In de maand
juni, wanneer de zonnewende nabij is, maakt de vroeger zijn
opwachting dageraad dan in enige andere tijd van het jaar. Die keer
echter, op een woensdag, liet de zonsopgang het afweten. Het met
valiezen, tassen en hutkoffers beladen rijtuig zette zich met een
korte ruk in beweging, een van de paarden (een grauwe en fors
gebouwde merrie) brieste en probeerde in de teugels te bijten, het
andere (een roodvos met een lidteken op zijn hals) liet zijn borst
opzwellen en in mand van wilgentenen bracht Siegfried de kater een
hartverscheurend gemiauw voort. De groene luiken van het pension, de
massieve deur, de waterton op de binnenplaats en de bos margrieten
bij de voordeur verloor de tandarts uit het oog, maar hij zag wel de
lapjeskat over de bovenkant van schuttingen rennen, met handige en
snelle pasjes, huppelend over gebroken dakgoten in een halsstarrige
poging het tempo van de paarden bij te houden. Hij had de indruk dat
ze een fraai exemplaar was – en drachtig. Op een kruispunt van
wegen, waar het rijtuig de zuidelijke richting insloeg, moest de poes
moe zijn geworden of vast zijn komen te zitten in de plassen, want
hij verloor haar uit het oog, en al gauw, in de straten die vanaf de
Oberbaumbrücke liepen, bedaarde Siegfrieds onrust en staakte hij
zijn klaaglijke gemiauw. Hij rolde zich op in zijn mand, zijn zwarte
oor gespitst en de punt van zijn staart in de lucht, terwijl Herr
Strauss, wiens migraine hem nog niet met rust liet, door de met
modder besmeurde ramen naar de wolken keek, naar de nog nauwelijks
ontwaakte kades, de eindeloze rijen huizen langs de oevers van de
rivier de Spree, de rookpluimen die uit honderden schoorstenen omhoog
kringelden, het kalm voortstromende water waarin zich een zwarte
hemel weerspiegelde die regen voorspelde. Hij dacht aan het sissen
van de kookplaten in zoveel keukens, hij werd stevig door elkaar
geschud toen het rijtuig de brug overstak, hij had een hol gevoel in
zijn maag, misschien als gevolg van het gebolder, misschien vanwege
het bier en de champagne van de vorige avond, misschien door de
aanblik van de worsten, kaantjes en krabbetjes die in ieder huis
werden gebraden, misschien door toedoen van dat vergezicht dat juist
op dat moment verdween, alsof een onzichtbare hand de contouren en de
kleuren van een welbekend schilderij had uitgewist.
De storm stak
op aan het einde van de ochtend, ongeveer een uur nadat de tandarts
erin was geslaagd over te geven en zijn duizelingen enigszins kwijt
te geraken. Niet de weinig energieke donder en bliksem dwongen hem te
schuilen, maar wel de striemende windvlagen met kille regendruppels.
Ze stopten bij een tussen de heuvels gelegen herberg, waar een man en
een vrouw bezig waren de muren te witkalken, terwijl een slungelig
meisje zonder enthousiasme de vloer schrobde. Vanaf zijn plekje naast
het raam, met een mok hete melk tussen zijn vingers, had Joseph ampel
tijd om waar te nemen dat de koetsier, doorweekt als hij was, ervoor
zorg droeg de paarden te tuieren in een ruime schuur, dekens over hen
heen legde en haverzaken om hun nek hing. Binnenhuis hanteerde de
herbergier gehaast de witkwast waardoor hij zich een ongeluk zweette
(hij nam steeds zijn verstelde hoed af en wiste zijn kale hoofd af
met een doekje), de vrouw kreunde en verhief zich steeds op de punten
van haar tenen (deze inspanning viel haar zwaar met haar mollige
lijf), het meisje schoof op haar knieën heen en weer, waarbij haar
hemdje losraakte uit haar rokband (zodat een bleek en met sproeten
overdekt stuk huid van haar rug aan de blikken werd blootgesteld).
Vreemd genoeg slaagden de kalk en het loog er niet in de geur van
brandwijn, cider en rook uit het vertrek te verjagen. Een zurige geur
die zijn holle maag van streek maakte. Later, bij de lunch, bracht
een oude vrouw hem een eendensoep met erwten en de kater moest
genoegen nemen met de botten en zeentjes die van een bout waren
overgebleven. Hij raakte ze niet eens aan.
