Het regende. De vrouw sprak me aan op het kruispunt Gheorghi Dimitrov. Ze vroeg me naar de halte van tramlijn 17 richting Lacul Tei. Toen ze haar immens rode paraplu inklapte zag ik haar. De blonde vrouw, dokter Alfandari! De vedette sprong, op een zomerse namiddag een millennium geleden, vanuit de Hollywood studio’s in onze miserabele keuken, klein en donker; het Boekovina van de jaren ’50. Het was ikzelf, destijds, een vedette met rode stropdas en een rode pioniersshawl, enthousiast gemaakt door de vele rode bijeenkomsten en lezingen. Totdat ook de vrouw uit Hollywood enkele jaren later terugkeerde naar de hoofdstad, haar Hollywood.
We vergaten zowel de stem als de woorden van de actrice niet: “Ik wil de moeder van deze jongen kennen”. Verbaasd veegde moeder verlegen haar handen af aan een soort plastic materiaal.
Nu, de vedetten van vroeger bevonden zich zij aan zij op de tramhalte van lijn 17, in de richting van Lacul Tei. Ik bevestigde prompt de waardevolle informatie: ja, de halte van tram 17 richting Tei.
Ik keek haar aan: mevrouw dokter Alf, de moeder van mijn liefdespartner, uit de eerste jaren van mijn studententijd in Boekarest, in een jongere en slankere variant.
De lange Parma-jas, zo noemde ik de geweldige mantel van een zandkleurige stof die haar met liefde bedekte. Knap, ja, de onbekende had wat weg van de exotische schoonheid van de filmster. Ze glimlachte met een soort uitdagende ingewikkeldheid. De bizarre combinatie van Simone Signoret en Marilyn Monroe. Ik bleef stijf staan, ik kon mijn voeten niet bewegen, het leek wel alsof ik ook op tram 17 aan het wachten was.
Het regende, het regende niet, het leek alsof het niet meer regende. De paraplu van de vrouw was ingeklapt, ze speelde er vrolijk mee tussen haar vingers. Ze schudde het haar op een jonge manier en opnieuw keek ze me aan. En, opnieuw, glimlachte ze naar me. Een moment later nam ze me bij de arm. Ze was een beetje groter dan ik en we liepen weg van de halte. We praatten over de film die draaide in de bioscoop voor documentaires op de Marx-Engels boulevard, die ook in de richting lag waar we, zonder doel, heenliepen.
Het ware gezicht van het fascisme was de titel van de sovjetdocumentaire die, zo bleek, we beiden de week van te voren gezien hadden. Vreemd, juist deze film.... niet een bepaald een leuk onderwerp voor een eerste gesprek. De vrouw leek in haar visie op films net zo fel als ik en wilde de film nog wel een keer zien. Ja het loonde de moeite om bepaalde aspecten naar de actualiteit van vandaag de dag te halen, er waren zoveel scènes te bespreken, inderdaad.
– Je bent joods toch? Hoorde je de actrice zeggen.
Ik was niet bepaald blij met die vraag, ik prefereerde de discussies tussen de filmliefhebbers.
Waarom zou ik joods zijn? Ik had geen neus, geen accent... alleen omdat ik de discussie over het fascisme accepteerde? De film ging niet eens alleen over het fascisme!
Niemand in dit land interesseerde zich voor het fascisme of het communisme, niet eens in barre tijden? Het interesseerde niemand, niemand behalve mij en de onbekende schone die dichter bij me kwam staan?! Onze landgenoten bleven waarschijnlijk met z’n allen hedonist en astronomisch, gewend aan wijn en lol, zingen en hun dagelijkse bezigheden uitvoeren.
Joods? Wat heb ik met joden? Ik heb amper wat met mezelf.... Tevreden om in een hoek achter gelaten te worden om te ademen, meer niet. Ik citeerde het in één adem, het citaat zat in mijn hoofd.
De vrouw keek me lang aan, ze vermoedde niet dat de woorden niet van mij waren, de naam Kafka zou de moeilijkheid niet groter gemaakt hebben. Ik was ervan overtuigd dat ze het gesprek de rol gaf dat het verdiende.
– Filosoof of handelaar?
Vervolgens nam ze het antwoord niet in haar op, het vrolijke gesprek gingongehinderd verder.
– Die zijn van de tweede categorie, of niet? Mijn man is handelaar. Jij lijkt van de andere categorie.
Beide beroepen van de vrijheid, ik was klaar om het uit te schreeuwen, ver van het ware gezicht van het socialisme! Maar je kon je niet zo zonder na te denken tegenover een vreemde laten gaan.
