De schaduwen van de dragonderkapitein

Filip Florian | May 01, 2009
Translated by: Jan Willem Bos

 

De schaduwen van de dragonderkapitein
In de maand juni, wanneer de zonnewende nabij is, maakt de vroeger zijn opwachting dageraad dan in enige andere tijd van het jaar. Die keer echter, op een woensdag, liet de zonsopgang het afweten. Het met valiezen, tassen en hutkoffers beladen rijtuig zette zich met een korte ruk in beweging, een van de paarden (een grauwe en fors gebouwde merrie) brieste en probeerde in de teugels te bijten, het andere (een roodvos met een lidteken op zijn hals) liet zijn borst opzwellen en in mand van wilgentenen bracht Siegfried de kater een hartverscheurend gemiauw voort. De groene luiken van het pension, de massieve deur, de waterton op de binnenplaats en de bos margrieten bij de voordeur verloor de tandarts uit het oog, maar hij zag wel de lapjeskat over de bovenkant van schuttingen rennen, met handige en snelle pasjes, huppelend over gebroken dakgoten in een halsstarrige poging het tempo van de paarden bij te houden. Hij had de indruk dat ze een fraai exemplaar was – en drachtig. Op een kruispunt van wegen, waar het rijtuig de zuidelijke richting insloeg, moest de poes moe zijn geworden of vast zijn komen te zitten in de plassen, want hij verloor haar uit het oog, en al gauw, in de straten die vanaf de Oberbaumbrücke liepen, bedaarde Siegfrieds onrust en staakte hij zijn klaaglijke gemiauw. Hij rolde zich op in zijn mand, zijn zwarte oor gespitst en de punt van zijn staart in de lucht, terwijl Herr Strauss, wiens migraine hem nog niet met rust liet, door de met modder besmeurde ramen naar de wolken keek, naar de nog nauwelijks ontwaakte kades, de eindeloze rijen huizen langs de oevers van de rivier de Spree, de rookpluimen die uit honderden schoorstenen omhoog kringelden, het kalm voortstromende water waarin zich een zwarte hemel weerspiegelde die regen voorspelde. Hij dacht aan het sissen van de kookplaten in zoveel keukens, hij werd stevig door elkaar geschud toen het rijtuig de brug overstak, hij had een hol gevoel in zijn maag, misschien als gevolg van het gebolder, misschien vanwege het bier en de champagne van de vorige avond, misschien door de aanblik van de worsten, kaantjes en krabbetjes die in ieder huis werden gebraden, misschien door toedoen van dat vergezicht dat juist op dat moment verdween, alsof een onzichtbare hand de contouren en de kleuren van een welbekend schilderij had uitgewist.
             De storm stak op aan het einde van de ochtend, ongeveer een uur nadat de tandarts erin was geslaagd over te geven en zijn duizelingen enigszins kwijt te geraken. Niet de weinig energieke donder en bliksem dwongen hem te schuilen, maar wel de striemende windvlagen met kille regendruppels. Ze stopten bij een tussen de heuvels gelegen herberg, waar een man en een vrouw bezig waren de muren te witkalken, terwijl een slungelig meisje zonder enthousiasme de vloer schrobde. Vanaf zijn plekje naast het raam, met een mok hete melk tussen zijn vingers, had Joseph ampel tijd om waar te nemen dat de koetsier, doorweekt als hij was, ervoor zorg droeg de paarden te tuieren in een ruime schuur, dekens over hen heen legde en haverzaken om hun nek hing. Binnenhuis hanteerde de herbergier gehaast de witkwast waardoor hij zich een ongeluk zweette (hij nam steeds zijn verstelde hoed af en wiste zijn kale hoofd af met een doekje), de vrouw kreunde en verhief zich steeds op de punten van haar tenen (deze inspanning viel haar zwaar met haar mollige lijf), het meisje schoof op haar knieën heen en weer, waarbij haar hemdje losraakte uit haar rokband (zodat een bleek en met sproeten overdekt stuk huid van haar rug aan de blikken werd blootgesteld). Vreemd genoeg slaagden de kalk en het loog er niet in de geur van brandwijn, cider en rook uit het vertrek te verjagen. Een zurige geur die zijn holle maag van streek maakte. Later, bij de lunch, bracht een oude vrouw hem een eendensoep met erwten en de kater moest genoegen nemen met de botten en zeentjes die van een bout waren overgebleven. Hij raakte ze niet eens aan.