Toen de aarde
enigszins opgedroogd was door de wind en door het middagzonnetje dat
de wolken had gefopt, zette het rijtuig zich wederom in beweging. Een
kalme draf die dadelijk overging in een galop voerde de dokter naar
het middelpunt van die ongeëvenaarde reis (was die gezegend?
vervloekt? dat liet zich onmogelijk raden), een reis vol omtrekkende
bewegingen en risico’s, gefragmenteerd en vreemd, waarvan hij
zichzelf aanspoorde te geloven dat deze geen onherstelbare fout zou
blijken te zijn, de langste reis van zijn leven, de enige
belangrijke, zo belangrijk dat hij hem soms vergeleek met de reis
naar de andere wereld, hij was immers onderweg naar een weelderig
oord, in ieder geval een oord dat rijk, zeer rijk was aan graan,
zoals een koopman in specerijen hem had verteld. Hij volgde in de
sporen van de dragonderkapitein als een vertraagde schaduw, omdat hij
diens stappen en bewegingen nabootste op zeven weken afstand, precies
dezelfde route volgend, waarbij hij diens adviezen in acht nam en
diens geld uitgaf. Na het epistel van medio april, dat hij ijlings en
vol erkentelijkheid met een bevestiging had beantwoord, had Herr
Strauss anderhalve maand later, uit handen van een schrale
functionaris, een nieuwe envelop ontvangen, ditmaal vergezeld van een
in waspapier gewikkeld pakketje. Met gebruikmaking van eencoupepapier met een verzilverd handvat had hij beide geopend,
voorzichtig om de zegels niet te verbreken, waarvan het ene, dat van
het huis van Hohenzollern-Siegmarinen, hem vertrouwd was, het ander
hem volslagen onbekend, blijkbaar het kersverse insigne van de
kersverse vorst. Zijn gewezen patiënt, Karl Eitel Friedrich
Zephyrinus Ludwig, die nu de troon van een land met vijf miljoen
zielen had bestegen, had hem een buidel met pijptabak gestuurd,
waartussen hij zoveel groschen, guldens en florijnen had verborgen
dat Joseph er duizelig van werd, alsmede een landkaart van het
werelddeel waarop hij met rode inkt een route had uitgestippeld en
met bruine kruisjes enkele sleutelpunten had aangegeven. In de brief
zette hij nauwkeurig uiteen wat hij diende te ondernemen voor deze
uitputtende tocht, vooral aangezien de oorlog met Oostenrijk op het
punt van uitbreken stond en hij, als Pruisisch geneesheer, over
vijandig grondgebied moest trekken, douane- en controleposten van de
tegenstander moest passeren, argwaan en indringende vragen moest
ondergaan. Er werd van hem verlangd dat hij zijn identiteit zou
verhullen, hetgeen niet alleen betekende dat hij valse papieren op de
kop moest zien te tikken, maar ook iets nogal bespottelijks, namelijk
dat hij zich diende te ontdoen van de kleinigheden die hem eventueel
konden verraden. Joseph Strauss had zich er met tegenzin, zelfs
mokkend, naar gevoegd en gedurende een van de dagen tijdens welke hij
zijn bagage in gereedheid bracht, had hij met een nagelschaartje de
op zijn beddengoed geborduurde monogrammen weggeknipt, met zijn
scheermes de letter ‘S’ van zijn dokterstas gekrabd, een diploma
en enkele documenten verborgen in de voering van een met bont
afgezette overjas en boek voor boek in handen genomen om de
schutbladen die zijn eigen handtekening droegen eruit te scheuren.
Van de grauwe
(geenszins halsstarrige) merrie en de (vlijtige en eerlijke) roodvos
nam hij afscheid op het station van Magdenburg. Hij betaalde de
koetsier zijn honorarium, liet al zijn hebben en houwen over aan de
zorgen van een kruier en trad, met de mand van wilgentenen over zijn
arm, een nabijgelegen bodega binnen, bij het vallen van de
schemering, toen een groenige lantaarn boven de ingang heen en weer
slingerde. Hoewel hij forel in roomsaus had besteld, zodat ze
gezamenlijk van het avondmaal konden genieten, weigerde de kater te
eten. Dat was voor de elfde keer sinds hun vertrek. Stijf opgerold,
met warrige vacht en met zijn voorpoten tegen zijn ogen gedrukt,
wekte Siegfried de indruk ernstig ziek te zijn. De tandarts knipperde
met zijn ogen, stak de brand in zijn pijp, liet rookwolken omhoog
kringelen naar het plafond en nipte aan een bessenlikeurtje.