Ja, ik bevond me in een benadeelde categorie, dat kon ik niet ontkennen. Ik stopte, ik keek haar lang aan. Ze glimlachte, ze schudde me de hand.
– Alice Aslan.
De naam lijkt wel Armeens... Ja, de Armenen zijn goede handelaren, maar ik zag geen verband met mezelf. De voornaam Alice verklapt niets. Blond haar, grote groene vochtige ogen, het beeld van Hollywood. Het multiculturele cliché van de schoonheid van overal.
In de daaropvolgende uren van de wandeling, op de straatjes gewassen door de regen uit de richting van Calea Călăraşi, vlakbij de Sihleanu straat, waar ik in de kost was bij dokter Iacobi, daarna in de omgeving van het Libertăţii park, bespeurde ik momenten van biografie. Ze woonde alleen. Haar man was illegaal de grens overgestoken, hij maakte het goed, ergens in het buitenland. Ze hoopte daar ook zo snel mogelijk aan te komen. Tot dat moment was ze een verdacht en vervangbaar persoon. Ze kwam modaal maar eervol rond: caissière bij de winkel SPICUL op de boulevard Bălcescu.
Ik kende de plek, SPICUL bevond zich naast de bibliotheek van het Roemeens-Sovjet vriendschapsverbond, ARLUS, waar ik dagelijks heenging. Uitstekende kaas en vleesbroodjes!... De klanten vermoedden niet dat spoedig zowel de bibliotheek als de broodjes zouden verdwijnen.
Nee, ik zag deze uitstekende vertegenwoordigster van de voormalige “uitbuitende klasse” niet bij de kassa van SPICUL. Net als de andere exotische paria’s, praatte de vrouw vrijuit over de miserabele omstandigheden waarin zij dagelijks haar brood moest verdienen!
Het werd avond, we trokken ons steeds terug in hoekjes tussen gebouwen of in bosjes van het park. Lange zoenen, onder de paraplu van de duisternis.
Rachele mompelde ik dronken van de omhelzingen. Rachele.. zo noemde ik de lippen, de borst en de lach van de anonimiteit. Ik protesteerde, lachend, bij het horen van de vreemde naam zoals bij een getolereerde excentriciteit van de student. Rachele, Rachele van eenFrançaise, Afrikaanse, joodse, roodharige... Nee, het was geen Française, Afrikaanse of joodse.
Ze was Roemeense, ja en ze had niet gehoord van mevrouw dokter Alfandari, mijn hypothese over de zich aan incest vergrijpende schoonmoeder, ook niet van de rode Rachele, de geliefde van dokter Thibault in de roman van Roger Martin du Gard, die ik opeens voor me haalde.
De mengelmoes van literaire en erotische dromen werden niet minder toen ik volwassen werd. De bibliotheken van Boekarest intensiveerden deze duizeligheid. De lange eenzame lessen, elk volgend op het onbekendeen waarvan elke vorm van drama ontbrak, faalden telkens. Ela Alfandari de dochter van mevrouw de dokter, die ook naar Boekarest kwam om te studeren, diende in de eerste jaren van mijn studententijd mijn liefdesmasturbaties. Gehaaste opbouwende spelletjes, hevig intens verlengd, tot het moment van klaarkomen, op een smal bed in het kamertje van de vrouw. Dit stopte toen de mannelijkheid van de vrijgezel deze drang deed afremmen. De kat trok zich vermoeid en angstig terug. De vrijheid van de anonimiteit, dat was waar de middelbare scholier uit de provincie die naar Boekarest kwam van droomde. Grote straten met natte rijstroken, vervolgden hun weg als de magneet van een komeet die je automatisch meenam in zijn vlucht. Lange nutteloze lessen over iets onbekends dat uitwam in het theater, de bioscoop, de bibliotheek of bij de kapper. Zwijgende en verlegen jagers. De achtervolger wachtte angstig op aanwijzingen die deden vermoeden dat er op zijn beurt ook op hem gejaagd werd. Het ruiken van de geuren van de stad windt meer op dan het aanbreken van de jaargetijden. Mooie momenten; de bleekheid van de arbeidster die zich uitkleedde en zich plots weer aankleedde, trots, opstandig, geblindeerd; de handdoek waar de vrouw van de majoor zich mee afdroogde, voorzichtig, met oudejaarsnacht, wanneer de militair ver weg was om zijn plicht te vervullen; bontjassen van een tangodanseres de eenzame man die op een teken van akkoord aan het wachten was achter haar aan trekkend; grote tanden die vooruit steken, geen borsten te zien, zich aangetrokken voelend tot het extreme, hysterische betastingen.
Ooit, op een vrijdagmiddag op de Frumoasei-straat nr. 20, het adres dat fluisterend doorgegeven werd van student op student.