             Toen de aarde enigszins opgedroogd was door de wind en door het middagzonnetje dat de wolken had gefopt, zette het rijtuig zich wederom in beweging. Een kalme draf die dadelijk overging in een galop voerde de dokter naar het middelpunt van die ongeëvenaarde reis (was die gezegend? vervloekt? dat liet zich onmogelijk raden), een reis vol omtrekkende bewegingen en risico’s, gefragmenteerd en vreemd, waarvan hij zichzelf aanspoorde te geloven dat deze geen onherstelbare fout zou blijken te zijn, de langste reis van zijn leven, de enige belangrijke, zo belangrijk dat hij hem soms vergeleek met de reis naar de andere wereld, hij was immers onderweg naar een weelderig oord, in ieder geval een oord dat rijk, zeer rijk was aan graan, zoals een koopman in specerijen hem had verteld. Hij volgde in de sporen van de dragonderkapitein als een vertraagde schaduw, omdat hij diens stappen en bewegingen nabootste op zeven weken afstand, precies dezelfde route volgend, waarbij hij diens adviezen in acht nam en diens geld uitgaf. Na het epistel van medio april, dat hij ijlings en vol erkentelijkheid met een bevestiging had beantwoord, had Herr Strauss anderhalve maand later, uit handen van een schrale functionaris, een nieuwe envelop ontvangen, ditmaal vergezeld van een in waspapier gewikkeld pakketje. Met gebruikmaking van eencoupepapier met een verzilverd handvat had hij beide geopend, voorzichtig om de zegels niet te verbreken, waarvan het ene, dat van het huis van Hohenzollern-Siegmarinen, hem vertrouwd was, het ander hem volslagen onbekend, blijkbaar het kersverse insigne van de kersverse vorst. Zijn gewezen patiënt, Karl Eitel Friedrich Zephyrinus Ludwig, die nu de troon van een land met vijf miljoen zielen had bestegen, had hem een buidel met pijptabak gestuurd, waartussen hij zoveel groschen, guldens en florijnen had verborgen dat Joseph er duizelig van werd, alsmede een landkaart van het werelddeel waarop hij met rode inkt een route had uitgestippeld en met bruine kruisjes enkele sleutelpunten had aangegeven. In de brief zette hij nauwkeurig uiteen wat hij diende te ondernemen voor deze uitputtende tocht, vooral aangezien de oorlog met Oostenrijk op het punt van uitbreken stond en hij, als Pruisisch geneesheer, over vijandig grondgebied moest trekken, douane- en controleposten van de tegenstander moest passeren, argwaan en indringende vragen moest ondergaan. Er werd van hem verlangd dat hij zijn identiteit zou verhullen, hetgeen niet alleen betekende dat hij valse papieren op de kop moest zien te tikken, maar ook iets nogal bespottelijks, namelijk dat hij zich diende te ontdoen van de kleinigheden die hem eventueel konden verraden. Joseph Strauss had zich er met tegenzin, zelfs mokkend, naar gevoegd en gedurende een van de dagen tijdens welke hij zijn bagage in gereedheid bracht, had hij met een nagelschaartje de op zijn beddengoed geborduurde monogrammen weggeknipt, met zijn scheermes de letter ‘S’ van zijn dokterstas gekrabd, een diploma en enkele documenten verborgen in de voering van een met bont afgezette overjas en boek voor boek in handen genomen om de schutbladen die zijn eigen handtekening droegen eruit te scheuren.
             Van de grauwe (geenszins halsstarrige) merrie en de (vlijtige en eerlijke) roodvos nam hij afscheid op het station van Magdenburg. Hij betaalde de koetsier zijn honorarium, liet al zijn hebben en houwen over aan de zorgen van een kruier en trad, met de mand van wilgentenen over zijn arm, een nabijgelegen bodega binnen, bij het vallen van de schemering, toen een groenige lantaarn boven de ingang heen en weer slingerde. Hoewel hij forel in roomsaus had besteld, zodat ze gezamenlijk van het avondmaal konden genieten, weigerde de kater te eten. Dat was voor de elfde keer sinds hun vertrek. Stijf opgerold, met warrige vacht en met zijn voorpoten tegen zijn ogen gedrukt, wekte Siegfried de indruk ernstig ziek te zijn. De tandarts knipperde met zijn ogen, stak de brand in zijn pijp, liet rookwolken omhoog kringelen naar het plafond en nipte aan een bessenlikeurtje. Vervolgens brachten ze de nacht en de vroege ochtend door in de trein, met het gedender van de wielen, met het gepuf en de signalen van de locomotief, met de zomerse landschappen van de zuidelijke streken, met de onverstoorbare voorkomendheid van de conducteur en met het geklets van een nederige bankbeambte die op bezoek ging bij zijn zuster in een sanatorium in Graubünden. Pas in Zürich, op de zolderverdieping van een goedkoop hotel, naam Joseph zijn vriend in zijn armen, aaide hem stevig over zijn kruin en onder zijn kin, drukte hem tegen zijn borst en sprak op gehaaste toon tegen hem, legde hem dingen uit die de kater vast en zeker niet wilde horen, bijvoorbeeld waarom ze niet van begin af aan per spoor waren gereisd en zich honderdvijftig kilometer per rijtuig hadden laten voortslepen, waarom ze niet dadelijk in oostelijke richting waren gegaan maar een route naar het westen en het zuiden hadden genomen, zodat ze in Zwitserland waren beland, waarvoor er een vals paspoort nodig was, hoe de trommen van twee legers werden geroerd, hoe de strijdvaandel werden gezwaaid en hoe de troepen marcheerden, waarom de eigenaresse van het pension in Berlijn, zijn vrienden en de meisjes van de ‘Elf tieten’ in de waan moesten worden gelaten dat hij naar Stuttgart was verhuisd en niet mochten weten dat hij een avontuurlijk aangelegde vorst was nagereisd, waarom een koning een koning was, ongeacht de staat van zijn gebit, hoe het aanvoelde om gouden munten te tellen en in je vuist te klemmen, waarom klokken overal beierden en tenslotte waarom mensen ouder werden. Op dat punt aangeland, bij de woorden over tijd en leeftijden, schrok Siegfried op, hij spitste zijn zwarte oor (het witte bleef neerhangen) en stak het puntje van zijn staart in de lucht. De stem van zijn baasje was zachter geworden, het aaien was luier geworden, de lucht in het vertrek werd bedompter, waarschijnlijk door het hete dak en door de ontboezemingen die waren begonnen te stromen. Maar eerst sijpelden er, als uit een lek koffiekannetje, genoeg druppels oprechtheid door, deze druppels vergaarden zich in een kleine, ovalen waterplas die glinsterde in de kalmte van de namiddag, en toen begon het water omlaag te lopen, over de vloer, een dun, helder stroompje, een vloeistof die wel en niet te zien was, aangezien hij, door een gril van de scheikunde, uitsluitend bestond uit dromen, begoochelingen, verwachtingen, wonden, veronderstellingen en ijdelheden. Herr Strauss, die in het hartje van de afgelopen winter, in januari, op de achtste dag, de leeftijd van dertig jaar had bereikt, zei allerlei dingen, hij vertelde niet, hij zwamde niet, hij zei gewoon dat hij uit een doodlopende weg wilde geraken, dat er op de wereld volop tieten bestonden, in ieder geval meer dan elf, dat alles wat eentonig is afstompt, dat bier en schnaps lekker zijn, doch ook wijn niet te versmaden is, dat het in ieder stadje wemelt van de lapjeskatten, van de gevlekte, zwart-witte, grijze en gele katten, van de kreupele of weldoorvoede, schele, lamme katten in alle soorten en maten, dat een brand die je je moeder en zuster ontneemt je tot in de eeuwigheid pijn om het hart bezorgt, het verscheurt en verschrompelt als rookvlees, dat plotseling het moment is aangebroken waarop niets je nog aan iemand bindt, ook niet aan de mensen om je heen, dat het mogelijk is om voorbij een keizerrijk, drie bergketens en onmetelijke vlakten opnieuw geboren te worden, dat tandarts zijn van een koning niet hetzelfde is als het draineren van het pus in de mond van een dragonderkapitein, dat het hebben van een echtgenote uitloopt op het hebben van kinderen, dat een nieuwe plek een nieuwe kans is, dat je overal potjes whist kunt spelen, dat het heden en je verdriet een miserabel schouwspel zijn en dat de toekomst er, met de genade Gods, beter uit kan zien, dat een echtgenote een moeder betekent, dat een jonge kater genoeg zaadcellen heeft om de hele aarde met katjes te bevolken, dat voorbij een keizerrijk, drie bergketens en onmetelijke vlaktes zich dan wel niet het paradijs zal bevinden, maar dat het vast ook niet de hel zal zijn, dat als de ganzen Rome hebben gered, er in het land dat zich op zijn Romeinse afstamming laat voorstaan ook wel ganzenlever te vinden zal zijn om te bakken met schijfjes appel, met zwarte peper en met ui, dat een echtgenote als een zuster is, dat er voor iedere weg ook een terugweg bestaat, dat eenoog in het land der blinden altijd koning is, dat een echtgenote een vrouw is, en niet zomaar een vrouw, maar eentje die uit een engelenei of een duivelsei is gekropen. Dit en nog veel meer zei Joseph Strauss dus allemaal op de zolderverdieping van een hotel in Zürich terwijl het in de kamer bloedheet werd, en ten slotte vroeg hij de kater om vergiffenis en deed er het zwijgen toe. Juist op dat moment besloot Siegfried, die een tijdje languit op de borst van de bruinharige bonenstaak had gelegen, zijn snuit weggestopt tussen de sleutelbeenderen van zijn bleke en goedhartige baasje, terwijl hij de man met de grote reebruine ogen recht aankeek, een grote sprong te maken in de richting van het raam om een reusachtige vlieg uit de lucht te vangen. Hij slikte hem in en miauwde toen snerpend, alsof hij een hongersteek in zijn maag voelde.