Vervolgens brachten ze de nacht en de vroege ochtend door in de
trein, met het gedender van de wielen, met het gepuf en de signalen
van de locomotief, met de zomerse landschappen van de zuidelijke
streken, met de onverstoorbare voorkomendheid van de conducteur en
met het geklets van een nederige bankbeambte die op bezoek ging bij
zijn zuster in een sanatorium in Graubünden. Pas in Zürich, op de
zolderverdieping van een goedkoop hotel, naam Joseph zijn vriend in
zijn armen, aaide hem stevig over zijn kruin en onder zijn kin,
drukte hem tegen zijn borst en sprak op gehaaste toon tegen hem,
legde hem dingen uit die de kater vast en zeker niet wilde horen,
bijvoorbeeld waarom ze niet van begin af aan per spoor waren gereisd
en zich honderdvijftig kilometer per rijtuig hadden laten
voortslepen, waarom ze niet dadelijk in oostelijke richting waren
gegaan maar een route naar het westen en het zuiden hadden genomen,
zodat ze in Zwitserland waren beland, waarvoor er een vals paspoort
nodig was, hoe de trommen van twee legers werden geroerd, hoe de
strijdvaandel werden gezwaaid en hoe de troepen marcheerden, waarom
de eigenaresse van het pension in Berlijn, zijn vrienden en de
meisjes van de ‘Elf tieten’ in de waan moesten worden gelaten dat
hij naar Stuttgart was verhuisd en niet mochten weten dat hij een
avontuurlijk aangelegde vorst was nagereisd, waarom een koning een
koning was, ongeacht de staat van zijn gebit, hoe het aanvoelde om
gouden munten te tellen en in je vuist te klemmen, waarom klokken
overal beierden en tenslotte waarom mensen ouder werden. Op dat punt
aangeland, bij de woorden over tijd en leeftijden, schrok Siegfried
op, hij spitste zijn zwarte oor (het witte bleef neerhangen) en stak
het puntje van zijn staart in de lucht. De stem van zijn baasje was
zachter geworden, het aaien was luier geworden, de lucht in het
vertrek werd bedompter, waarschijnlijk door het hete dak en door de
ontboezemingen die waren begonnen te stromen. Maar eerst sijpelden
er, als uit een lek koffiekannetje, genoeg druppels oprechtheid door,
deze druppels vergaarden zich in een kleine, ovalen waterplas die
glinsterde in de kalmte van de namiddag, en toen begon het water
omlaag te lopen, over de vloer, een dun, helder stroompje, een
vloeistof die wel en niet te zien was, aangezien hij, door een gril
van de scheikunde, uitsluitend bestond uit dromen, begoochelingen,
verwachtingen, wonden, veronderstellingen en ijdelheden. Herr
Strauss, die in het hartje van de afgelopen winter, in januari, op de
achtste dag, de leeftijd van dertig jaar had bereikt, zei allerlei
dingen, hij vertelde niet, hij zwamde niet, hij zei gewoon dat hij
uit een doodlopende weg wilde geraken, dat er op de wereld volop
tieten bestonden, in ieder geval meer dan elf, dat alles wat eentonig
is afstompt, dat bier en schnaps lekker zijn, doch ook wijn niet te
versmaden is, dat het in ieder stadje wemelt van de lapjeskatten, van
de gevlekte, zwart-witte, grijze en gele katten, van de kreupele of
weldoorvoede, schele, lamme katten in alle soorten en maten, dat een
brand die je je moeder en zuster ontneemt je tot in de eeuwigheid
pijn om het hart bezorgt, het verscheurt en verschrompelt als
rookvlees, dat plotseling het moment is aangebroken waarop niets je
nog aan iemand bindt, ook niet aan de mensen om je heen, dat het
mogelijk is om voorbij een keizerrijk, drie bergketens en onmetelijke
vlakten opnieuw geboren te worden, dat tandarts zijn van een koning
niet hetzelfde is als het draineren van het pus in de mond van een
dragonderkapitein, dat het hebben van een echtgenote uitloopt op het
hebben van kinderen, dat een nieuwe plek een nieuwe kans is, dat je
overal potjes whist kunt spelen, dat het heden en je verdriet een
miserabel schouwspel zijn en dat de toekomst er, met de genade Gods,
beter uit kan zien, dat een echtgenote een moeder betekent, dat een
jonge kater genoeg zaadcellen heeft om de hele aarde met katjes te
bevolken, dat voorbij een keizerrijk, drie bergketens en onmetelijke
vlaktes zich dan wel niet het paradijs zal bevinden, maar dat het
vast ook niet de hel zal zijn, dat als de ganzen Rome hebben gered,
er in het land dat zich op zijn Romeinse afstamming laat voorstaan
ook wel ganzenlever te vinden zal zijn om te bakken met schijfjes
appel, met zwarte peper en met ui, dat een echtgenote als een zuster
is, dat er voor iedere weg ook een terugweg bestaat, dat eenoog in
het land der blinden altijd koning is, dat een echtgenote een vrouw
is, en niet zomaar een vrouw, maar eentje die uit een engelenei of
een duivelsei is gekropen. Dit en nog veel meer zei Joseph Strauss
dus allemaal op de zolderverdieping van een hotel in Zürich terwijl
het in de kamer bloedheet werd, en ten slotte vroeg hij de kater om
vergiffenis en deed er het zwijgen toe. Juist op dat moment besloot
Siegfried, die een tijdje languit op de borst van de bruinharige
bonenstaak had gelegen, zijn snuit weggestopt tussen de
sleutelbeenderen van zijn bleke en goedhartige baasje, terwijl hij de
man met de grote reebruine ogen recht aankeek, een grote sprong te
maken in de richting van het raam om een reusachtige vlieg uit de
lucht te vangen. Hij slikte hem in en miauwde toen snerpend, alsof
hij een hongersteek in zijn maag voelde.
Ze dineerden
gehaast, uiteraard met ganzenlever, echter niet uit de koekenpan,
maar uit de oven, om precies te zijn met plakken van een met zoete
paprika, gember en acaciabloesem ingewreven gehaktbrood, vervolgens
bestelden ze cognac en koude melk, de een gaf de voorkeur aan
langzame teugen, zodat hij de drank door zijn wangzakken en onder
zijn tong door kon laten glijden, de ander koos voor haastig
geslobber, om iets koels door zijn keel te voelen glijden, hun
verzoening ging zo ver dat de vrede, als stand van zaken, hun als
iets belachelijks en saais voorkwam, ze wandelden door stille
straatjes, ze bestegen talloze treden en bereikten weer de
verstikkende zolderkamer, ervan overtuigd dat luiheid een opperste
deugd is, ze gaven zich over aan de slaap, de een in een niet echt
zacht bed, de ander op het vloerkleed, pal in de zon, ze slaakten
respectievelijk een zucht en een gejank toen er op de deur werd
geklopt. Tot Josephs verbazing trad dezelfde schrale functionaris het
vertrek binnen die hem zestien dagen eerder, in Berlijn, de envelop
met de twee zegels en het in waspapier gewikkelde pakketje had
overhandigd. Pas toen en daar maakten ze kennis, eendrachtig
transpirerend, op het moment dat de oogleden van de tandarts zo zwaar
als lood waren en zijn kleding eigenlijk niet door de beugel kon. De
bezoeker was genaamd Wolf Dieter Trumpp en hij leek niet in de gaten
te hebben hoe de dokter de knopen van zijn overhand sloot en zijn
vest aantrok, hoe hij de plooien van zijn broek gladstreek. Hij was
de privésecretaris van prinses Marie, de jongste telg van het
geslacht Hohenzollern. Deze heer kuchte lichtjes, alsof dat kuchje
hem op eigen wijze van dienste kon zijn, legde het paspoort op tafel,
toonde zich verbaasd over de gewoonte van het hotel om katers op de
kamers te houden (om de klanten van muizen te vrijwaren, meende hij)
en preciseerde dat het document geheel in orde was, met alle
officiële brievenhoofden, stempels en handtekeningen, aangezien het
was afgegeven door de gouverneur van het kanton Sankt Gallen zelve,
Herr Äppli, en niet in elkaar geflanst door een of andere
falsificeerder. Na de mening te hebben uitgesproken dat een
regenbuitje geen kwaad zou kunnen, dat de natuur daarvan zou
opfleuren, sprak de gast ook een naam uit, Joseph Kranich, die de
tandarts voor de gehele rest van de reis verplicht was te dragen, een
keuze die was ontsproten aan de inspiratie (of aan een bevlieging)
van de gouverneur, die de mening was toegedaan dat een struisvogel en
een kraanvogel, eine Strauss und eine Kranich, in zekere zin
met elkaar verwant waren. Met de handen gevouwen op de rug, maandag
bij zonsondergang, voegde de secretaris eraan toe dat hij een
reservering had gemaakt voor de trein die Beieren op vrijdag zou
verlaten, na het vallen van de avond. Vervolgens haalde Herr Trumpp
een in bruin fluweel gewikkeld doosje uit zijn zak, veegde het af met
zijn vingertoppen en legde het naast het paspoort. Het loden
soldaatje erin, met een houding alsof hij gereed was voor de aanval
en de overwinning, diende te worden overhandigd aan de jonge
Balkankoning. Namens zijn kleine zusjes Marie, die het weggeborgen
had gevonden onder een stapel militaire verhandelingen, op zijn
bureau in het kasteel Sigmaringen.
De oversteek
van de Bodensee was niet echt een genoegen, want de glinsteringen van
het water, de opwinding bij het aan boord gaan, de routine van de
zeelui en het aroma van het in de haven, in Rorschach, genoten kopje
thee, smolten weg onder het wiegen van die reusachtige azuren
uitgestrektheid, die ook wel als het Swäbisches Meer werd aangeduid.
Het deinen maakte de maag van de dokter meer van streek dan al het
bier en alle champagne bij elkaar, hetgeen tot gevolg had dat hij
zich tot driemaal toe over de reling van het benedendek boog om de
niet-verteerde delen van zijn ontbijt plus een gelig zuur sap in het
water te sproeien, wat misschien meer was dan de schuimkoppen van de
golven van het meer – dat ook een derde naam had: Konstanz –
hadden verdiend. Zijn misselijkheid bedaarde enigszins in Lindau,
waar hij er huiverend in slaagde tien druppels kinine vermengd met
bruine suiker naar binnen te werken en was definitief over in de
postillon die noordwaarts voortsnelde, nadat hij zijn slapen en de
ruggen van zijn handen had ingewreven met in azijn gedrenkte
wattenproppen. Hij overnachtte in Memmingen, vervolgens in Augsburg,
en in München ontdekte hij dat de stad vrolijk gestemd was, als aan
het begin van de zomer. Hij permitteerde zich een lichte lunch en een
riant aantal uren ontspanning, hij bekeek dames die een wandelingetje
maakten, gouvernantes en luidruchtige kinderen, een groep dominicaner
nonnen, een bezwete bakkersvrouw en een meisje met een bundel
wasgoed, hij trakteerde zichzelf op gebakjes met kersen en siroop,
hij bleef staan in de schaduw (waar zijn pijp langzaam uitging) naast
een dienstmeisje dat op een ladder was geklommen om de etalageruit
van een drogisterij te lappen, met een flink omhooggeschoven rok en
een blauwe plek op haar linkerdij, hij bladerde kranten door (met
aangestoken pijp), vond de tijd voor een biertje en stond met open
mond kijken naar circusartiesten die vuur spuwden, muziek maakten op
tamboerijnen en trompetten, dansten en jongleerden met gekleurde
ballen. Daar, op het kleine pleintje, was het ook uit met de pret
toen een hondje met een hoge hoed, die jankte in het ritme van de
muziek en meedeinde, de brui gaf aan de voorstelling, niet langer de
dresseur gehoorzaamde en zich op Siegfried wierp. Twee meisjes zetten
het op een gillen, een dame struikelde over de plooien van haar jurk
en was bijna tegen het plaveisel geslagen. Een theologiestudent en
een winkelbediende sprongen in een handkar met kolen, een oude vrouw
drukte zich tegen een muur, en de hond, zo klein en zo opgedirkt als
hij was, blafte hijgerig, ontblootte zijn tanden, gromde en hapte in
de leegte. Ineengedoken op een schutting stak de kater zijn staart in
de lucht en blies, vervolgens draaide hij zich om en besproeide de
hond met een gouden regen.
De wagon in de
tweede klas waar een plaats was gereserveerd voor Joseph Kranich leek
nieuw te zijn. En in dat decor, met lambrisering en fraai gelakte
banken, bracht de dokter een lange, zeer lange tijd door, niet zozeer
gemeten naar het ronddraaien van de wijzers van zijn zakhorloge, als
wel volgens de tijdmeting van zijn instincten. Hij bestudeerde het
houtwerk en overtuigde zich ervan dat het gemaakt was van eik,
esdoorn en beuk, keek door het raam zonder iets in de duisternis
buiten te kunnen onderscheiden, ontcijferde in het ritme en in de
tonen van de ademhalingen om hem heen (in de suizende stilte, die
alles behalve stilte was) het hoesten van de man naast de deur, het
gesmak van een plattelandspriester, het zachte snurken van een in
rouw geklede vrouw, het gewriemel van een handelaar met rosse
bakkebaarden en de onbegrijpelijke wartaal die een sproeterig meisje
uitsloeg. Pas in Salzburg, bij de Oostenrijkse douane, hoorde hij het
bonzen van zijn hart, dat, merkwaardig genoeg, luider klonk dat het
tikken van zijn uurwerk. Aangezien hij niet naar zijn hart kon
kijken, keek hij naar het vergulde horloge, met een deksel op de
achterkant waarvan de namen van zijn moeder en zijn zuster, Gertrude
en Irma, waren gegraveerd. Het gaf tien voor vier in de nacht aan,
een kil, klam uur, dat al gauw teloor zou gaan, opgeslokt door het
licht van de aanbrekende dag. Maar voordat dit uur zou verdwijnen,
zou worden opgenomen in het geheugen van boeken en van de wereld,
glipte de wind toen, om tien voor vier ’s nachts, door de stoom van
de locomotief, verjoeg de spoorweggeuren en vulde Josephs neusgaten
met het parfum van seringen. Verbaasd zag de tandarts niet ver weg
een wijd uitstaande, helemaal niet hoge struik, die bloeide aan het
einde van juni. Hij bedacht dat dit het lot was van bergplanten, om
altijd laat te zijn, en die gedachte, zijn verbazing en de drukte op
het perron maakten dat hij het bonzen van zijn hart vergat en de
wachtkamer binnenliep. Daar binnen waren lichamen die zich
schoksgewijs uit de slaap verhieven, op gedempte toon gevoerde
gesprekken, een lucht die net als de kaarsen siste en
zweetdruppeltjes in het rond wierp, alleen een officier was
ononderbroken in de weer om nogmaals de paspoorten te controleren,
barse vragen te stellen aan de reizigers, bevelen te geven aan de
douaniers, de soldaten en zijn eigen adjudanten. Toen hij aan de
beurt was, zat Herr Kranich net op een reepje stokvis te kauwen. Hij
had het in zijn zakdoek gevonden, overgebleven van de laatste
maaltijd van de kater. Het leed geen twijfel dat de walm van gerookte
vis de luitenant niet erg aanstond, hij haalde zijn neus op, las
haastig de documenten en keek vol minachting naar de Zwitserse,
katholieke geneesheer, ongehuwd, donkerharig, met bruine ogen, die
onderweg was naar Buckarest, gedreven door het verlangen de kiezen
van de Walachijers te verzorgen en zijn fortuin te maken. Vervolgens
gleed de trein over de spoorrails tot aan Wenen, baande zich een weg
tussen de bewegingen van strijdkrachten en oorlogsmanoeuvres door,
liet zich strelen door de zomerhitte en de velden met rijp koren,
hijgde als een lenige hazewindhond die trouw is aan zijn
lotsbestemming, braakte rook uit en leek te aarzelen, als een
jongeheer, toen hij die door de schikgodinnen verwende stad naderde.
Een van de passagiers, met een mand van wilgentenen over zijn arm,
wiens echte naam aanleiding gaf tot zoveel connecties met de wals,
zonder dat er enig verband bestond, maakte zich los uit de militaire
drukte van het weststation en verplaatste zich, in een koets, dwars
door het hart van het keizerrijk, tussen gelukzalige gebouwen en
tuinen door, over levendige boulevards, tot aan het ooststation.
Tijdens de rit verzocht hij de koetsier op drie plaatsen halt te
houden: bij een kathedraal, voor enige momenten van bezinning en
erkentelijkheid, bij een kruidenier, voor ham, gatenkaas en olijven,
en bij een bierhuis, voor één enkele pul. Joseph maakte de nieuwe
zonsondergang dommelend mee, in een nieuwe tweedeklaswagon, met
nieuwe reisgenoten en een nieuwe bestemming, Pest, een van de longen
van het keizerrijk, waarvan Buda de andere was. Verder, als we
aannemen dat iemand de aardbol tussen zijn handen laat ronddraaien
(zoals een verdwaalde graaf in februari in Brussel had gedaan) of de
planisfeer zou bestuderen, zou men kunnen zeggen dat de tandarts een
centimeter, hoogstens anderhalve centimeter was afgezakt (ongeveer
vijfhonderd kilometer, in feite), tot aan een van de voetzolen van
het keizerrijk, daar waar de spoorlijn eindigde en waar, nogmaals,
het water van de Donau in zicht kwam. En in Baziaş, een somber
stadje, dat was overweldigd door de kolenhandel, gingen de uit
Berlijn meegenomen valiezen, tassen en hutkoffers, samen met hun
eigenaar en met de kater in de mand, ten tweede male aan boord van
een stoomboot. De papieren van de passagiers werden nauwgezet
gecontroleerd, zodat het beroep van Herr Kranich niet onbekend bleef
aan de kapitein, een individu met een verzorgde snor en een goed
geheugen. Het belang van dit op het eerste gezicht onbeduidende feit
zou echter plotseling, ergens tussen de gigantische rotsen waar de
rivier zijn bedding tussendoor had geperst, toenemen en verder
toenemen, totdat het een belangrijk gegeven werd ter hoogte van een
langwerpig eiland, dat in beslag werd genomen door een fort, door
witte huizen, door een franciscaans klooster en door tabaksplantages.
Daar, naast het eiland dat de nogal Turkse naam Ada Kaleh droeg,
verscheen de wachtofficier haastig op het benedendek, riep de naam
van een trekvogel en stuitte op een bleke en magere heer die een kat
op schoot had. Hij verzocht hem met spoed naar een van de hutten in
de eerste klas te komen, waar een barones, een jeugdige Russin, op
het punt stond te bevallen. Hoewel hij zich had toegelegd op het
genezen van gebitten, aarzelde de dokter niet, hij haastte zich zijn
instrumenten te pakken en de grote noch krappe ruimte, met zonnige
patrijspoorten, te bereiken waar de vrouw lag te kreunen en te
trillen, lijkbleek, blond, angstig en verbaasd, languit op bed.
Aksinia Larisa Jakovljeva was aan het einde van een huwelijksreis die
langer dan een jaar had geduurd, ze had haar jurk en het beddengoed
nat gemaakt toen de vliezen waren gebroken, ze was overweldigd door
haar barensweeën, terwijl haar oudere, veel oudere echtgenoot haar
liefkoosde en haar handen kuste, hij sprak onsamenhangend, klagerig,
hij huilde (weliswaar gesmoord), verweet zichzelf dat hij de komst
van het kind verkeerd had uitgerekend en dat hij de terugkeer naar
huis had uitgesteld. Joseph keek toe en zweeg, een kwart minuut, een
halve, hij was niet onder de indruk van het gejammer van de baron,
hij leende hem een flesje met vlugzout, nodigde hem uit de gang op te
gaan en verzocht hem om een kom met heet water te laten komen. Daarna
lengde de tijd zich nogmaals, als een luie slak, soms trok hij zich
terug in zijn huis en viel in slaap, dan weer kroop hij aarzelend
tevoorschijn totdat tegen de avond de zuigeling het levenslicht
aanschouwde. Het was een blond jochie, dat luid en verbaasd krijste,
in een verbijsterende samenloop van omstandigheden: hij had Russische
ouders, hij was op de wereld geholpen door een Zwitserse tandarts
(eigenlijk een Duitser) en bevond zich op een Oostenrijks-Hongaars
schip met een Tsjechische kapitein, tussen de Roemeense en de
Bulgaarse oever, die beide werden gestreeld door een wind die uit
Istanbul waaide. Dank zij Osip Afanasjevitsj Jakovljev, sloeg de arts
vier grote, volle glazen met wodka achterover en bekende dat hij
nooit eerder een geboorte had begeleid. Hij wist met zekerheid, toen
de hemel en de mensen op het dek duizelingwekkend schommelden, dat
zijn eerste kind ook een jongen zou zijn. Door met zijn schoepen
schokkerig de Donau te raken, alsof hij molenstenen langszij had, was
het schip allang Turnu-Severin gepasseerd, waar hij van boord had
moeten gaan, en zou vervolgens in Giurgiu aanleggen. Tot die tijd
sliep Joseph als een blok, nog geen twee uur, zonder verder te denken
aan Siegfried, de jonge moeder, het verleden en de toekomst. Op het
vaste land werd hij opgewacht door een stofstorm en door tientallen
mensen, sommige barrevoets, die zich verdrongen om zijn bagage te
dragen. Pas in de coupé waarin hij hortend naar Boekarest werd
vervoerd vond hij de ring met de diamant. Hij zat in het
lucifersdoosje. Naast de pijp. Hij had hem eerder gezien aan de
linkerhand van de Russische baron, om zijn middelvinger, toen ze het
glas hadden geheven op het gelukkige gesternte van de pasgeborene.
Hij schoot in de lach.
*
Aanvankelijk
bedekte een diffuus licht de details en de bijzonderheden, liet
alleen silhouetten en vage omtrekken zien, zodat hun persoonlijke
geschiedenissen op elkaar leken als twee druppels wijn. En
wijndruppels zijn niet als waterdruppels, ze kunnen een identieke
vorm en kleur hebben, maar een verschillende smaak; bijvoorbeeld een
druppel Cabernet en een druppel Pinot-Noir. Tijdens zijn reis naar de
Donauvorstendommen redigeerde de dragonderkapitein epistels welke hij
verzond aan de Pruisische koning, aan de tsaar, aan de Franse en aan
de Oostenrijkse keizer, werd hij vergezeld door de trouwe kamerheer
von Mayenfisch, door de adviseur von Werer en door drie gewone
bedienden, droeg hij een bril van gewoon glas, zonder dioptrieën, om
niet herkend te worden, ging hij overal en voortdurend door voor Karl
Hettingen, een naam die hij had ontleend aan het Zwitserse
familieslot, in Weinburg, kwam een keer terecht in de nabijheid van
een stel oude vrienden uit het Habsburgse leger, zodat hij
genoodzaakt was zich te verbergen achter een breeduit opengeslagen
krant, bracht drie dagen door in een smerige herberg in afwachting
van een vaartuig dat was opgehouden door militaire transporten,
sprong verrassend op de aanlegsteiger in Turnu-Severin hoewel hij een
ticket tot Odessa had, kortom: er passeerden talloze dingen die
anders waren tijdens de zwerftocht van de tandarts, die aan niemand
brieven had verzonden, het gezelschap van een kater genoot, een valse
naam had gekregen door het vervangen van de ene vogelsoort door de
andere, zich niet had vermomd en ook geen bekende gezichten had
gezien. Desalniettemin, in de logica van dat tijdperk, leken hun
reizen evenveel op elkaar als dat twee druppels wijn van een
verschillende druivensoort op elkaar kunnen lijken. Aangezien zij
dezelfde route hadden gevolgd, beiden Duitsers, beiden opterend voor
zitplaatsen in de tweede klas en soms, onverwacht, dwaalden hun
beider gedachten af naar het loden soldaatje, opgesloten in een klein
doosje, bedekt met bruin fluweel.
Nadat ze echter
voet had gezet, eerst op Walachijse bodem, de een op 8 mei 1866
(volgens de Juliaanse tijdrekening), de ander zeven weken later, op
25 juni, was niets meer hetzelfde. Joseph Strauss ging niet op zoek
naar een telegraaf om kond te doen van zijn aankomst in het nieuwe
vaderland, had geen door een span van acht paarden getrokken rijtuig
tot zijn beschikking, stak niet de Jiu over via een pontonbrug (bij
dageraad, in een hondenweer), ontmoette in Craiova niet een bonte
menigte en een triomfboog van wilgentakken, kreeg geen dubbele
erewacht van garde-infanteristen en overnachtte niet in een koel
landhuis (waar hij zich verpoosde met een vrouw genaamd Zinca, die
veel had meegemaakt, met haar zoon Nicolae, liberaal en triumvir, met
verschillende ministers en met de regeringsleider, voortijds de bey
van Samos), hij reed vanuit het zuiden Buckarest binnen, via een
onwelriekende achterbuurt, in een gans onaantrekkelijke coupé en
kwam geenszins uit de richting van Titu (in een met guirlandes
opgetuigde calèche, met twaalf witte paarden, geëscorteerd door een
detachement uhlanen en gevolgd door een ceremoniële stoet), hij
waste zich niet en trok geen galakleding aan om de sleutels van de
stad in ontvangst te nemen (naast het bos van Băneasa), luisterde
niet naar de toespraak van de burgemeester (die ongeveer zo luidde:‘Soeverein van Roemenië! Ik heb je de kroon van Ştefan de
Grote en van Mihai de Dappere geschonken, vanaf heden jouw
voorvaders, herstel het land dan ook in zijn vroegere glorie!
Verander dit fraaie land in de vooruitgeschoven post van de moderne
vrijheden, de onverslaanbare boulevard van de westerse beschaving!’)
en antwoordde niet in het Frans, wat eerst geroezemoes, vervolgens
toejuichingen en tenslotte een stortbui opleverde (de eerste na drie
maanden van droogte), legde niet van het ene eind tot het andere die
lange en brede weg af, de enige bestrate (de zogenaamde Brug van
Mogoşoaia), verbaasd over de kuilen, de uitwasemingen en de
gebouwen, spande zich niet in om recht te zitten en zijn evenwicht te
bewaren te midden van al die schokken, bloemen, vlaggen, uit het raam
gestoken tapijten, hoerageroep (of kreten van het gemene volk),
kanonsalvo’s en klokgebeier, naar de hemel fladderende witte duiven
en vellen papier (met fraai gekalligrafeerde gedichten) die zweefden
als dorre bladeren (midden in de lente), begroette de bergjagers niet
en evenmin de troepen van de infanterie, cavalerie en artillerie die
hem een eresaluut brachten, hij vroeg niet (tegenover een huis met
één verdieping en twee soldaten voor de poort): ‘Qu’est-ce
qu’il y a dans cette maison?’ en hij drong niet aan toen hij het
antwoord niet begreep; ‘Où est le palais?’, hij werd op de top
van een heuvel niet opgewacht door de gelukzalige Nifon zelve (met
een verguld kruis in zijn rechterhand, met het in zilver gevatte
evangelie in zijn linker en met een verzameling priesters in dure
gewaden achter hem), hij woonde de dienst in de metropolie niet bij
en trad niet binnen in de grote zaal van het parlement (die eigenlijk
tamelijk klein was) om het eerst Roemeense woord van zijn leven uit
te spreken (‘Jur!’ – Ik zweer) om in het voetspoor te
treden van Manolache Costache Epureanu, die kuchte en zijn keel
schraapte (in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Grondwetgevende
Vergadering) om te worden uitgeroepen tot Heerser (een soort van
koning dus) van dat land. Maar omdat niets op de wereld volmaakt is,
zelfs verschillen niet, bestond er ook een overeenkomst ten aanzien
van hun beider aankomst in Buckarest. Zowel vorst Karl Eitel
Friedrich Zephyrinus Ludwig, voordat hij Carol I werd genoemd, als
Herr Joseph Strauss, dadelijk nadat hij in centrum van de stad was
aangekomen, zetten grote ogen op en verwonderden zich bij de aanblik
van allerlei varkens die zich door de modder wentelden, vrij en dik,
pal onder de vensters van het huis dat moest doorgaan voor het
vorstelijk paleis. Dat is alles.
En toen de dag
van 25 juni begon te verbleken, zodat de stofwolken wat gingen liggen
en het vuilnis langzaam in de duisternis verdween, nam de tandarts
zijn intrek in een herberg in de nabijheid van een rivier, moest
genoegen nemen met een stel vettige worsten en vond niet langer de
kracht om zijn pen in de inktpot te dopen. Pas in de ochtend, nadat
hij tien druppels in een klontje bruine suiker had laten oplossen en
een glas melk voor de kater op de kop had weten te tikken, schreef
hij een uitgebreide brief aan zijn weldoener. Tijdens een van de
volgende dagen, na de ontvangst in de werkkamer van de soeverein en
nadat hij hem, in ruil voor het loden soldaatje, had toevertrouwd aan
een gardeluitenant om hem te helpen bij het vinden van een woning,
kwam Joseph terecht in een Duitse straat met allerlei kooplui, met
advocaten, ambachtslieden en apothekers, met notarissen,
bankbeambten, juweliers en horlogemakers. De straat heette Lipscani,
wat deed denken aan Leipzig. Al gauw kwam de Berlijnse dokter
erachter dat hij niet de enige schaduw van de dragonderkapitein was,
zoals hij zich, uit naïviteit of omdat hij zijn nek niet wilde
uitsteken, een tijdlang had ingebeeld. Rondom de troon bewogen zich
talloze andere schaduwen, waaronder een arts met de rang van kolonel,
schijnbaar een bastaard, een heer genaamd Brătianu, met de initialen
I en C, en een professor die een erg vreemd taaltje sprak, een soort
Latijn, hoewel hij zijn best deed de vorst het Roemeens bij te
brengen. Bovendien vernam Joseph dat hij niet eens de eerste tandarts
in de stad was. Tussen de romannetjes, verzen en wetenschappelijke
boekwerken, had hij ergens een rood boekje gevonden, in cyrillisch
schrift, van de omslag waarvan de boekhandelaar hem voorlas I.
Seligher, dantist te Buckarest; Raadgeving voor de reinheid van de
mond en het behouden van de gezondheid der tanden. Het was
gedrukt in 1828. Hij schafte het aan.