Je kwam binnen via een tuintje, de deur opende in de richting van de brandtrap. Voor de trap zat een oud mannetje met baard, arm maar goed gekleed, op een krukje. Hij incasseerde de entree van 25 lei en gaf toestemming door te lopen. Een kamertje op de eerste etage. Een lang bed met een bloemetjessprei. Op de stoel stond een teil met water. In bed lachte de bediende van Rebelais. Een groot, bleek gezicht met grote zwarte ogen. Een bos met bruin, rechtopstaand haar. Een gemaakte routine glimlacht. Wie het adres aanbiedt geeft ook minimale informatie over wat er komen gaat: de vrouw van een motorracekampioen was een slet die in het geheim haar inkomen vergrootte.
De vrouw maakt een gebaar, de klant kleedt zich uit: jas, trui, schoenen, overhemd, broek. De vrouw trekt over haar hoofd de nachtjapon uit: naakt.
Ze kwam haar bed uit, ze kwam met blote voeten dichterbij. Grote voeten, grote dik roodgeverfde nagels. Ze deed haar benen wijd. De student kijkt aandachtig en onbewegelijk naar de grote, lelijke nagels en de grote, lelijke voeten. De vrouw gaat opnieuw op bed liggen, de klant klimt op de grote, lelijke vrouw met zachte, bezwete borsten. Haar grote hand verdween gemakkelijk tussen de benen van de klant, haar vingers die hem probeerden te ontwaken. Een moment ontwaakt, een moment later uitgeblust, oud, niet meer functionerend.
Rachele beloofde wat anders. Ver van hun leider, de handelaar, gekleed in een mantel die de leden van het koninklijk huis van Parma droegen, dat volledig verwoest werd na een lange tijd van moeilijke jaren . De onbekende die overdag verscholen gaat achter het masker als caissière van SPICUL, neemt de nachten van de van de student die klaar is voor een filosofische dwaling voor haar Rekening.
Uiteindelijk ontmoetten wij elkaar dan! Elkaar vasthoudend onder de grote mantel van de fijne stof, die zo groot was als een tent of onder andere magische overkappingen die we ons niet eens voor kunnen stellen. Spoedig komt het voorbestemde moment waar we op wachten! De vrouw met de rode paraplu leek net zo ongeduldig als de beginneling.
We kwamen aan voor het huis. Ze nodigde me niet binnen uit, ze liet me haar niet kussen. Ze nam, zo leek het, voorzorgsmaatregelen ten opzichte van haar buren. Ze stak een sigaret op, ze bood me één van de beroemde Kent aan, verboden ruilvaluta voor sociale gunsten. We zouden elkaar over drie dagen weerzien, zaterdagavond. Ze nodigde me bij haar uit voor zaterdagavond!
Niets slechts zou meer kunnen gebeuren: de onbekende vrouw zal niet meer verdwijnen, ook zal ze zich niet meer op het laatste moment bedenken. We zullen een toevluchtsoord hebben, een bed, een donkere gang of wat voor goede plaats dan ook voor een brand. Deze keer zal het enige probleem zijn om te overleven, allebei, tot zaterdagavond. Zaterdag, half acht, de slaapkamer Hollywood!
De seksuele educatie van de provinciaal in de socialistische tijd was niet erg succesvol. Al vroeg in de pubertijd, een proces dat versneld werd door de lectuur die de diversiteit van de revolutie behandelde. Het niet serieuze applaus ten midden van de B-acteurs uit de provincie? Beminnelijke meisjes verzamelden zichrond deze beroemdheden om in deduisternis hun zachte lippen, monden borsten aan te bieden. Genoeg, genoeg, anders word ik geslagen door mijn moeder.... De donkere bioscoopzalen betekende Brȋnduşa of Pusy of Silvia of, in het bijzonder, Ica, de minst aantrekkelijke, maar melancholisch en bizar.
Duisternis,fluisteraars, de zoektocht naar delingerie en de huid: naar deelleboog, de oksel, de schouder enlager, lager, duizeligheid, naar beneden,lager, pijn en fallus en pus.De literaire Ica veranderde, in trans, haar passie. Ze ving de lyrische boodschap op die Mater Dolorosa vertaalde in de code van het getto, vanwege het dreigende gevaar: “Over enkele jaren zal deze jongen ons vermoorden”.
De dochter van dokter Alf zou de dronken man gauw in een andere staat van duizeligheid brengen. De schaamteloosheid vanhetgeen niet is afgemaakt. Daarna komt de klassieke gastvrijheid van de huisbediende... Tussen de nachtelijke pauzes van de soldaten door, ontving Lucreţia warm het zaad van de jonge man. Haar jonge lichaam rook niet naar Jasmijn, ook niet naar gemalen ui, het was doordrongen van de soldatengeur gemengd met de geur van een vrouw.
De jonge man die zich aangetrokken voelde tot de filosofie en niet tot de handel, aarzelde om de beschamende pijn in zijn broek snel op te lossen bij een dokter. Er bestonden niet meer van die bepaalde medische voorzieningen, je had niemand meer waarmee je over je schandalige geheimen kon praten, je moest deze vervloekte virussen verdragen en er angstig mee leven. In de kranten, op de radio, in boeken, tijdens vergaderingen en grote meetings sprak de verontruste bourgeoisie niet over dergelijke verstopte zaken. “Hoe verknipter de moraal van een volk is, des te strenger de algemene mening....” De steeds minder revolutionaire realiteit bevestigde de woorden van de revolutionair Saint-Just, die het socialisme niet heeft meegemaakt.
Uiteindelijk geneest de patiënt dan toch en op zaterdagavondging Rachele du Gard haar woorduit haar jeugd in eer herstellen.
Daar inde verwijde buik van de identiekeen zwangere dag, ging de tijdrap voorbij en ook niet zo snel.Twee haltes verwijderd van de bestemming, de heilige rustdag, een naam gegeven door de Niet-waargenomen, die ook op Zaterdag uitrustte.
Een zonnige middag. Een rustige schemering, grote vogels zweven in de hemel. De voetgangers leken niet gestrest te rakenvan de kleine, rare stapjes die ze nerveus maakten, heen en weer wandelend over de boulevards van het Libertăţii Park. De seconden tikten ongehaast weg,. De gepensioneerden keken kalm, ongeïnteresseerd, verlegen, zich vermakend, zittend op de bankjes, voor zich uit.
De Nifon-straat, op haar plaats, rijtjeshuizen net als twee of twintig of dertig jaar geleden. Nummer 28, hetzelfde. Niets was veranderd, alles op zijn plaats, de eeuwigheid op het moment van de plaats en de tijd zonder tijd. Twee stenen tredes voor de ingang van het prismagebouw, met slechts één etage. Twee identieke bellen, onder elkaar op een zwarte deur van massief hout. De naam van boven,dezelfde. Mijn wijsvinger drukte op de knop Alice Aslan. De klok op de hoek van de straat gaf zeven uur zesendertig aan. Ze deed meteen open. Mooi, hoewel niet zo jong als in de avond van onze eerste ontmoeting. Alles was voorbereid, niets moest overhaast gedaan worden. Er moest niet te snel begonnen of te snel geëindigd worden, dat zeiden de woorden en weerspraken de krachtige omhelzingen met kinderlijke urgentie. Pogingen tot een conversatie bestonden echter wel. De onderwerpen waren afgezaagd, stimuleerde dit de toenadering en de wil? Die lollige betekenisloze zinnen, overde dokter die zij had geraadpleegden een toespeling maakte, woordenontsnapten waar ze niet naar toemoesten gaan.
Goede wijn, dure glazen, het geluid van mensen die zich schuil hielden.... Dealkoven van het fort kreunde doorde spasmes van het samenspel, hetfluisteren en zuchten, hijgen enkreunen en de vloeken van alleklassen, etnische groepen en leeftijden. Het privédomein werd het enige bezit, we trokken ons samen terug, nu zat je niet meer tussen de staalarbeiders, de leugens, de vuiligheid, het snel, snel dat de Securitate-agenten ons niet pakken.
Niemand viel ons aan in de aangename woonkamer van Alice Aslan. Hier bestond geen aanleiding en ook geen excuus om slachtoffer te zijn. We waren naakt en vrij, in het grote en schone bed. De hofdame vervulde haar plicht, ze haastte zich niet, ze begon niet te snel en had niet in haar hoofd wanneer ze zou eindigen, alleen de gast veranderde van overdreven ongeduldig naar overdreven passief, hij liet zich overdreven bedienen door de passie van zijn partner. Stimuleerde de trucs de beweging van het hele lichaam of stimuleerde de trucs juist de passie? De gedachten gingen vreemde kanten op, het lichaam viel, de oneerlijkheid versterkte de lucht niet.
Het object van het verlangen valt uiteindelijk gemakkelijk te definiëren, zoveel wist de denker ook wel. Concrete, obsessieve, platvloerse, precieze termen werden gebruikt voor merrie en varken en puppy en antilope. Het orgaan, ja, de eenvoudige term, zoals een bestelling, moest vervangen worden door romantische gedichten en dromen. De filosoofbleef denken aan die periodeterwijl hij de inspanningen volgdedie Rachele uitoefende op hetgezicht en lippen en de vochtigetongen vol van slijmvliezen en degeheimen van verlangen. De liefhebber was attent op de reflexen van de hofdame, op de lippen, hand, borsten. De elementaire bron van het universum, praatte hij veel in gedachte, de student geobsedeerd door voer waarover hij niet meerzou willen uitweiden, vervangen door iets dat meer ontwikkeld was, zoals Rachele probeerde te bewijzen.
Gemakkelijk, ja, het was geen woord zonder betekenis, niet in de epische en ook niet in de psychologische erotiek. De ene keer ging het goed, de andere keer niet echt, de andere keer helemaal niet, zelf als de provocaties dezelfde leken... en de filosofie deed de desoriëntatie niet wegnemen. Zelfs geen sigaret, hoewel Alice veel rookte en ik uiteindelijk ook meer rookte dan ik aankon. We vertrokken gehaast, vervuld met wensen. Belast met zwaarmoedigheid, met de sigaret die Alice tussen mijn lippen propte, was ik aan het roken. Inadequaat, bevroren en verveeld, ingehaald door de verwachtingen en de inspanningen van de schoonheid. Onverzadigbaar en ongegeneerd bleef ze, in de lange nacht die te lang was, de beeldschone uit het wonderland waarover zij regeerde.
De partner bedacht zich niet op het laatste moment, ze verdween ook niet opeens in het niets, lelijk was ze ook niet, in tegendeel juist. Er was echter iets dat het mechanisme van de wens ontregelde. De nachtelijke energie verminderde, haar gevangene kon niet meer verder; gestrandop het kookpunt. De perfecte seksuele kameraadschap, de extreme concentratie en de extreme bevrijding, de extase van het samenzijn, vragen, dit moet je leren, een langere intimiteitoefening dan dat de eerste ontmoeting is toegestaan.
Bij het weggaan uit de slaapkamer van mevrouw Aslan, op een mistachtige ochtend, herinnerde ik de eerste jaargetijden uit mijn tijd in Boekarest. De stad opende zich fascinerend voor de vreemde. Ik kreeg geen genoeg van het dwalen door de parken en over de boulevards, ik zwierf langs de restaurants. Het mysterie van de huizen zorgden ervoor dat ik me alleen voelde in de donkere ochtenduren. In een ogenblik van een seconde zag ik, zo leek het voor mij, een verassing. Angst en gevaar samengebonden bij elke stap.
Geïrriteerd, de wil van ontlading. De haast, gekruid met de erotiek van paniek, de geur van het samenzijn. Het kleine gezicht van een onderbetaalde werkster, alleen, op het nachtelijk uur in de tram die ingedut op weg was naar de remise, in een hoekje vol met blik en gereedschap of zelfs in een lege tram, de gehaaste verbinding. De in slaap gevallen vrouw was helemaal niet in slaap gevallen, de passagier zag dat de trambestuurder haar volgde in de bovenste achteruitkijkspiegel. Alles dat gebeurde of zou gaan gebeuren of op het punt stond te gebeuren leek op een krankzinnige namiddag in maart, in het derde semester van mijn studententijd, tijdens een practicum uur toen ik naast de dunne Sanda Ionescu belandde, de gekke dochter van een stel gevluchte aristocraten. Opeens raakten we elkaar aan onder de tafel aan, mijn hand diep onder haar rok, tussen haar zachte en natte, steeds nattere benen, haar hand in mijn steeds nattere broek, de leraar ging door met uitleggen op het bord, wij gingen door, bezweet, met het maken van aantekeningen, met de hand die nog vrij was. De seksualiteit die intensiever werd door natuurrampen, aardbevingen, overstromingen, vulkaanuitbarstingen, dictaturen. Uitgevoerd en geïntensiveerd onder het oog van de tirannieke toezichthouders? De zekerheid neutraliseren die de comfortabele kamer van mevrouw Rachele du Gard me gaf?
In de week die er op volgde zocht ik haar niet meer. Na ongeveer 10 dagen belde Alice me op. Ik antwoordde ongeïnspireerd en droog.
Toen ik na enkele maanden er erg spijt van kreeg, was de wens om mijn fout te herstellen te laat. Ze antwoordde zulke domme telefoontjes niet meer, ook werkte ze niet meer bij de SPICUL winkel, waar ik haar probeerde te volgen.
In paniek probeerde ik haar overal en nergens te vinden in de weken en maanden die daarop volgden. En het daaropvolgende jaar. En daarna, overal, nergens, in het onbekende zonder adres.
In Belgrado, in ’83, in café Fanar keek ze verdwaald naar de vorm van het zilveren kopje. Toen ze opeens opstond, de gloed van het rode haar... Ze keek me aan alsof ik een klant was die ze verwachtte. Het was de laatste dag van de conferentie waar ik aan deelnam. Mijn collega’s uit Boekarest sloten me van het begin af aan buiten, vanwege traditionele redenen of, misschien, ongeduldig om hun massale inkopen te verwezenlijken, meubels, televisies, ijskasten voor diegenen dieconnecties hadden. In de middagen reisde ik zonder doel door een lelijke stad die op een oase van licht leek, hectisch, willekeurig geëlektrificeerd en een onrustig gevoel, vergelijkbaar met de duisternis en de spoken die het kleine Boekarestaanse Parijs terroriseerden. Ik keerde vroeg terug naar het hotel, ik volgde op de televisie alles dat ik niet zou kunnen zien in Boekarest. In de nacht voordat ik vertrok bleef ik tot laat op straat, tegen middernacht ging ik bij Fanar naar binnen. Alice verfde haar haar rood, ze leek nu op de joodse Rachele, teruggekeerd uit Afrika in de roman van Martin du Gard. Ik ging tegenover haar zitten, ze glimlachte naar me zonder dat ze me herkende. Ze was het Roemeens vergeten, ze herinnerde zich alleen nog maar lossen woordjes, ik sprak geen Servisch, we begrepen elkaar met wat Russische klanken en we zouden elkaar ook zonder woorden begrepen hebben voordat we samen weg zouden gaan.
Enkele jaren later zag ik haar weer, verjongd, in een bus in West-Berlijn. Ik stapte door elkaar geschud uit, na de silhouet die richting Check Point Charlie ging, de grens met het Oosten. Ik kwam hijgend bij haar aan. Ik vroeg hoe ik bij het Einstein Café aankwam. Verbaasd trilde ze, met een nerveus gebaar, smalle, breekbare schouders, ontvouwde haar sjaal vanzelf als een oranje slang, ze glimlachte openlijk, ze vergezelde me enkele stappen, daarna nog enkele, ze nam me bij de hand, net als toentertijd.
In het Centre Pompidou, in Parijs, werd ik met recht verbaasd. Daar stond ze, groot en recht, op de plek waar drie teams clowns en acrobaten optraden voor het publiek. Een prachtige herfstmiddag, zacht en helder. Ze keek naar boven, naar de lijn die bij mij naar beneden ging. Aangekomen bij de zon ging ik direct af op het fijne blondje dat bewegingsloos en zonder iets te doen stond te wachten. Ik vroeg haar wat zij van de expositie vond. Ze leek erg verbaasd, ze zag waarschijnlijk de expositie niet eens, hoewel de kunstenaar een landgenoot was en ze er zich voor zou moeten interesseren. Werd de verwarring dan door iets anders veroorzaakt? Ze sprak geen woord Roemeens meer. Ik herhaalde mijn vraag in het Frans. Zonder succes. Ik probeerde het met de weinige woorden die ik in het Engels kon, ze antwoordde meteen, blij glimlachend, stelde ze voor om koffie of een cognacje te drinken in de bar LE MASQUE, wijzend naar de straat ernaast. Ik koos voor koffie, sterke drank dronk ik alleen ’s avonds, ik had niet eens geld voor dergelijke consumpties. Ze begreep het, ze wist dat de gelukkigen met een paspoort uit het oosten geen geld hadden, ze haastte zich door te zeggen ze mij uitnodigde. We zwegen beide een tijdje, ze voelde zich verplicht me te zeggen dat ze in Amsterdam woonde, ze werkte als assistent-secretaresse van een beroemd chirurg.
– Ah, die oude chirurg...
– Hoe, hoe zei u?
Ze keek me verbijsterd aan, ze fronste haar wenkbrauwen, ik zag weer de lijn tussen haar wenkbrauwen die elke keer verschenen wanneer Alice deze fronste. Blauwe ogen, gladde, bleke, wangen, grote, dunne wangen... ja, de grote en fijne Nederlandse had de stem van Alice, die nu erg zwaar was vanwege het roken.
– Nee, niets, iets stoms, probeerde ik in het Duits
Ze begreep Duits, dit vergemakkelijkte de dialoog, hoewel het er niet de schijn van had dat ze de taal van de overheersers leuk vond.
– Ik neem aan dat de dokter avances maakt op de assistente.
– Niets van gemerkt. We hebben uitsluitend strikt zakelijk contact.
– Aha je man... ik begrijp het.
– Ik ben niet getrouwd. Tenminste ik was getrouwd. Met een oosters iemand.
– Oosters! Ja, zeker... keek ik. Oosters, echt waar, oosters?
– Ik hoop dat je geen racist bent zoals veel Oost-Europeanen.
– Nee, absoluut niet, alleen nieuwsgierig. Armeens?
– Indonesisch. Een voormalig karatekampioen. Nu is hij trainer. We zijn nu drie jaar gescheiden maar we zien elkaar af en toe.
’s Avonds moest ik op drie metro’s overstappen en heb ik meerdere malen de verkeerde weg genomen tot ik de rue de la Folie Mericourt gevonden had.
Een geweldig appartement, zoals in de modetijdschriften. De vriendin van de Nederlandse, binnenhuisarchitecte, zoals je kon zien aan de inrichting van de vertrekken, was op vakantie, we waren alleen. Ik bracht één van de flessen Stolychnaya-wodka mee, waarmee ik mijn koffers vulde in Boekarest om te verkopen of cadeau te doen.
Ze had niets gekookt, overtuigd dat we uit eten zouden gaan. Ik keek naarde grote gekleurde kristallen kubus, Kirsten op de zwarte bank, Kirsten op de zwarte bank, de Oost-Europeaan op de rode tegenover haar. We dronken en praatten.
– Haast je niet. Morgen doen we alles.
We wilden niet vooruit lopen op de feiten, we hadden geen tijd om op de feiten
vooruit te lopen. Kirsten had een hekel aan mensen die ongeduldig zijn, zo zei ze, haast maakt haar agressief, als een invasie van vuil. Ze leefde in Amsterdam samen met een jongere man die hier aan toegaf en ze had hem geleerd de liefde langzaam te bedrijven, methodisch, zonder haast.
– Haast verpest de daad.
Mijn hart ging sneller kloppen, ik herkende de situatie.
– Ja, ik heb het hem geleerd, hij is een expert geworden in de rust en de gradaties van het neuken.
Mijn hart klopte opnieuw, de termen waren dezelfde en de secretaresse uit
Amsterdam volgde me, attent op het effect van de taal. Vervolgens gooide ze minachtend haar rok weg, verveeld van de formaliteit. Naakt, op het rubberen matras, op het parket. Niets ging echt goed. Zonder rust en gradaties, niets lukte.
– Heb je een zus?
Ze stond op, ze zat op de lange, witte bank met één been op de leuning zodat je de seks kon zien.
– Zus, ik? Nee, ik heb geen zus.
– Aha... dus moeder. Moeder?
– Moeder, mijn moeder? Wat, wat bedoel je?
– Ja, moeder... de relatie.
– De relatie met mijn moeder? Goed. Hecht. Ingewikkeld. De relatie met mijn moeder is ingewikkeld.
– Aha... Incest?
Alleen een Roemeens scheldwoord zou deze onzin kunnen verpletteren. Kirsten glimlachte niet meer, ze werd overdreven serieus, ze keek me strak aan, geobsedeerd door de donkere kant van de vreemdeling. Ze leek niet boos van de mislukte actie, maar ze was niet in staat om haast en het ontbreken van gradaties toe te staan, haast en het ontbreken van gradaties houden geheimen goed verscholen.
– Jouw dokter, is die psychiater?
De vraag choqueerde haar niet, haar glimlach werd subtiel en gemaakt, een koud gezicht.
– Psychiater? Nee, helemaal niet. Chirurg.
Ik was stil. Het duurde even voordat het onderzoek verder ging.
– Gehaast om de daad te verwezenlijken, of niet? Misschien ontbreekt de liefde? Dat kinderachtige woord... De noodzaak van liefde, of niet? Of de schuld, een bepaalde verstopte schuld... je wilt het nummertje zeker snel de afronden, of niet?
Ze draaide zich om, ze greep naar de fles wodka die op de grond stond. Ze was
niet jong meer, maar haar lichaam was goed verzorgd, elastisch en fijn. Er bleef niet meer dan een klein beetje wodka over, ze maakte haar lange en witte wijsvinger nat en zoog er langzaam aan.
– Of ligt de schuld bij de boeken?... Of de socialistische politie? Hadden jullie geen tijd en mochten jullie geen seksuele stommigheden uitproberen? Euh, het verbod versterkt de interesse, toch? De interesse leidt tot het experiment en de experimenten leiden tot de ervaring, toch?
Ik antwoordde niet meer, ik keek haar ook strak aan, helemaal niet nieuwsgierig om het duistere binnenste van mijn interviewster te ontdekken.
Zwijgend rookten we beiden uit haar pakje Dunhill, we sliepen naast elkaar, naakt en ongeïnteresseerd, op het matras. In de vroege ochtend sloop ik naar buiten, slap, kapot, zoals na een avondje drinken van drank met liefdeskruiden. Ik dwaalde een tijd lang rond, door de straten van de liefdeshoofdstad, in de richting van de wijk waar dokter Thibault Rachele vaak ontmoette. De stad verloor wat van haar charme.
De volgende dag belde ik Kirsten niet meer op, zoals ik had beloofd. Ik vond het jammer, ik schreef haar daarna nog, vanuit Boekarest, vanuit Jeruzalem. Voordat ik naar het congres van Maastricht ging, schreef ik haar enkele regels vanuit New York, op een kaart met Van Gogh zonder een oor, vanuit het hotel Simplicissimus schreef ik haar dat ik een week in Nederland zou verblijven en dat ik naar Amsterdam zou kunnen komen. Ze antwoordde niet.
Ik had me niet voor kunnen stellen dat ze, op deze manier, de lift van de flat waar ik woonde inkwam. Jaren gingen voorbij, ik ging vanaf etage 34 naar beneden, op de 16e ging de deur open, er kwam niemand, daarna kwam er een slanke, blonde vrouw de lift in, met kort haar en met een piepklein wit hondje in haar armen. Ik had haar nog niet eerder gezien, er zijn 52 etages en ongeveer 1.000 appartementen in onze flat aan de Upper West Side, je kan niet iedereen kennen.
Alma was gemeen en koud, geobsedeerd door dagelijkse gymnastiekoefeningen en de baby Micro, zoals ze haar pluizige en hysterische hondje noemde. Het hondje brengt, zo lijkt het, een balans tussen de frustraties en de ambities van de jonge advocate, die zich met een doordringende en niet te imiteren stem self-esteem noemde, een soort test die de levenden van de doden scheidt.
Het Engels was geen enkel probleem meer voor me maar het erotisch jargon had ik nog maar nauwelijks onder de knie. Alma uitte haar gevoelens met een hoop gebaren, was perfect bruikbaar in bed en bood het voordeel dat ze me binnensmokkelde in haar kamer zonder dat iemand het wist, een paar keer per maand voor één of twee uurtjes, zelfs drie. De justitiële en ethische retoriek die ze gaf irriteerde me, maar ik kwam met regelmaat terug, in het geheim, op de zestiende etage. Ik ging echter niet naar de begrafenis, hoewel alle bewoners dat wel deden, niemand verdacht me ervan dat ik een bepaalde speciale relatie met de dode had. Het ongeluk de geliefde. Ik was geobsedeerd door het beeld, ik had geen begrafenisceremonie nodig. Bij de begrafenis had ik Alta kunnen leren kennen, de tweelingzus van Alma waarover de buren enthousiast over bleven vertellen..
Net een jaar later kwam Alta de lift binnen. In de plaats van een hondje had ze een fiets bij zich met en aan het stuur hing een boek van Henry Miller. Ze was danseres, ze had een vriendelijke en vrolijke manier om de seksuele operatie in te leiden.
– Laat mij beginnen. Zo, tussen de lippen. Hij groeit. Hij gaat groeien. Niet komen, niet komen want ik bijt. Kijk, hij groeit, niet komen, zo lang je kunt.
Haar stem werd helder, elk spoor van de zware stem verdween. Alta rookte al ruim
tien jaar niet meer
– Goed zo, kom niet klaar. Hou vol. Je hand hier, op de juiste plek, op het kookpunt. Hier, hier ga je naar binnen. Zachtjes, krachtig, zoals ik je gezegd heb. Zachtjes, zachtjes en krachtig.
Op een zaterdagavond, bedacht ik een smoes dat ik een hevige migraine had om
niet met mijn familie in het weekend naar de bergen te gaan.
Ik heb de hele nacht bij Alta geslapen. Ze wilde deze extravagante gebeurtenis al een lange tijd, ze vertelde me steeds mee dat ik een risico nam. Binnenkort zou ze gaan trouwen, ze wilde de hele nacht met me delen.
Een pijnlijke vreugde, ongezond, de late extase van de laatste nacht, naast het mooie en krachtige lichaam van toen.
Een diepe slaap, jong, per ongeluk. Een zware vracht van lichtgevende, witte rook. Tram 17. Rachele stapte vrolijk uit, met een lange en rode mantel, met de kleine Micro in haar armen. We omhelsden elkaar emotioneel, ik duizelde van de grote hoeveelheid van de giftige stof, de begrafenisjas, ik vocht tegen mijn tranen. Mijn neusgaten werden gevuld met zoete snotjes, net als vroeger. De nachtelijke lustopwekkende geur, de bewusteloosheid, het wilde moment, de fatale drugs van de ouderdom.