             Ze dineerden gehaast, uiteraard met ganzenlever, echter niet uit de koekenpan, maar uit de oven, om precies te zijn met plakken van een met zoete paprika, gember en acaciabloesem ingewreven gehaktbrood, vervolgens bestelden ze cognac en koude melk, de een gaf de voorkeur aan langzame teugen, zodat hij de drank door zijn wangzakken en onder zijn tong door kon laten glijden, de ander koos voor haastig geslobber, om iets koels door zijn keel te voelen glijden, hun verzoening ging zo ver dat de vrede, als stand van zaken, hun als iets belachelijks en saais voorkwam, ze wandelden door stille straatjes, ze bestegen talloze treden en bereikten weer de verstikkende zolderkamer, ervan overtuigd dat luiheid een opperste deugd is, ze gaven zich over aan de slaap, de een in een niet echt zacht bed, de ander op het vloerkleed, pal in de zon, ze slaakten respectievelijk een zucht en een gejank toen er op de deur werd geklopt. Tot Josephs verbazing trad dezelfde schrale functionaris het vertrek binnen die hem zestien dagen eerder, in Berlijn, de envelop met de twee zegels en het in waspapier gewikkelde pakketje had overhandigd. Pas toen en daar maakten ze kennis, eendrachtig transpirerend, op het moment dat de oogleden van de tandarts zo zwaar als lood waren en zijn kleding eigenlijk niet door de beugel kon. De bezoeker was genaamd Wolf Dieter Trumpp en hij leek niet in de gaten te hebben hoe de dokter de knopen van zijn overhand sloot en zijn vest aantrok, hoe hij de plooien van zijn broek gladstreek. Hij was de privésecretaris van prinses Marie, de jongste telg van het geslacht Hohenzollern. Deze heer kuchte lichtjes, alsof dat kuchje hem op eigen wijze van dienste kon zijn, legde het paspoort op tafel, toonde zich verbaasd over de gewoonte van het hotel om katers op de kamers te houden (om de klanten van muizen te vrijwaren, meende hij) en preciseerde dat het document geheel in orde was, met alle officiële brievenhoofden, stempels en handtekeningen, aangezien het was afgegeven door de gouverneur van het kanton Sankt Gallen zelve, Herr Äppli, en niet in elkaar geflanst door een of andere falsificeerder. Na de mening te hebben uitgesproken dat een regenbuitje geen kwaad zou kunnen, dat de natuur daarvan zou opfleuren, sprak de gast ook een naam uit, Joseph Kranich, die de tandarts voor de gehele rest van de reis verplicht was te dragen, een keuze die was ontsproten aan de inspiratie (of aan een bevlieging) van de gouverneur, die de mening was toegedaan dat een struisvogel en een kraanvogel, eine Strauss und eine Kranich, in zekere zin met elkaar verwant waren. Met de handen gevouwen op de rug, maandag bij zonsondergang, voegde de secretaris eraan toe dat hij een reservering had gemaakt voor de trein die Beieren op vrijdag zou verlaten, na het vallen van de avond. Vervolgens haalde Herr Trumpp een in bruin fluweel gewikkeld doosje uit zijn zak, veegde het af met zijn vingertoppen en legde het naast het paspoort. Het loden soldaatje erin, met een houding alsof hij gereed was voor de aanval en de overwinning, diende te worden overhandigd aan de jonge Balkankoning. Namens zijn kleine zusjes Marie, die het weggeborgen had gevonden onder een stapel militaire verhandelingen, op zijn bureau in het kasteel Sigmaringen.
             De oversteek van de Bodensee was niet echt een genoegen, want de glinsteringen van het water, de opwinding bij het aan boord gaan, de routine van de zeelui en het aroma van het in de haven, in Rorschach, genoten kopje thee, smolten weg onder het wiegen van die reusachtige azuren uitgestrektheid, die ook wel als het Swäbisches Meer werd aangeduid. Het deinen maakte de maag van de dokter meer van streek dan al het bier en alle champagne bij elkaar, hetgeen tot gevolg had dat hij zich tot driemaal toe over de reling van het benedendek boog om de niet-verteerde delen van zijn ontbijt plus een gelig zuur sap in het water te sproeien, wat misschien meer was dan de schuimkoppen van de golven van het meer – dat ook een derde naam had: Konstanz – hadden verdiend. Zijn misselijkheid bedaarde enigszins in Lindau, waar hij er huiverend in slaagde tien druppels kinine vermengd met bruine suiker naar binnen te werken en was definitief over in de postillon die noordwaarts voortsnelde, nadat hij zijn slapen en de ruggen van zijn handen had ingewreven met in azijn gedrenkte wattenproppen. Hij overnachtte in Memmingen, vervolgens in Augsburg, en in München ontdekte hij dat de stad vrolijk gestemd was, als aan het begin van de zomer. Hij permitteerde zich een lichte lunch en een riant aantal uren ontspanning, hij bekeek dames die een wandelingetje maakten, gouvernantes en luidruchtige kinderen, een groep dominicaner nonnen, een bezwete bakkersvrouw en een meisje met een bundel wasgoed, hij trakteerde zichzelf op gebakjes met kersen en siroop, hij bleef staan in de schaduw (waar zijn pijp langzaam uitging) naast een dienstmeisje dat op een ladder was geklommen om de etalageruit van een drogisterij te lappen, met een flink omhooggeschoven rok en een blauwe plek op haar linkerdij, hij bladerde kranten door (met aangestoken pijp), vond de tijd voor een biertje en stond met open mond kijken naar circusartiesten die vuur spuwden, muziek maakten op tamboerijnen en trompetten, dansten en jongleerden met gekleurde ballen. Daar, op het kleine pleintje, was het ook uit met de pret toen een hondje met een hoge hoed, die jankte in het ritme van de muziek en meedeinde, de brui gaf aan de voorstelling, niet langer de dresseur gehoorzaamde en zich op Siegfried wierp. Twee meisjes zetten het op een gillen, een dame struikelde over de plooien van haar jurk en was bijna tegen het plaveisel geslagen. Een theologiestudent en een winkelbediende sprongen in een handkar met kolen, een oude vrouw drukte zich tegen een muur, en de hond, zo klein en zo opgedirkt als hij was, blafte hijgerig, ontblootte zijn tanden, gromde en hapte in de leegte. Ineengedoken op een schutting stak de kater zijn staart in de lucht en blies, vervolgens draaide hij zich om en besproeide de hond met een gouden regen.
             De wagon in de tweede klas waar een plaats was gereserveerd voor Joseph Kranich leek nieuw te zijn. En in dat decor, met lambrisering en fraai gelakte banken, bracht de dokter een lange, zeer lange tijd door, niet zozeer gemeten naar het ronddraaien van de wijzers van zijn zakhorloge, als wel volgens de tijdmeting van zijn instincten. Hij bestudeerde het houtwerk en overtuigde zich ervan dat het gemaakt was van eik, esdoorn en beuk, keek door het raam zonder iets in de duisternis buiten te kunnen onderscheiden, ontcijferde in het ritme en in de tonen van de ademhalingen om hem heen (in de suizende stilte, die alles behalve stilte was) het hoesten van de man naast de deur, het gesmak van een plattelandspriester, het zachte snurken van een in rouw geklede vrouw, het gewriemel van een handelaar met rosse bakkebaarden en de onbegrijpelijke wartaal die een sproeterig meisje uitsloeg. Pas in Salzburg, bij de Oostenrijkse douane, hoorde hij het bonzen van zijn hart, dat, merkwaardig genoeg, luider klonk dat het tikken van zijn uurwerk. Aangezien hij niet naar zijn hart kon kijken, keek hij naar het vergulde horloge, met een deksel op de achterkant waarvan de namen van zijn moeder en zijn zuster, Gertrude en Irma, waren gegraveerd. Het gaf tien voor vier in de nacht aan, een kil, klam uur, dat al gauw teloor zou gaan, opgeslokt door het licht van de aanbrekende dag. Maar voordat dit uur zou verdwijnen, zou worden opgenomen in het geheugen van boeken en van de wereld, glipte de wind toen, om tien voor vier ’s nachts, door de stoom van de locomotief, verjoeg de spoorweggeuren en vulde Josephs neusgaten met het parfum van seringen. Verbaasd zag de tandarts niet ver weg een wijd uitstaande, helemaal niet hoge struik, die bloeide aan het einde van juni. Hij bedacht dat dit het lot was van bergplanten, om altijd laat te zijn, en die gedachte, zijn verbazing en de drukte op het perron maakten dat hij het bonzen van zijn hart vergat en de wachtkamer binnenliep. Daar binnen waren lichamen die zich schoksgewijs uit de slaap verhieven, op gedempte toon gevoerde gesprekken, een lucht die net als de kaarsen siste en zweetdruppeltjes in het rond wierp, alleen een officier was ononderbroken in de weer om nogmaals de paspoorten te controleren, barse vragen te stellen aan de reizigers, bevelen te geven aan de douaniers, de soldaten en zijn eigen adjudanten. Toen hij aan de beurt was, zat Herr Kranich net op een reepje stokvis te kauwen. Hij had het in zijn zakdoek gevonden, overgebleven van de laatste maaltijd van de kater. Het leed geen twijfel dat de walm van gerookte vis de luitenant niet erg aanstond, hij haalde zijn neus op, las haastig de documenten en keek vol minachting naar de Zwitserse, katholieke geneesheer, ongehuwd, donkerharig, met bruine ogen, die onderweg was naar Buckarest, gedreven door het verlangen de kiezen van de Walachijers te verzorgen en zijn fortuin te maken. Vervolgens gleed de trein over de spoorrails tot aan Wenen, baande zich een weg tussen de bewegingen van strijdkrachten en oorlogsmanoeuvres door, liet zich strelen door de zomerhitte en de velden met rijp koren, hijgde als een lenige hazewindhond die trouw is aan zijn lotsbestemming, braakte rook uit en leek te aarzelen, als een jongeheer, toen hij die door de schikgodinnen verwende stad naderde. Een van de passagiers, met een mand van wilgentenen over zijn arm, wiens echte naam aanleiding gaf tot zoveel connecties met de wals, zonder dat er enig verband bestond, maakte zich los uit de militaire drukte van het weststation en verplaatste zich, in een koets, dwars door het hart van het keizerrijk, tussen gelukzalige gebouwen en tuinen door, over levendige boulevards, tot aan het ooststation. Tijdens de rit verzocht hij de koetsier op drie plaatsen halt te houden: bij een kathedraal, voor enige momenten van bezinning en erkentelijkheid, bij een kruidenier, voor ham, gatenkaas en olijven, en bij een bierhuis, voor één enkele pul. Joseph maakte de nieuwe zonsondergang dommelend mee, in een nieuwe tweedeklaswagon, met nieuwe reisgenoten en een nieuwe bestemming, Pest, een van de longen van het keizerrijk, waarvan Buda de andere was. Verder, als we aannemen dat iemand de aardbol tussen zijn handen laat ronddraaien (zoals een verdwaalde graaf in februari in Brussel had gedaan) of de planisfeer zou bestuderen, zou men kunnen zeggen dat de tandarts een centimeter, hoogstens anderhalve centimeter was afgezakt (ongeveer vijfhonderd kilometer, in feite), tot aan een van de voetzolen van het keizerrijk, daar waar de spoorlijn eindigde en waar, nogmaals, het water van de Donau in zicht kwam. En in Baziaş, een somber stadje, dat was overweldigd door de kolenhandel, gingen de uit Berlijn meegenomen valiezen, tassen en hutkoffers, samen met hun eigenaar en met de kater in de mand, ten tweede male aan boord van een stoomboot. De papieren van de passagiers werden nauwgezet gecontroleerd, zodat het beroep van Herr Kranich niet onbekend bleef aan de kapitein, een individu met een verzorgde snor en een goed geheugen. Het belang van dit op het eerste gezicht onbeduidende feit zou echter plotseling, ergens tussen de gigantische rotsen waar de rivier zijn bedding tussendoor had geperst, toenemen en verder toenemen, totdat het een belangrijk gegeven werd ter hoogte van een langwerpig eiland, dat in beslag werd genomen door een fort, door witte huizen, door een franciscaans klooster en door tabaksplantages. Daar, naast het eiland dat de nogal Turkse naam Ada Kaleh droeg, verscheen de wachtofficier haastig op het benedendek, riep de naam van een trekvogel en stuitte op een bleke en magere heer die een kat op schoot had. Hij verzocht hem met spoed naar een van de hutten in de eerste klas te komen, waar een barones, een jeugdige Russin, op het punt stond te bevallen. Hoewel hij zich had toegelegd op het genezen van gebitten, aarzelde de dokter niet, hij haastte zich zijn instrumenten te pakken en de grote noch krappe ruimte, met zonnige patrijspoorten, te bereiken waar de vrouw lag te kreunen en te trillen, lijkbleek, blond, angstig en verbaasd, languit op bed. Aksinia Larisa Jakovljeva was aan het einde van een huwelijksreis die langer dan een jaar had geduurd, ze had haar jurk en het beddengoed nat gemaakt toen de vliezen waren gebroken, ze was overweldigd door haar barensweeën, terwijl haar oudere, veel oudere echtgenoot haar liefkoosde en haar handen kuste, hij sprak onsamenhangend, klagerig, hij huilde (weliswaar gesmoord), verweet zichzelf dat hij de komst van het kind verkeerd had uitgerekend en dat hij de terugkeer naar huis had uitgesteld. Joseph keek toe en zweeg, een kwart minuut, een halve, hij was niet onder de indruk van het gejammer van de baron, hij leende hem een flesje met vlugzout, nodigde hem uit de gang op te gaan en verzocht hem om een kom met heet water te laten komen. Daarna lengde de tijd zich nogmaals, als een luie slak, soms trok hij zich terug in zijn huis en viel in slaap, dan weer kroop hij aarzelend tevoorschijn totdat tegen de avond de zuigeling het levenslicht aanschouwde. Het was een blond jochie, dat luid en verbaasd krijste, in een verbijsterende samenloop van omstandigheden: hij had Russische ouders, hij was op de wereld geholpen door een Zwitserse tandarts (eigenlijk een Duitser) en bevond zich op een Oostenrijks-Hongaars schip met een Tsjechische kapitein, tussen de Roemeense en de Bulgaarse oever, die beide werden gestreeld door een wind die uit Istanbul waaide. Dank zij Osip Afanasjevitsj Jakovljev, sloeg de arts vier grote, volle glazen met wodka achterover en bekende dat hij nooit eerder een geboorte had begeleid. Hij wist met zekerheid, toen de hemel en de mensen op het dek duizelingwekkend schommelden, dat zijn eerste kind ook een jongen zou zijn. Door met zijn schoepen schokkerig de Donau te raken, alsof hij molenstenen langszij had, was het schip allang Turnu-Severin gepasseerd, waar hij van boord had moeten gaan, en zou vervolgens in Giurgiu aanleggen. Tot die tijd sliep Joseph als een blok, nog geen twee uur, zonder verder te denken aan Siegfried, de jonge moeder, het verleden en de toekomst. Op het vaste land werd hij opgewacht door een stofstorm en door tientallen mensen, sommige barrevoets, die zich verdrongen om zijn bagage te dragen. Pas in de coupé waarin hij hortend naar Boekarest werd vervoerd vond hij de ring met de diamant. Hij zat in het lucifersdoosje. Naast de pijp. Hij had hem eerder gezien aan de linkerhand van de Russische baron, om zijn middelvinger, toen ze het glas hadden geheven op het gelukkige gesternte van de pasgeborene. Hij schoot in de lach.
 
*
 
Aanvankelijk bedekte een diffuus licht de details en de bijzonderheden, liet alleen silhouetten en vage omtrekken zien, zodat hun persoonlijke geschiedenissen op elkaar leken als twee druppels wijn. En wijndruppels zijn niet als waterdruppels, ze kunnen een identieke vorm en kleur hebben, maar een verschillende smaak; bijvoorbeeld een druppel Cabernet en een druppel Pinot-Noir. Tijdens zijn reis naar de Donauvorstendommen redigeerde de dragonderkapitein epistels welke hij verzond aan de Pruisische koning, aan de tsaar, aan de Franse en aan de Oostenrijkse keizer, werd hij vergezeld door de trouwe kamerheer von Mayenfisch, door de adviseur von Werer en door drie gewone bedienden, droeg hij een bril van gewoon glas, zonder dioptrieën, om niet herkend te worden, ging hij overal en voortdurend door voor Karl Hettingen, een naam die hij had ontleend aan het Zwitserse familieslot, in Weinburg, kwam een keer terecht in de nabijheid van een stel oude vrienden uit het Habsburgse leger, zodat hij genoodzaakt was zich te verbergen achter een breeduit opengeslagen krant, bracht drie dagen door in een smerige herberg in afwachting van een vaartuig dat was opgehouden door militaire transporten, sprong verrassend op de aanlegsteiger in Turnu-Severin hoewel hij een ticket tot Odessa had, kortom: er passeerden talloze dingen die anders waren tijdens de zwerftocht van de tandarts, die aan niemand brieven had verzonden, het gezelschap van een kater genoot, een valse naam had gekregen door het vervangen van de ene vogelsoort door de andere, zich niet had vermomd en ook geen bekende gezichten had gezien. Desalniettemin, in de logica van dat tijdperk, leken hun reizen evenveel op elkaar als dat twee druppels wijn van een verschillende druivensoort op elkaar kunnen lijken. Aangezien zij dezelfde route hadden gevolgd, beiden Duitsers, beiden opterend voor zitplaatsen in de tweede klas en soms, onverwacht, dwaalden hun beider gedachten af naar het loden soldaatje, opgesloten in een klein doosje, bedekt met bruin fluweel.
             Nadat ze echter voet had gezet, eerst op Walachijse bodem, de een op 8 mei 1866 (volgens de Juliaanse tijdrekening), de ander zeven weken later, op 25 juni, was niets meer hetzelfde. Joseph Strauss ging niet op zoek naar een telegraaf om kond te doen van zijn aankomst in het nieuwe vaderland, had geen door een span van acht paarden getrokken rijtuig tot zijn beschikking, stak niet de Jiu over via een pontonbrug (bij dageraad, in een hondenweer), ontmoette in Craiova niet een bonte menigte en een triomfboog van wilgentakken, kreeg geen dubbele erewacht van garde-infanteristen en overnachtte niet in een koel landhuis (waar hij zich verpoosde met een vrouw genaamd Zinca, die veel had meegemaakt, met haar zoon Nicolae, liberaal en triumvir, met verschillende ministers en met de regeringsleider, voortijds de bey van Samos), hij reed vanuit het zuiden Buckarest binnen, via een onwelriekende achterbuurt, in een gans onaantrekkelijke coupé en kwam geenszins uit de richting van Titu (in een met guirlandes opgetuigde calèche, met twaalf witte paarden, geëscorteerd door een detachement uhlanen en gevolgd door een ceremoniële stoet), hij waste zich niet en trok geen galakleding aan om de sleutels van de stad in ontvangst te nemen (naast het bos van Băneasa), luisterde niet naar de toespraak van de burgemeester (die ongeveer zo luidde:‘Soeverein van Roemenië! Ik heb je de kroon van Ştefan de Grote en van Mihai de Dappere geschonken, vanaf heden jouw voorvaders, herstel het land dan ook in zijn vroegere glorie! Verander dit fraaie land in de vooruitgeschoven post van de moderne vrijheden, de onverslaanbare boulevard van de westerse beschaving!’) en antwoordde niet in het Frans, wat eerst geroezemoes, vervolgens toejuichingen en tenslotte een stortbui opleverde (de eerste na drie maanden van droogte), legde niet van het ene eind tot het andere die lange en brede weg af, de enige bestrate (de zogenaamde Brug van Mogoşoaia), verbaasd over de kuilen, de uitwasemingen en de gebouwen, spande zich niet in om recht te zitten en zijn evenwicht te bewaren te midden van al die schokken, bloemen, vlaggen, uit het raam gestoken tapijten, hoerageroep (of kreten van het gemene volk), kanonsalvo’s en klokgebeier, naar de hemel fladderende witte duiven en vellen papier (met fraai gekalligrafeerde gedichten) die zweefden als dorre bladeren (midden in de lente), begroette de bergjagers niet en evenmin de troepen van de infanterie, cavalerie en artillerie die hem een eresaluut brachten, hij vroeg niet (tegenover een huis met één verdieping en twee soldaten voor de poort): ‘Qu’est-ce qu’il y a dans cette maison?’ en hij drong niet aan toen hij het antwoord niet begreep; ‘Où est le palais?’, hij werd op de top van een heuvel niet opgewacht door de gelukzalige Nifon zelve (met een verguld kruis in zijn rechterhand, met het in zilver gevatte evangelie in zijn linker en met een verzameling priesters in dure gewaden achter hem), hij woonde de dienst in de metropolie niet bij en trad niet binnen in de grote zaal van het parlement (die eigenlijk tamelijk klein was) om het eerst Roemeense woord van zijn leven uit te spreken (‘Jur!’ – Ik zweer) om in het voetspoor te treden van Manolache Costache Epureanu, die kuchte en zijn keel schraapte (in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Grondwetgevende Vergadering) om te worden uitgeroepen tot Heerser (een soort van koning dus) van dat land. Maar omdat niets op de wereld volmaakt is, zelfs verschillen niet, bestond er ook een overeenkomst ten aanzien van hun beider aankomst in Buckarest. Zowel vorst Karl Eitel Friedrich Zephyrinus Ludwig, voordat hij Carol I werd genoemd, als Herr Joseph Strauss, dadelijk nadat hij in centrum van de stad was aangekomen, zetten grote ogen op en verwonderden zich bij de aanblik van allerlei varkens die zich door de modder wentelden, vrij en dik, pal onder de vensters van het huis dat moest doorgaan voor het vorstelijk paleis. Dat is alles.
             En toen de dag van 25 juni begon te verbleken, zodat de stofwolken wat gingen liggen en het vuilnis langzaam in de duisternis verdween, nam de tandarts zijn intrek in een herberg in de nabijheid van een rivier, moest genoegen nemen met een stel vettige worsten en vond niet langer de kracht om zijn pen in de inktpot te dopen. Pas in de ochtend, nadat hij tien druppels in een klontje bruine suiker had laten oplossen en een glas melk voor de kater op de kop had weten te tikken, schreef hij een uitgebreide brief aan zijn weldoener. Tijdens een van de volgende dagen, na de ontvangst in de werkkamer van de soeverein en nadat hij hem, in ruil voor het loden soldaatje, had toevertrouwd aan een gardeluitenant om hem te helpen bij het vinden van een woning, kwam Joseph terecht in een Duitse straat met allerlei kooplui, met advocaten, ambachtslieden en apothekers, met notarissen, bankbeambten, juweliers en horlogemakers. De straat heette Lipscani, wat deed denken aan Leipzig. Al gauw kwam de Berlijnse dokter erachter dat hij niet de enige schaduw van de dragonderkapitein was, zoals hij zich, uit naïviteit of omdat hij zijn nek niet wilde uitsteken, een tijdlang had ingebeeld. Rondom de troon bewogen zich talloze andere schaduwen, waaronder een arts met de rang van kolonel, schijnbaar een bastaard, een heer genaamd Brătianu, met de initialen I en C, en een professor die een erg vreemd taaltje sprak, een soort Latijn, hoewel hij zijn best deed de vorst het Roemeens bij te brengen. Bovendien vernam Joseph dat hij niet eens de eerste tandarts in de stad was. Tussen de romannetjes, verzen en wetenschappelijke boekwerken, had hij ergens een rood boekje gevonden, in cyrillisch schrift, van de omslag waarvan de boekhandelaar hem voorlas I. Seligher, dantist te Buckarest; Raadgeving voor de reinheid van de mond en het behouden van de gezondheid der tanden. Het was gedrukt in 1828. Hij schafte het aan.
 
 

About this issue

This July, The Observer Translation Project leaves its usual format to present a special CRISIS ISSUE. Things are tough all over. Hard Times suddenly feels like the book of the moment. The global economic crisis impacts life as we know it, and viewed from Bucharest the effects reverberate in domains that include geo-politics and publishing in Romania and abroad, with the crisis at The Observer Translation Project as an instance of a universal phenomenon. read more...

Translator's Choice

Author: Stelian Tănase
Translated by: Jean Harris

From Maestro: A Melodrama. Episode 7

Emiluţa has an unfortunate thought. She’ll throw herself off the top of the building. Why? What the fuck? Let’s say for the cause of PeaceonEarth, for the slumdogs, Europe, for the lonely. Which is to say she doesn’t have a ghost of a reason. Viva Walachia! The way things stand, if ...

Translator’s Note
Translator’s Note: a synopsis
Author: Ştefan Agopian
Translated by: Ileana Orlich

How I Learned to Read (from Tache de Catifea / The Velvet Man)

The bearded man was the owner of an apothecary shop where he worked with two apprentices. Nobody paid me any mind, so I spent all day in what was supposed to be the shop. I say this because it was a large, dark room full of odors—a mix of smells from everywhere. The room hadn’t been cleaned ...

Translator’s Note
Re: Learning to Read, from Tache de catifea / The Velvet Man
Author: Gabriela Adameşteanu
Translated by: Patrick Camiller

Wasted Morning - Napoleon in Bucharest

“What you’ve got here is heaven on earth,” Vica says as she drops onto the kitchen chair. “But where’s your mother?” “At work,” Gelu lazily replies, leaning sideways against the door. “She’s doing mornings this week, didn’t you know?” He is tall and thin, with unset ...

Author: Petre Ispirescu
Translated by: Jean Harris

Youth Without Age and Life Without Death

It happened once as never before-y, ‘cause if it couldn’t be true, it wouldn’t make a story about the time when the poplar tree made berries and the willow tree broke out in cherries, when bears began to brawl with their tails, and wolf and lamb, unfurling their sails, threw arms around each ...

Translator’s Note
On Petre Ispirescu
Exquisite Corpse

Planned events in Cultural Agenda see All Planned Events

17 December
Tardes de Cinema Romeno
As tardes de cinema romeno do ICR Lisboa continuam no dia 17 de Dezembro de 2009, às 19h00, na ...
14 December
Omaggio a Gheorghe Dinica Proiezione del film "Filantropica" (regia Nae Caranfil, 2002)
“Filantropica” è uno dei film che più rendono giustizia al ...
12 December
Årets Nobelpristagare i litteratur Herta Müller gästar Dramaten
Foto: Cato Lein 12.12.2009, Dramaten, Nybroplan, Stockholm I samband med Nobelveckan kommer ...
10 December
Romanian Festival @ Peninsula Arts - University of Plymouth
13 & 14 November 2009. Films until 18 December. Twenty of Romania's most influential and ...
10 December
Lesung und Gespräch mit Ioana Nicolaie
Donnerstag, 10. Dezember, um 19.30 Uhr Ort: Szimpla Café Gärtnerstrs.15, ...
 
 

Our Partners

Razvan Lazar_Dunkelkammer SENSO TV Eurotopics Institutul Cultural Roman Economic Forum Krynica Radio Romania Muzical Liternet Radio France International Romania Suplimentul de cultura Radio Lynx