jullie een kreet. Jullie gingen meteen naar buiten. Fatache was daar samen met een meisje van een jaar op twintig dat zich aan zijn greep probeerde te ontworstelen. Hij zei tegen haar: ‘Weet jij wel wie ik ben, schatje?’ Jullie hebben hem in zijn kamer moeten opsluiten en de sleutel bij jullie gehouden. Het meisje zei dat jullie de militie moesten bellen, omdat het een poging tot verkrachting was, maar toen Triescu haar adviseerde om zelf bij de receptie te gaan bellen, zag ze ervan af en vroeg ze jullie om een sigaret. Pas toen ze weg was, vroegen jullie je af wat zij eigenlijk om één uur ’s nachts in haar eentje op de gang van het hotel te zoeken had.

 

Hoe dan ook, je vond deze hele episode zo stuitend, dat je hem gewoon was vergeten. Zou dat ook de reden zijn waarom Triescu er niets over heeft verteld? Of was het feit dat hij dit had weggelaten juist een poging van zijn kant om met jou te communiceren? Was deze weglating eigenlijk juist adequaat voor Fatache? En welke extra rechtvaardiging haal je uit dat alles om te gaan schrijven? En toch, wat zal de nacht brengen op de blanco pagina vóór je?

 

***

De telefoon rinkelde om halfzeven en de hand pakte werktuiglijk de hoorn van de haak en bracht hem naar het oor. Het oor wachtte niet op enige extra informatie. ‘Het is halfzeven!’ zegt de juffrouw van de wekdienst. Soms voegt ze er, ervoor of erna, een ‘Goedemorgen!’ aan toe. Andere keren heeft ze daar geen tijd voor. Is dat adequate informatie?

 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Stelian Tănase
Translated by: Jean Harris

From Maestro: A Melodrama. Episode 7

Emiluţa has an unfortunate thought. She’ll throw herself off the top of the building. Why? What the fuck? Let’s say for the cause of PeaceonEarth, for the slumdogs, Europe, for the lonely. Which is to say she doesn’t have a ghost of a reason. Viva Walachia! The way things stand, if ...

Translator’s Note
Translator’s Note: a synopsis
Author: Ştefan Agopian
Translated by: Ileana Orlich

How I Learned to Read (from Tache de Catifea / The Velvet Man)

The bearded man was the owner of an apothecary shop where he worked with two apprentices. Nobody paid me any mind, so I spent all day in what was supposed to be the shop. I say this because it was a large, dark room full of odors—a mix of smells from everywhere. The room hadn’t been cleaned ...

Translator’s Note
Re: Learning to Read, from Tache de catifea / The Velvet Man
Author: Gabriela Adameşteanu
Translated by: Patrick Camiller

Wasted Morning - Napoleon in Bucharest

“What you’ve got here is heaven on earth,” Vica says as she drops onto the kitchen chair. “But where’s your mother?” “At work,” Gelu lazily replies, leaning sideways against the door. “She’s doing mornings this week, didn’t you know?” He is tall and thin, with unset ...

Author: Petre Ispirescu
Translated by: Jean Harris

Youth Without Age and Life Without Death

It happened once as never before-y, ‘cause if it couldn’t be true, it wouldn’t make a story about the time when the poplar tree made berries and the willow tree broke out in cherries, when bears began to brawl with their tails, and wolf and lamb, unfurling their sails, threw arms around each ...

Translator’s Note
On Petre Ispirescu
Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx