De verhalen van de geograaf

Ştefan Agopian | March 01, 2009
Translated by: Jan Willem Bos

 

De verhalen van de geograaf

De dagen waren toen lang, schijnbaar voorgoed van duisternis ontdaan, stoffig en triest. Ergens vandaag vertraagde Hij, met een oneindige blik, omgeven door engelen, onze gang, schonk ons rust. Ons speeksel werd uiteindelijk als pluizige watten en onze woorden waren verloren gegaan. Wij hielden de pas erin in een slangachtige stilte en de scheef gevallen zon bedekte de vlakte met bloed. Waardig wilden we, met onze wapens in onze armen, zijn.

            Als een onuitputtelijke oorlogsmachine liet de Armeniër zijn voetstappen in de richting van het groenige water rollen, van die stinkende zomp. In de stoffige lucht volgde Ioan hem van dichtbij als een fantoom. Het licht glipte tussen hen in, broos, en duwde hen uit elkaar.

            ‘Wij zullen hier verwijlen, kerel, om onze gebeden te zeggen,’ sprak de Armeniër.

            ‘Ik ga het alfabet opzeggen!’ zei Ioan met een apathische blik, ‘want zoals je kunt vernemen uit de mystische literatuur, bevat het alfabet alle gebeden, ja zelfs de communicatie met de engelen.’

            ‘Ja, kerel,’ sprak de Armeniër terwijl hij zijn stoffige harnas aflegde, ‘en Philander von Sittewald deed dat net zo, en een Zwaab of een Batavier, dat schiet me op dit moment niet te binnen,’ zei hij, en onderwijl keek hij naar de stapel ijzerwaar die hij zojuist had uitgetrokken. ‘Nicolaus Grudius, die zijn brieven afsloot met de aangename formule: “Het ga u goed, verheven seigneur, en hij verwacht binnenkort een gunstig antwoord,” heeft gezegd dat het juist is wanneer de mens zich niet laat bedroeven door onwetendheid.’

            En bij die woorden vertoonde de Armeniër zich naakt aan Ioans blikken, en Ioan, de gemelijke geograaf, deed hem na. Twee reusachtige stapels ijzer lagen aan hun voeten, verslagen door hun witte en uitgeteerde lijven.

            ‘Galen!’ zei Ioan, ‘die adviseert een zwavelbad na een nederlaag in de strijd.’

            ‘En dat niet alleen!’ sprak een klein gebouwde bouquiniste, die ergens vandaan was opgedoken in zijn Joodse kleding. Onder zijn arm droeg hij een bundel boeken, die hij voor hen openvouwde. ‘Koopt u maar, heren!’ zei hij, en hij deed een stap achteruit.

            Tien boeken lager uitgespreid op de grond in de volgende orde: Catalogus plantarum sicularum, Mundus Subteraneus van Kircher, Descartes: Les Passions de l’âme d’Indangine; Chiromance et Physiognomie verschenen in Rouen, een werk zonder titel van Pseudo-Aristoteles, Encelius: De re Metalica, Hieroglyphica, valse vertaling uit het Egyptisch, Pellegrini: Del concetto poetico, vol met ezelsoren, Olahus: Processus Universalis, alsmede Comenius met het werk genaamd Pampaedia.

            ‘Deze boeken,’ zei Ioan terwijl hij ze bekeek, ‘doen mij terugdenken aan betere tijden, toen ik ze las.’

            ‘Koopt u maar, heren,’ sprak de bouquiniste Herzog opnieuw, ‘en de van oorlog verstoken tijden zult uwe heerschappen telkens opnieuw beleven.’

            De zon scheen scheef en rood en triest als een koralen bol aan het einde van hun blikveld, en beroerde in heftige mate hun gemoed.

            ‘Wellicht is de bol van de Antiterra net zo,’ zei Ioan, terwijl hij naar die zon keek, die zijn blik belemmerde met licht als een purperen sluier, als een morsige mantel.

            Gelijk twee keizers oogden ze toen, triest en naakt en ongetroost. Ernstig begaven ze zich naar het water, stapten in het groenige spinnenweb.

            ‘Het is warm als soep, kerel,’ zei de Armeniër, die voelde hoe bij het stappen zijn voeten wegzonken in het donzige slijk, en hij genoot van dat bepaalde gekietel en van het gekietel van het water op zijn uitgeputte lichaam. En al gauw waren van hen slechts nog hun hoofden te zien, die op een porfieren dienblad leken te liggen, in een stilzwijgend en eeuwig afwachten.

            De bouquiniste Herzog kwam naar de waterkant en las hen voor uit het boek genaamd Pampaedia en wel uit het hoofdstuk ‘Pandidaskalia’, waar geschreven staat: ‘Maar wat is in wezen een pandidaskalos? Dat is een kenner van de Pampaedia.’

            En verderop: ‘Opdat de pandidaskalos werkelijk zij wat hij moet zijn, moet hij zijn didactiek een drievoudig doel stellen: universaliteit, eenvoud, spontaneïteit.’

            Hij las hen voor met genoegen en intonatie en bezorgde hen onuitsprekelijke vreugde, want dit was zoals zij beiden toen dachten.

            Vervolgens spraken zij over de baadster Bathseba, zij van bij de Schapenpoort in Jeruzalem, waar soms een engel het water vertroebelde en die troebelheid bewerkstelligde de genezing van hen die zich het water in haastten. En over de lamme die na achtendertig jaar door Jezus genezen werd...

            En toen herinnerde Ioan zich een gebeurtenis die hem was overkomen en hij begon te vertellen.

 

 

1. Het verhaal van de Kakodemon van Cantemir

 

In het jaar 1800, toen ik wat geld ter beschikking had, besloot ik op reis te gaan, en dat niet om iets te weten te komen wat ik nog niet wist, maar omdat ik net was opgestaan van een ziekbed en mijn lichaam en geest rust behoefden. Ik kocht een bijbel, maakte een bundel van mijn spaarzame bezittingen en op een warme en heldere ochtend ben ik op pad gegaan. We bevonden ons aan het begin van een mooi najaar, de ideale tijd voor een reis.

            Ik koos geen bepaalde weg en zelfs nu zou ik niet kunnen aangeven door welke poort ik Boekarest heb verlaten, aangezien ik mij daar zo weinig om bekommerde. Ik was alleen blij weg te gaan en geen zorgen achter te laten en geen zorgen voor me te hebben op de reis die ik had aangevangen. Op een gegeven moment heb ik een wat steviger tak opgeraapt en door deze als wandelstok te gebruiken, is hij mij lange tijd een goede metgezel geweest.

            De eerste dag van mijn tocht verliep in alle rust en in het gulden licht van die herfst. Ik had een brood bij me en aangezien langs de rand van de weg volop wilde pruimenbomen groeiden, hoefde ik nergens te stoppen om te eten. Nooit had ik kunnen indenken dat brood met pruimen een zo overvloedige maaltijd zouden kunnen vormen. Tegen de avond maakte ik een slaapplaats in een hooimijt en in het schemering van die dag sloeg ik de bijbel open en las deze woorden:

 

‘Heer, mijn hart is niet hovaardig en mijn ogen weten niet wat aanmatiging is; ik streef niet naar dingen die te moeilijk en te hoog gegrepen voor mij zijn. Integendeel! Ik heb mijn hart gekalmeerd en doen bedaren! Zoals het gespeende kind naast zijn moeder zit, zo, als een gespeend kind, is mijn ziel in mij. Israël, vestig je hoop in de Heer, nu en in de eeuwigheid.’

 

en een grote vrede daalde over mij neer, gelijk met de duisternis. En boven mij, over de vlakte, verscheen mij de baaierd van sterren lieflijk en vol van een heimelijk en gelukzalige beduidenis. Na een tijdje viel ik in slaap. Ik weet niet hoeveel ik geslapen heb of hoe laat het was toen ik verkleumd wakker werd. Een maan als een vette worm was opgekomen aan die nachtelijke hemel. Ik had het koud en had dorst. Ik kwam overeind op mijn ellebogen en keek. Het was een nacht als een goed gepolijst bot waarin ik elders had verwijld. En wederom, en wederom werd alles echt en droevig en kil en onbegrensd, niets dat mij kon bemoedigen. Ergens hadden de eenzame bomen, de pruimelaars, hun fruit afgeschud, hadden dat gewenst. Naast het vuur riep de Kakodemon van Cantemir naar me: ‘Kom hier, kerel, om je te warmen en een boom op te zetten.’

            Het was een oude en hooghartige kakodemon. Hij had zijn staart om zijn lichaam gewikkeld en staarde in het vuur. Hij keek me niet aan toen hij wederom sprak: ‘Er is hier geen lol te beleven!’

            Pas toen werd ik goed en wel wakker en als een rotte en niet pijnlijke kies was ik en krachteloos en sterfelijk voor die nacht. Ik klauterde uit de hooimijt waarin ik gelegen had en ging naast het vuur zitten. De Kakodemon van Cantemir had een zak robijnrode wijn die we aan elkaar doorgaven en waarvan we zwijgend dronken. Vanuit mijn ooghoeken nam ik met steelse blikken mijn buurman in ogenschouw. Hij had een gezicht als een gedroogde pruim, maar van een andere kleur, als wanneer je saffraangeel met oker en met een beetje blauwsel zou vermengen. Hij keek de hele tijd met één oog naar me, terwijl hij met het ander in de tegengestelde richting blikte, recht naar het sterrenbeeld Cassiopeia dat net op dat moment onverschillig aan de hemel was verschenen. Zijn kleren waren afgedragen en groen, kakodemonen hebben altijd een voorliefde gehad voor de kleur groen, ik weet niet waarom, en hij had lange, tamelijk vieze nagels en aan zijn vingers veel tinnen en messing ringen. Hij had zijn schoeisel uitgetrokken, gewone rijlaarzen en lange tijd bewonderde ik zijn hoeven. Zijn staart had hij, zoals ik reeds vertelde, om zijn lichaam gewikkeld. Ik had het warm gekregen en begon onverschillig en zwijgzaam te worden. Hij leek ook geen zin te hebben om te praten, maar niettemin zei hij: ‘Heb jij soms wat tabak?’

            Ik haalde mijn tabaksbuil tevoorschijn en stak die hem toe. Hij pakte hem aan en ik weet niet wat hij ermee heeft uitgehaald, maar daarna heb ik hem niet meer teruggezien. Ik ontbeerde de moed hem terug te vragen, zodat ik een tijdje deed of ik nooit een tabakszak had gehad, al zat ik eerder daaraan te denken dan aan iets anders. Ik schraapte mijn keel vanwege het verlies en dronk weer uit de wijnzak. Het vuur was al geslonken toen ik zei:

 

            Hij wendde voor me niet te hebben gehoord, dus herhaalde ik het, terwijl ik hem strak aankeek hoewel dat een ongehoorde vermoeidheid van mijn oogspieren met zich meebracht, dus spreidde ik mijn blik zoveel mogelijk en zei: ‘Die wijn is niet slecht,’ maar onderwijl bleef ik hem aanstaren en met bedaarde stem.

            Hij lachte de stompjes van zijn tanden bloot en een ezel die ergens vandaan was gekomen lachte ook en ontblootte spottend zijn reusachtige kiezen.

            Grote gele tabaksbladeren begonnen uit de hemel neer te vallen, recht op de smeulende as van het vuur en brandden een tijdje met blauwige vlammen. Hun aroma verspreidde zich over de omgeving, zoetig en zuur, en omhulde ons. De sterren begonnen op een gegeven moment onder te gaan en een kille wind legde zich over onze schouders, we waren verkleumd. We dronken weer uit die wijnzak en waren spraakzaam geworden.

            Ik zei: ‘Op dit tijdstip is Odysseus net bezig de vrijers te vermoorden, die fijngevoelige en inhalige prinsen.’

            Hij lachte in zijn baard en haalde een uurwerk met één wijzer, die welke de uren aangeeft, en zonder glas tevoorschijn, legde dat tegen zijn oor en luisterde een tijdje, er was niets te horen, hij schudde eraan, maar er was nog altijd niets te horen, verbitterd wierp hij het uurwerk in het vuur en zei: ‘Ja!’

            En het uurwerk werd een zwarte vlek die tikte en met een lange zwarte wijzer drie uur aangaf. Hij pakte hem uit het vuur en stopte hem in zijn zak.

            ‘Hij was blijkbaar bevroren!’ sprak hij. ‘Ja, hij was net klaar met het vermoorden van die fijngevoelige en inhalige vrijers!’ zei hij terwijl hij zich op zijn zij liet zakken.

            Hij haalde ergens vandaan een gouden tandenstoker tevoorschijn en begon tussen zijn stompjes te pulken. Klapwiekend maakten log twee armstoelen hun opwachting. Terwijl hij opstond, nodigde de kakodemon me uit in een ervan plaats te nemen, ik ging zitten, vervolgens hij ook. Als twee koningen zaten we daar, de heerschappij uitoefenend over de vlakte.

            ‘Zo is het weer ongeveer,’ sprak hij, ‘wanneer de vrijers worden vermoord.’

            Een briesje stak op en streelde ons, gezeten op die twee vergulden armstoelen, en kwellende gedachten bedrukten ons.

 

 

2.                  Het verhaal van de vrijers, verteld door de Kakodemon

 

‘Vrijers zijn vijandelijke dieren,’ zei de kakodemon, stram in zijn armstoel, en zijn gouden tandenstoker fonkelde in het schijnsel van de maan, ‘en vol van bekoring, met verlokkelijke blikken en kronkelende slangachtige bewegingen,’ sprak hij, ‘die stroopsmeerders,’ sprak hij. ‘Er is geen Turks bad waar je hen niet tegenkomt, ze zitten te dobbelen op de trap naar het water, je struikelt over hen, je zegt neemt u mij niet kwalijk, zoals een bereisd man betaamt, zij trekken zich er niets van aan, zij gaan gewoon door met hun parfumeringen. Je steekt je been uit, je krast met je duimnagel over de rug van iemand die flink is ingesmeerd met vervloekte geparfumeerde oliën, om op een of of andere manier zijn aandacht te trekken, het water fonkelt een beetje smerig en aanlokkelijk. Zo krab je een tijdje, maar het is alsof je aan een kerkmuur met een dikke pleisterlaag krabt.

            Op een dag, de klok had zojuist een uur na midderdag geslagen, had ik mijn zinnen gezet op een sorbet en een koel glas water, ik was welhaast mezelf niet meer van begeerte, terwijl ik door de buitenwijk liep met die luie gedachte in mijn hoofd en een sliert kinderen in mijn kielzog.

            “Dat is de duivel zelve,” zei een buurtbewoner, terwijl hij me aandachtig bekeek, maar het was zo warm, dat hij zich niets gelegen liet liggen aan wat hij zei, en ik liet mij er ook niets aan gelegen liggen.

            Ik was gekleed naar de westerse mode en dat hielp mij in zekere zin, want met de hoge hoed kon ik mij koelte toewuiven, doch niet voldoende, het was een kleffe warmte als in een bazaar, het licht stroomde als noga over de wereld en maakte hem plakkerig. Ik weet niet hoe het kwam, maar ik niesde, en uit mijn nies ontstond een gat in de warmte en in dat gat verscheen een opgedirkte en winterse Griek die mij begon te lokken naar precies datgene wat ik meer dan wat dan ook verlangde, een sorbet en een Turks bad. Twee stekelige en ondermaatse acacia’s scheurden mijn kleding, ik brak een stekel af en spoorde mijn Griek ermee aan, die gehoorzaam de pas versnelde. Het was een eindeloos lange weg tussen tot as vergane bomen en rossige kerken en stinkende plassen, luierend onder eendenkroos en spiraalwier. Wie weet waar ik heen ging en waar ik vandaan kwam. Het meridiaankanon daverde over de stad om het westerse uur aan te kondigen. Het werd plotseling vier uur en de zon plaatste zich enigszins schuin boven ons hoofd om ons het echte tijdstip te tonen. Ik had de leegte en de velden achter me gelaten, dikke en gladde kasteleins noodden ons hun koffiehuizen binnen, zoete aroma’s omhulden ons, bedwelmende drankgeuren, een enorm verlangen daalde over ons neer, maakte zich van ons meester. Achter de Griek aan stapte ik voort door nauwe en stoffige stegen.

            “We zijn er zo!” zei hij, en bij die woorden glinsterde de overwinning in zijn blikken.

            De dampen van het Turkse bad troffen ons van tevoren, ik kneep mijn ogen tot spleetjes samen en zag het ietwat scheef bungelende uithangbord, beschilderd met rode en groene verf: “Turks badhuis”, en aan de zijkant was een zwetende dikzak geschilderd, die ons een gele en tevreden blik toewierp. Ik kwam zo dichtbij ik kon en krabde met mijn nagel aan die gele blik om hem te bestuderen. De dikzak opende zijn mond en zei: “Welkom!”, en nadat hij dit woord had gesproken, werd zijn mond tot een oog dat ons honingzoet aankeek.

            “Laat ons naar binnen gaan,” zei de Griek, en het koude zweet liep tappelings door mijn lichaam.

            Ergens werd de zon zo klein als een dood kinderhoofd. De dikzak lachte vanuit de muur als trek in pilav en watertandend sprak de dikzak opnieuw: “Welkom!”

            Scheef glanzend boog het uithangbord zich naar ons toe, en de rode en groene letters versmolten in mijn geest, waar ze zich vergaarden: “Turks badhuis,” las ik. De dikke Trimalchion knikte beamend en een luie deur opende zich naar ons toe. We stapten op tegels van malachiet in een koele en eeuwige halfschaduw. Een dunne en welriekende rook omhulde ons en een man met een waterpijp, die er in kleermakerszit bedaard aan zat te lurken, zei: “Ik ben de eigenaar!”

            Omdat het mij genoegen deed dat hij de eigenaar was, zei ik: “Dat doet me genoegen!”

            Het gekabbel van het water klonk ergens in de verte. Mijn Griek was ik-weet-niet-waar verdwenen, ik gaf nergens meer om toen ik zei: “Ik zou willen baden!”

            Hij keek mij verbaasd aan, kwam overeind, mager en lang, en zei met een willekeurige stem: “Het zij zo!” Hij klapte in zijn handen en er verschenen twee vetzakken die mij onder de oksels grepen en me begonnen weg te dragen. Toen we bij het water kwamen, gaven ze mij een zet en ik viel in het bad als in een trog. Een van hen wierp mij een erg beduimeld boek toe met de woorden: “Lees dat maar, om de tijd te doden!”

            Het boek dobberde op het water, geopend, en toen ik het naar me toe trok, las ik: “En de bandelozen die nog waren gebleven uit de tijd van Asa, zijn vader, heeft hij uit het land verjaagd.”

            En verderop: “Hij betoonde eer aan Baäl en aanbad hem en schoffeerde de Here God van Israël, zoals zijn vader had gedaan.” Nadat deze woorden mijn ziel hadden gestreeld, zonk het boek naar de bodem en was er niets meer van te zien. Verheugd over wat ik gelezen had, beende ik heen en weer door het water, dat nu eens warm, dan weer koud was, en daar waar het warm was, strekte ik mij uit op de trap en probeerde een dutje te doen. Toen ik ontwaakte, waren er veel meer onbestemde geluiden en een aangename duisternis was over ons neergedaald, terwijl het kabbelen van het water mij in herinnering bracht wat er allemaal gebeurd was en waar wij waren. Een wittige dikzak drentelde om mij heen, strekte zich zelfs naast mij uit en toen hij mijn staart zag, werd hij zo blij als een onbenul en kon zijn ogen er niet van afhouden.

            Tenslotte zei hij: “Mag ik hem even aanraken?” en hij stak ook een hand als een courgette uit met het oogmerk mij bij de staart te pakken. Witte vlekken, lichte lichamen poedelden om mij heen, slaakten onbezonnen kreten, groenig en gestoord. Mijn dikzak zuchtte zoals wanneer je een te grote brok doorslikt van eten dat je lekker vindt en zei: “Wacht even, kerel, want je gaat er niet dood aan!”

            Ik kwam overeind en zwaaide mijn staart onder zijn neus, maar het was duidelijk dat dit hem grote vreugde bezorgde, want van wit werd hij rood en hij loeide als een rund dat geslacht werd. Het gedartel om mij heen was verhevigd en toen verhief ik mij met één sprong boven hen, het dak opende zich voor me en al gauw bevond ik mij midden op de weg in het stof, en het water dat van mijn lijf stroomde, verzamelde zich om mij heen, steeds meer en steeds stinkender, er ontstond een reusachtig moeras dat mij loom begon op te slokken.’

 

 

3.                  De woordenstrijd van de pandidaskaloi

 

Een alcoholachtige morgen omhulde ons tegen het einde, bleek en rijzig zaten wij in onze armstoelen en onbuigzaam. De kilte van de nacht en de nevel waren samengekomen in onze oogkassen, zonder onvervulde verlangens waren we toen op de vlakte. Onze gedachten, koele en natuurlijke vogels, cirkelden niet langer verdwaasd om ons heen. Een bleekblauwe hemel omvatte ons, van een andere wereld en een ander leven en andere voorvallen.

            De stad toonde zich rossig aan onze blikken. We liepen door nauwe straten, uitgemergelde honden keken ons boosaardig aan, wij schonken ze geen aandacht en baanden ons een weg door de menigte. De buitenissige torens wachtten ons op als borsten in de hemel. Die torenklokken begonnen plotseling een eeuwig uur te slaan.

            ‘Het is tijd!’ sprak de kakodemon. ‘Laten we gaan!’

            Ik ging achter hem aan en spoedig kwamen we uit op een rond plein met meerdere fonteinen, bevolkt door draken en chimaera’s. Op een reusachtig gebouw als een gemeentehuis wapperden veelkleurige vlaggen. We liepen om een fontein heen om dat gebouw te bereiken. Niemand kwam ons tegemoet, maar de kakodemon leek daar geen probleem mee te hebben.

            Het congres der pandidaskaloi was al begonnen toen wij arriveerden. Iemand met een toeter schreeuwde iets vanaf het spreekgestoelte en oude heren bewogen hun spreekhoorns om op te kunnen vangen waar hij zich zo over opwond. De Kakodemon van Cantemir trok me met zich mee en wij namen plaats aan de tafel van het presidium, waar vier kakodemonen met verzuurde gezichten de vergadering voorzaten. Ik trok een zo zuur mogelijk smoel en begon te luisteren. Die man met de toeter bleef maar iets staan brullen dan mijn geest niet kon bevatten, maar omdat allen naar hem leken te luisteren, probeerde ik dat ook te doen, wat mij lange tijd niet gelukte. Ik was meer geboeid door de bewegingen van de spreekhoorns van de toehoorders. Op een gegeven moment werd het mij, als vanuit een nevel, duidelijk. Het ging over de bonen die de Grieken kyamos noemen en van het nuttigen waarvan Pythagoras zich onthield. En hoe hij, namelijk Pythagoras, een hekel had aan koks, jagers, trekdieren en rammen.

            Sommige van de pandidaskaloi hadden hun spreekhoorns neergelegd en waren in applaus losgebarsten, de overigen keken nors toe. Toen het applaus was bedaard, vroeg een oude pandidaskalos, bij wie het slijm uit de mondhoeken omlaag droop, het woord en de kakodemonen van het presidium verleenden het. Hij kwam naar het spreekgestoelte, haalde ergens vandaan een porseleinen kunstgebit tevoorschijn en stopte dat in zijn mond. Nadat hij dat gedaan had, dronk hij water uit een karaf en begon aldus: ‘Pythagoras was aanvankelijk Aithalides, zoon van Hermes, daarna was hij Euphorbus, daarna was hij Hermotimus, daarna was hij Pyrrhus, visser van Delos, pas naderhand, na al dezen, was hij Pythagoras.’ Hier verslikte hij zich en door zijn hoestbui kon hij lange tijd niet praten, maar hij hoestte zo goed dat allen meenden dat hij verder sprak en ze knikten instemmend en toen hij uitgehoest was, applaudisseerden ze, echter ditmaal de andere helft van de pandidaskaloi.

            Hij was nog niet klaar, zoals ik gedacht had, want hij zei: ‘En laten we dan nu eens kijken was Iamblichus hierover te zeggen heeft.’

            En hij begon het feest te beschrijven dat Pyrrhus, de visser van Delos, had gegeven, toen zijn tweede dochter in het huwelijk trad met een zeker Brontinus, de vertrouwensman van de tiran Polycrates, in een jaar dat de kyamos-boon overvloedig was.

            De winter viel plotseling in terwijl de oude pandidaskalos sprak, de ramen klapten met een vrolijke ruk open en sneeuw dwarrelde over ons neer, die sneeuwstorm ontnam ons het zicht. Ik keek. Hoge sneeuwhopen hadden het plein bedekt en een eeuwig licht sijpelde uit de lucht, telkens en telkens opnieuw. Onverstoorbaar zei de pandidaskalos: ‘Maar wat is de boon die de Grieken kyamos noemen?’

            Hij klapte in zijn handen en twee bedienden brachten een reusachtige, dampende schaal met een lepel en zetten deze voor hem neer. Hij stopte de lepel in de schaal en kwijlde luidruchtig, vervolgens begon hij te eten zonder zich nog ergens iets van aan te trekken.

            Tussen twee happen door zei hij: ‘Het is goddelijk!’

            De pandidaskaloi uit zijn kamp applaudisseerden blij. Al gauw had de gulzigaard op het spreekgestoelte de inhoud van de schaal verorberd, hij boerde toen tevreden en zei: ‘Dit deed Pythagoras ook!’

            Een pandidaskalos legde zijn spreekhoorn neer en terwijl hij naar het spreekgestoelte kwam, stelde hij zich voor als dokter in de geneeskunde en nadat hij een buis tevoorschijn had gehaald, legde hij die op de buik van degene die de kyamos-bonen had gegeten om te luisteren wat er zich in diens pens afspeelde. Vervolgens voelde hij hem de pols, bekeek de tong die de redenaar gehoorzaam zo ver mogelijk had uitgestoken en verklaarde hem tenslotte kerngezond. Er steeg gejuich op en de verslagen pandidaskaloi verlieten somber de zaal.

 

 

4.                  Het banket van de pandidaskaloi

 

Het banket van de pandidaskaloi begon rond acht uur ’s avonds in de salons van het Gemeentehuis. Iemand had de sneeuwstorm gestuit en het plein met de fonteinen werd nu verlicht door duizenden fakkels. De chimaera’s van de fonteinen hadden een bevallige dans aangevangen, waarbij ze de sneeuw verstrooiden alsof er vuurwerk werd afgestoken en een loflied ten gehore brachten ter ere van de zegevierende pandidaskaloi. Duizenden veelkleurige rijtuigen voerden de pandidaskaloi aan, vanwaar zij hadden verkozen te zijn voor het begin van het feest, en zetten hen af voor de marmeren trappen van het Gemeentehuis, dat door twee bedienden in livrei voortdurend werd schoongeveegd van de sneeuw die de wielen van de rijtuigen opwierpen. Een menigte vreedzame burgers van de stad was nieuwsgierig te hoop gelopen op het plein en door hun hete ademhaling begon de sneeuw op een gegeven moment te smelten en zich te verzamelen in zilveren plasjes. De genodigden arriveerden voortdurend en wanneer de kakodemonen verschenen die het congres hadden geleid, herkende de menigte hen en begon hoera te roepen en te applaudisseren. Zij zwaaiden met hun staart ten teken van dank, terwijl de ordebewaarders ruimte voor hen maakten, waarvoor ze korte en knoestige knuppels gebruikten. Een semi-officiële schilder zette haastig een pentekening op waarin gemakkelijk het Gemeentehuis en de vier kakodemonen met hun zwaaiende staarten vielen te herkennen. Hij werd onderscheiden met de orde van de Zilveren Pandidaskalos en bevorderd tot de rang van Stadsridder. De chimaera’s zongen ter ere van hem een kort loflied.

 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Stelian Tănase
Translated by: Jean Harris

From Maestro: A Melodrama. Episode 7

Emiluţa has an unfortunate thought. She’ll throw herself off the top of the building. Why? What the fuck? Let’s say for the cause of PeaceonEarth, for the slumdogs, Europe, for the lonely. Which is to say she doesn’t have a ghost of a reason. Viva Walachia! The way things stand, if ...

Translator’s Note
Translator’s Note: a synopsis
Author: Ştefan Agopian
Translated by: Ileana Orlich

How I Learned to Read (from Tache de Catifea / The Velvet Man)

The bearded man was the owner of an apothecary shop where he worked with two apprentices. Nobody paid me any mind, so I spent all day in what was supposed to be the shop. I say this because it was a large, dark room full of odors—a mix of smells from everywhere. The room hadn’t been cleaned ...

Translator’s Note
Re: Learning to Read, from Tache de catifea / The Velvet Man
Author: Gabriela Adameşteanu
Translated by: Patrick Camiller

Wasted Morning - Napoleon in Bucharest

“What you’ve got here is heaven on earth,” Vica says as she drops onto the kitchen chair. “But where’s your mother?” “At work,” Gelu lazily replies, leaning sideways against the door. “She’s doing mornings this week, didn’t you know?” He is tall and thin, with unset ...

Author: Petre Ispirescu
Translated by: Jean Harris

Youth Without Age and Life Without Death

It happened once as never before-y, ‘cause if it couldn’t be true, it wouldn’t make a story about the time when the poplar tree made berries and the willow tree broke out in cherries, when bears began to brawl with their tails, and wolf and lamb, unfurling their sails, threw arms around each ...

Translator’s Note
On Petre Ispirescu
Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx