Het licht van de avondschemering doofde langzaam, met warme weerkaatsingen die trillend over de muren lagen. Ik hield van dat tijdstip in de ontwaakte stad, het gekrioel waar ik doorheen liep, het daveren van de auto’s. Het bevroren rood van de zonsondergang fonkelde in de vensters die ik passeerde en verplaatste zich samen met mij van raam naar raam. De hemel was staalgrijs van de vrieskou en de nadering van de avond en de ijle lucht hing roerloos, zo roerloos dat ik voelde hoe de kleuren in elkaar overliepen. Alleen kronkelende zwarte takken staken scherp af tegen de kille hemel.
Ik liep de uitgestorven hal in. Verlate voetstappen klonken ergens, boven, op de trap. Op de zwarte smeedijzeren liftkooi hing nog altijd het affiche. Grote scheve letters, rood en groen, kondigden de literaire club van vanavond aan en het artikel dat de vierdejaars Cornel Ungureanu zou presenteren. De lege gangen waren anders dan ik ze van overdag kende, het gekraak van iedere deur vulde de stilte. Zo zullen ze eruitzien nadat ik ben afgestudeerd en ooit, bij toeval, hier zal terugkeren, bedacht ik me, maar zonder overtuiging. Ik vond het niet te geloven – die met groenige olieverf beschilderde muur, de bochtige trappen, de door vreemde aanrakingen gepolijste leuning, ik kende het nu allemaal zo goed... Er klonk een ijzeren gerammel en ik draaide me geschrokken om. De werkster had haar emmer voor de wc neergesmeten, daarna hoorde ik het zoeven van de zwabber over het natte beton.
Toen ik bij de deur van de collegezaal was gekomen, bleef ik staan. Door de deur heen bereikten mij onbekende stemmen en gelach. Ik aarzelde en repeteerde in gedachten hoe ik me ging bewegen wanneer ik naar binnen zou stappen. Waarom moet het eigenlijk vandaag? zei ik tenslotte bij mezelf. Ik kan beter een ander keertje terugkomen. Ik had al besloten om te vertrekken en toen drukte ik de deurkruk omlaag om naar binnen te gaan.
Ik zocht een plaatsje zonder mijn jas uit te trekken, het oude hout kraakte en een voor een sloegen de stoeltjes met een klap omhoog. Op het moment dat ze weer werden neergeklapt, vulden ze de zaal met een herhaalde weergalm. Toen ik weer durfde te kijken, zag ik dat twee jongens die op de radiator waren geklommen zaten te roken, met slingerende benen, nog een stuk of twee, drie hielden de wacht bij de deur, net als voor de les, en de meeste verdrongen zich op de voorste banken. Het was duidelijk dat ze elkaar goed kenden, dat ze vaste bezoekers van de club waren. Over het meisje dat iets aan het vertellen was en intussen voortdurend haar smalle hand, met de lange roodgelakte nagels, door haar haar haalde, had ik gehoord dat ze verloofd was met een assistent. Ze droeg een pluizige trui en een kort leren rokje. Haar hoge laarzen reikten tot boven haar knieschijf.
‘Hij wordt echt helemaal gestoord van haar, zodra hij klaar is met zijn college, loopt ze hem achterna,’ zei ze, proestend van het lachen.
Haar toehoorders begonnen ook te glimlachen.
‘Ze laat in de docentenkamer briefjes voor hem achter, ’s avonds belt ze hem thuis... Hij is zo panisch dat hij bijna de hele tijd de hoorn van de haak legt... het is zelfs zo dat hij de maanden tot aan de tentamenperiode aftelt... Hij laat haar slagen met haar ogen dicht, dat heeft hij ons verteld, hij maakt zich alleen zorgen dat anderen haar zullen laten zakken en dat ze in het najaar weer van voren af aan begint... Ik heb hem toen gezegd dat hij bij iedereen een goed woordje voor haar moet doen, voordat...’
‘Eigenlijk verlangt dit een radicale oplossing... bijvoorbeeld dat hij zijn baan als docent opgeeft...’ antwoordde een van die jongens, die in wat papieren zat te bladeren.
Hij was als enige gekleed in een pak met een stropdas en hij droeg een bril met een goudkleurig montuur; ik was er bijna zeker van dat hij de vierdejaars Cornel Ungureanu was.
Iedereen schoot in de lach, behalve hij. Ik glimlachte ook, een scheve glimlach, in mijn mondhoek, maar ik stopte daar dadelijk mee, er was toch niemand die enige aandacht aan mij schonk.
‘Daar komt hij...!’ riepen degenen die naast de deur stonden, waarna ze op hun gemakje naar de banken op de eerste rijen slenterden, en ik haalde opgelucht adem.
Het lijkt op iets wat ik ken, dacht ik, maar op wat? Ze waren te hoop gelopen rondom het spreekgestoelte, als een presidium, en is het midden stond Petru Arcan. Een onderdeurtje met een woest kapsel zat bijna onmerkbaar te wiebelen en steunde op zijn handen, die hij op tafel had gelegd.
‘Ik geef het woord aan kameraad Cornel Ungureanu, die zal voorlezen uit...’
Het lijkt op een gewone vergadering, zei ik bij mezelf, een inzicht dat met teleurstelling gepaard ging. Bestaat er dan echt nergens een plaats waar de dingen niet zo gaan zoals tijdens een vergadering? Daarentegen deed de tekst van vierdejaars student Cornel Ungureanu me wel aan een andere wereld denken. Ik luisterde, met van concentratie samengeknepen wenkbrauwen, en af en toe struikelde ik over de welluidende woorden die ikzelf nooit gebruikte. Die zal ik moeten leren, bedacht ik, ik ga ze verzamelen in een schriftje wanneer ik artikelen in tijdschriften lees, maar eerst moet ik de woorden vergeten waar ik op school aan gewend ben geraakt. Maar hoe aandachtiger ik luisterde, des te minder ik ervan leek te begrijpen, verkrampt struikelde mijn geest over de stortvloed van namen en titels waarvan ik tot dan toe het bestaan niet had gekend. Nee, zei ik angstig en opgewonden bij mezelf terwijl ik onder de bank mijn klamme handpalmen in elkaar klampte, ik zal het nooit zover schoppen dat ik daar, vanachter de tafel op het podium, iets zal voorlezen... Mijn onwetendheid ziedde vol bewondering en mijn gedachten raakten vertroebeld terwijl ik vanuit mijn ooghoeken steelse blikken de zaal inwierp. Zij, de anderen, wisten en begrepen ongetwijfeld alles, daarom draaiden ze zich om en fluisterden elkaar dingen in het oor of gaapten of keken op hun horloge en uit het raam,
‘U kunt u inschrijven om het woord te nemen... maar eerst, als er dingen onduidelijk zijn, heeft u de gelegenheid vragen te stellen aan de spreker...’
Het onderdeurtje ging weer zitten, steunde zijn slaap in zijn vuist en verplaatste zijn vulpen naast het lege vel papier dat voor hem lag. Ik sloeg haastig mijn ogen neer, een ogenblik lang was ik ervan overtuigd geweest dat hij naar mij keek. Van mijn opwinding was alleen nog angst overgebleven. Als het allemaal maar achter de rug is, zei ik bij mezelf, voordat ze in de gaten krijgen dat ik geen woord over de lezing zou kunnen zeggen.
Ik was zo overduidelijk een indringster in hun midden.
*
‘En, hoe was het...? Heb jij ook het woord genomen?
Ik haalde mijn schouders op en begon me uit te kleden, ik vroeg me af of het nog zin had de volgende keer weer te gaan.
Ik draaide me verveeld met mijn gezicht naar de muur en begon er met mijn nagel aan te krappen, totdat er stukken witkalk in mijn vlees staken en het pijn begon te doen. Deze avond zag er net zo uit als alle andere, er was niets veranderd in vergelijking met de kamer van de ouderejaars, want wij waren nu net zoals zij. Eigenlijk zou ik niet weten hoe je hier anders kunt zijn, dacht ik, terwijl ik mijn ogen dichtkneep tegen het licht.
De meisjes lachten allemaal zo hard dat iemand in de kamer ernaast op de radiator begon te tikken.
Marilena pakte een sandaal van de grond en kegelde die bij wijze van antwoord tegen de muur en toen zag ik dat Didi zich naast het raam stond uit te kleden hoewel de jaloezieën openstonden.
‘Ho eens, meisje, de hele straat kan zien hoe jij je harnas uittrekt...’
‘En wat kan jou dat schelen?’ antwoordde de ander met een plotseling andere gelaatsuitdrukking, terwijl ze woedend haar bh op bed neersmeet.
Ze waren weer begonnen en ik wist dat dit wel even kon duren. Ik gaapte en drukte mijn gezicht in het kussen, want ik was het zat. Hoe zou de kamer waarin Petru Arcan woont eruitzien? Ik moest denken aan de ramen waardoor ik naar binnen keek wanneer ik met Mihai een avondwandeling maakte, de afgeladen boekenkasten tot aan het plafond en hier en daar een zilveren kandelaar die dof glansde in het rode licht van de lampenkap. Ik wist zeker dat hij zich alleen in een dergelijk huis op zijn plaats zou voelen. En wat mijzelf betreft, mij zou nooit iets bijzonders overkomen, zelfs niet dat ik een lezing zou geven op de literaire club... Mijn woorden plakten aan elkaar van de slaap en de beelden van de dag werden gerekt, verzonken tot iets anders. Ik val in slaap, besefte ik, verward, terwijl alles vervloeide, net als ikzelf.
*
‘Wie is Letiţia Branea?’
Er gebeurde iets vervelends. Ik mompelde iets en trok dadelijk de ruwe blauwe deken weer over mijn hoofd, maar het licht had de duisternis in mijn ogen verstoord. Ik dwong mezelf ze open te doen en toen hoorde ik weer de woorden die zonet in mijn slaap waren opgedoken.
‘Wie is Letiţia Branea...? Er is gebeld dat ze dringend naar huis moet...’
Slaapdronken tilde ik mijn gezicht op. Op de drempel van de deur stond de portier. Ik bespeurde de onzekere blik die hij over mij had uitgestort.
‘... er is iemand ernstig ziek... een oom... ik heb het niet helemaal goed begrepen...’
In de diepe stilte hoorde ik het geruis van mijn kleren terwijl ik me aankleedde, de meisjes hadden hun hoofden opgetild van de kussens. Ik bewoog me door een andere lucht dan zij, ik had het gevoel dat de kamer met watten gevuld was en mijn bloed suisde van de schrik. Wie was die andere persoon die met haastige gebaren haar spullen bijeenzocht en uitrekende of ze genoeg geld had voor de reis? Ik was achtergebleven tussen hun opgeluchte en medelijdende blikken, daaruit verhief ik mijn veranderde gelaat en nam slaapwandelend de verwachte rol op me, met de angst of het begin van een verdriet dat ikzelf controleerde en dat ik mezelf dwong te dragen zoals ik had gelezen en in de bioscoop had gezien.
Ik liep de verlaten boulevard op. Mijn voetstappen galmden tot in de verte over de straatstenen. Alleen de stoplichten en de richtingaanwijzers van de auto’s produceerden glinsterende plekken van groen en rood licht. Als ze helemaal naar het postkantoor zijn gegaan om te bellen, betekent dit dat er nog niets is gebeurd, zei ik bij mezelf. Een ogenblik lang overtuigde die gedachte me, maar dadelijk daarna had ik mijn hand naar mijn mond gebracht en van ongeduld op mijn vingers gebeten. Het te vroege tijdstip van de zwarte ochtend verhief zich kil in mij, ik kende het allang, dat uur, zijn klamme en bevroren geur, op een dergelijke ochtend, drenzend van vermoeidheid en slaap, had mama mij naar oom Ion gebracht, nadat er bij ons thuis een huiszoeking was verricht. Dit was het tijdstip van de grote mensen die vroeg op pad gaan omdat ze lange reizen moeten afleggen naar hun werk, ik zag hen nu ook, hoe ze ineengedoken liepen, met de kraag van hun jas opgeslagen en de uitdrukkingsloze gezichten waar de slaap op was beklijfd. Ik had het gevoel dat ik sindsdien helemaal niet was gegroeid, ik was nog altijd even bang voor de duisternis waar ik op de tast doorheen liep. In het licht van de witte straatlantaarns maakten de takken van de bomen concentrische cirkels die fonkelden van het water. Ik passeerde haastig de weinige mensen van de ochtend, ik vreesde, net als toen, hun echte leven, dat ze iedere nacht opnieuw aanvingen. Begon er voor mij ook iets? Ik kon niet verder denken, ik liep langs hen heen en zij wisten ook niet dat boven mijn hoofd het teken hing van het ongeëvenaarde dat me in de kille lucht omwikkelde met huiveringen van de kou.
Op de gang was alleen de conducteur, die met zijn tas op zijn heup voor de wc-deur was blijven staan. Wankelend door het slingeren van de trein ging ik de coupé weer binnen. Op de plaats naast mij zat een kind dat in zijn slaap was gestoord te jengelen, zijn moeder duwde steeds zijn hoofd terug, dat hij de hele tijd probeerde op te richten. Onder het rode schijnsel van de gloeilamp in de zoldering zaten twee forensen met vieze grijze parka’s hikkend te snurken in hun slaap, terwijl ze af en toe hun zware, met modder besmeurde laarzen verzetten. De lucht stonk naar muffe warmte, naar verzuurd zweet en naar ui. Was dat de reden dat ik steeds een brok braaksel in mijn keel voelde opkomen? Ik stapte over hun wijd gespreide benen naar het raam en trok een hoekje van het ruwe bruine gordijn opzij. Achter het beslagen raam schemerde grauw de eerste ochtend die ik vreesde. Het is nu nog goed, het is nog goed zolang ik niets weet, zei ik bij mezelf, terwijl ik mijn gezicht in mijn handen nam. Ik had gewild dat er nooit een einde zou komen aan deze reis, maar ik was weer opgestaan en liep door de lege gang, van het ene uiteinde naar het andere en telde de overgebleven haltes, mijn vingers verkrampt van de haast.
Het station galmde in mijn oren met zijn rumoer van gesmoorde stemmen en gefluit van treinen. Ik had het gevoel dat ik helemaal hier niet weg was geweest, ik liep weer de hoge trap af, zoals ik dat twee weken eerder ook had gedaan. Sigarettenpeuken, proppen papier en op de smerige vloer weggesmeten kaartjes. Het rook bedompt naar goedkope sigaretten en kou, in het onbarmhartige neonlicht hadden de mannen wangen die klef waren van het slaapgebrek en hun stoppelbaard. Maar ditmaal stond er niemand naast het lage ijzeren hekje, ik liep in mijn eentje door de lucht die door de ochtend paars werd gekleurd. Een bloederige streep, waar de wolken uit waren geperst, hing boven de nieuwe flatgebouwen waarheen mijn haastige voetstappen zich richtten. Ik zou voor het eerst binnentreden in een appartement dat van ons alleen was, want inmiddels waren onze medebewoners naar elders verhuisd. Ik zou er binnentreden, maar wat zou ik er aantreffen? Ik rende bijna door de uitgestorven straat. Terwijl ik voortsnelde, wers de bloederige streep steeds breder, ik wist nog niet of ik bang moest zijn en ik wist niet of ik het was.
Van beneden zag ik licht branden in ons raam, een onverwacht licht op die ochtend, die grauw en kil over de huizen was uitgegoten. Het warme, gele licht stelde me dadelijk gerust. Als er licht brandt, is er niets gebeurd, zei ik bij mezelf, ik liep de trap op, met twee of drie treden tegelijk, en de stilte van het flatgebouw weergalmde achter mij. In mijn ogen had ik het gele, geruststellende licht van beneden meegenomen, ik nam het mee tot aan de deur waar ik de sleutel in stak en tot op de drempel en pas toen slaakte ik een kreet. Ik schreeuwde en viel dadelijk weer stil, ik had mijn eigen kreet gehoord en verborg mijn gezicht in mijn handen.
‘Nee...’ riep ik. ‘Dat kan niet!’
Want het kon echt niet, het kon niet zo zijn dat hij daar languit lag, op de tafel in onze woonkamer, misplaatst, log en roerloos, en toch hij, nu, hij kon daar niet liggen, hij kon daar niet voor dood liggen... En na iedere kreet die ik mezelf hoorde slaken, verwachtte ik dat alles voorbij was, maar hij bleef op die ongepaste plaats liggen, op de tafel die was uitgeklapt alsof we eters hadden.
‘Kijk nu toch eens,’ riep mijn moeder, en ze snelde me tegemoet, alsof ze alleen op mijn komst had gewacht, ik was de enige die nog kon zeggen dat het niet waar was. ‘Kijk nu toch eens,’ riep ze, en ze gebaarde naar de tafel met handen die het niet wilden begrijpen.
En zelfs haar gezicht herkende ik niet, het gezicht van het kind dat ze geweest was en dat ik onmogelijk kon kennen, zoals het tevoorschijn kwam door de rimpels heen, tussen de losvallende haarlokken.
Ik ging naast hem staan, zonder het te geloven en zonder het te begrijpen, zijn goede schoolpak hing vormeloos om zijn stijve lichaam. Ik wist dat het geen dode was, ik wist dat hij het was, daarom boog ik me voorover om zijn kille voorhoofd en het slappe vlees van zijn wang aan te raken, met door de dood verwijde poriën. Alleen de in een cirkel in elkaar gevouwen handen op zijn borst, met de grote plukken grijs haar, en de nagels werden uur na uur paarser, net als zijn gezicht, alsof de onbeweeglijkheid hem vermoeide. Het venster glinsterende in de witte, meedogenloze zon of misschien door de tranen en het was een komen en gaan van zijn leerlingen, die op de drempel bleven staan of dichterbij kwamen en een kruis sloegen.
‘De meisjes hebben bloemen voor je meegebracht, Ion,’ riep mama, en ze moest zo snikken dat ze haar bij haar schouders naar de andere kamer brachten.
De leerlingen kwamen dichterbij om naar hem te kijken en ik voelde medelijden met zijn beschamende machteloosheid, als een dode, zoals hij van nu af aan zou blijven, met een glimlach die steeds dunner werd in de scherpe geur van fresia’s en brandende kaarsen. Wat hebben jullie hier te zoeken, maak dat je wegkomt, wilde ik tegen hen zeggen en ik wilde hun medelijdende en samenzweerderige blikken verjagen uit de kamer van onze routine, waar zijn bedaarde gebaren van al die jaren zich ongezien tussen de voorwerpen hadden genesteld. Maar dat andere leven van hem, dat ik niet kende en ook nooit had geprobeerd te leren kennen, bleef voorgoed van hen, dat drong nu pas tot me door. Ik herinnerde me de enige keer dat hij me had meegenomen om een les van hem bij te wonen, toen ik op de achterste bank had gezeten. Hij slenterde tussen de rijen door, met een lachje dat op een of andere manier anders was dan thuis. Hij had niet langer die slepende gang, gebogen naar de grond, en tot sommigen van hen wendde hij zich met een vertrouwelijkheid waarvan ik dacht dat die uitsluitend voor mij was voorbehouden. Ik had hem toen gepikeerde en verwijtende blikken toegeworpen, zonder al te goed te begrijpen waarom, en ik had met gefronst voorhoofd zitten wachten totdat de bel zou gaan en de leerlingen die zich rondom de docententafel hadden vergaard zouden vertrekken. Uiteindelijk was hij naar de kapstok gelopen om zijn jas te pakken en toen stond ik ook op en wierp hun over mijn schouder een triomfantelijk blik toe.
Maar nu bleef hij voorgoed hier, machteloos en vreemd, tussen mij en hen in. Onder de warmte van de zon en van de hete radiator verslapte zijn vermoeide glimlach. De blinde spiegels loerden onder de handdoeken en de meubels kropen naar elkaar toe alsof ze zich opmaakten voor een nieuwe verhuizing. Misschien is het alleen dat, zei ik bij mezelf, ik sloot mijn ogen en wachtte af tot iemand die mij behoedde voor bijzondere gebeurtenissen het ogenblik zou terugdraaien, maar hij werd steeds verder bedolven onder de fresia’s en onder de fletse hyacinten en rondom droop ononderbroken kaarsvet.
‘Jullie moeten hem laten balsemen...’ fluisterde iemand tegen mij.
In de kamer ernaast vertelde mijn moeder, snikkend van het huilen, voor de zoveelste keer wat er gebeurd was, dat hij tegen haar had gezegd dat hij moe was en zich misselijk voelde, hoe zij de keuken was ingegaan om het gas onder het theewater uit te draaien en hoe ze, toen ze terugkwam, hem rochelend had aangetroffen. Hij was over de tafel met de proefwerkschiften heen gevallen. Hij had zitten corrigeren om ze de volgende ochtend te kunnen meenemen. Op dit punt aangeland onderbrak ze zichzelf steevast.
‘Dat ik het niet in de gaten had,’ riep ze uit, ‘dat ik het niet in de gaten had!’
Ze vertelde het steeds op dezelfde manier en haar – eensluidende – woorden kwamen alsof ze probeerde een vinger te krijgen achter iets wat haar iedere keer ontging. Dan kwam ze weer uit bij dezelfde plaats, waar ze stopte, want hier werd alles definitief en dan begon ze te huilen, een lelijk gesnik met uithalen, als een kind, wat haar gezicht misvormde.
‘Jullie moeten hem laten balsemen... Zo gaat het niet langer,’ herhaalde iemand tegen me, in mijn oor.
Ik kon dat niet geloven, maar knikte gedwee. Ik bedwong een huilbui en maakte me op om weg te gaan, maar niet dan nadat ik het kleurloze vocht had weggeveegd dat tussen zijn steeds dunnere lippen door begon te sijpelen.
*
Heb ik die dagen een oog kunnen dichtdoen? Ik wist het niet meer. Mijn schouders trilden, alsof de koude rillingen over mijn lichaam liepen. We sjouwen van hot naar her: voor de overlijdensakte, voor de man die hem moest balsemen, naar het kerkhof, om de plaats uit te kiezen. Op straat rook de lucht vochtig, naast de schuttingen waren nog hopen smerige sneeuw blijven liggen, met een poreuze en zwarte korst, maar overal liepen we door waterige modder. In langwerpige plassen glinsterde iets blauws. Ik verhief verwonderd mijn blikken, ja, de witte hemel was opengebroken, de hemel die bijna een maand lang wit was geweest, was opengebroken en erachter glansde een wolkeloze lucht. De deur van ons appartement stond wagenwijd open, mensen die ik nauwelijks kende liepen in en uit, hun hoed in de hand. Twee kinderen staarden al neuspeuterend vanaf de drempel onze woonkamer in. Tegen ooms boekenkast geleund stond een nieuw houten kruis dat de versleten ruggen van de boeken en de opgetaste ordners aan het oog onttrok. Zijn naam, die op geen enkel ander boek prijkte, was hier te lezen, plechtig en onvertrouwd: inri ion silişteanu. De warme lucht geurde prikkelend naar formol en fresia’s. Naast de tafelpoten ritselden de papieren linten van de kransen.
‘Pas op dat ze niet in brand vliegen, God verhoede...’ zei iemand, terwijl hij ze wegtrok van de brandende, kromme kaarsen.
Ik stond naast hem en verborg af en toe mijn betraande gezicht in mijn handen. Ik wist dat ieder gebaar van mijn verdriet zou worden opgevangen door de blikken van de bezoekers die kwamen en gingen, alsof mijn verdriet ervan genoot omringd te zijn door getuigen. Ik kon hem niet laten liggen onder de blikken van hen die hem wegsleepten en hem in een herinnering veranderden, in één dag had hij jaren van onomkeerbare ouderdom doorlopen. Zijn oren waren wit geworden, wasachtig en doorzichtig, en het vlees van zijn gezicht was grijs gekleurd door de baard die maar bleef doorgroeien. Nog steeds druppelde dat ijskoude vocht tussen zijn glimlachloze lippen door, die nu op elkaar gedrukt waren, en zijn zachte kleren omhulden zijn vreemde verstarring. En ook ik voelde steeds sterker in mij die verstarde slaap, ruikend naar formol en fresia’s en kaarsvet. De slaap waarin hij nog kon zien, met mijn ogen die niet wilden geloven dat hij dood was, voorbij die aan elkaar vastgeplakte, fluwelige en bruinige oogleden van hem, via mij zag hij in zijn slaap nog alles wat er nu met hem gebeurde, voor de laatste keer. Hoe ze hem optilden en hoe zwaar hij plotseling was, hoe ze hem neerlegden tussen de schuine wanden, bekleed met een goedkope witte stof, met onder zijn hoofd een kussentje, hoe ze de bloemen opzij schoven, zodat ze langer goed zouden blijven, en hoe ze hem langzaam en voorzichtig de trap afdroegen, onzeker met hun voeten naar iedere trede tastend. Hoe in het trappenhuis van het flatgebouw, overloop na overloop, de deuren werden geopend en achter ons met een klap weer gesloten werden, hoe naast de kinderglijbaan de motor van de vrachtwagen met zijn feestelijk dichtgetrokken gordijntjes, die door de lui van school was ingehuurd, stond te ronken. Hoe ze hem zuchtend en steunend erin hesen en zijn kruis tegen de bestuurderscabine zetten.
‘Hoe is het zo snel voorbijgegaan?’ fluisterde mijn moeder me toe, terwijl ze haar natgehuilde gezicht naar me ophief.
De modder was steeds kleiachtiger geworden en kwam nu tot halverwege onze schoenen.
‘De tijd... ik weet het niet... hoe die is omgevlogen... het leven...’ mompelde ze, alsof ze me een vraag stelde.
Haar ogen waren plotseling levendig geworden. Nu pas, nu ze in de voorste rij van de stoet liep, had ze het definitief en kortstondig begrepen, pas nu had ze haar leven en al onze samen geleefde jaren in ogenschouw genomen. Het licht van dat inzicht doofde al even snel weer, en de tranen begonnen weer te vloeien. Zo snel, hoe krijgt ze dat voor elkaar, vroeg ik me af terwijl ik haar machteloos bij de arm vastpakte.
Nadat hij op een bergje aarde was geklommen, sprak de directeur, blootshoofds in de druilerige regen. Er stroomden druppeltjes over zijn wangen, of misschien waren het tranen, dat durfde ik niet te zeggen. De haperende toespraak zou mijn oom alleen nog via mij horen. Terwijl hij zich probeerde te herkennen in de plechtige woorden, krioelden in de lemige groeve de paarsige lijven van regenwormen. Hij zou weten hoe ze zijn kransen met de wapperende, doorweekte rouwlinten in de armzalige acacia naast het kruis hadden opgehangen, en ook de aarde die zacht en plakkerig op de houten deksel neerplofte zou hij nog horen. Van hier, van boven, zou hij de stad nog zien die zich tussen de heuvels uitstrekte, zoals hij hem altijd zag, de zwarte vlek van het ontbladerde kreupelbos en de in felle kleuren geschilde klokkentoren van onze kerk en, tussen de flatgebouwen van de nieuwe wijk, de vensters op de derde verdieping van het appartement waar hij uiteindelijk niet meer dan een maand had gewoond.
*
Na al die tijd rook het in huis nog altijd naar de dood. Ze was hier op bezoek gekomen en had de stilte, zijn lege slaapbank en de kaars die nacht na nacht bleef branden achtergelaten. De geur van bloemen vermengd met kaarsen en sporen van zoetig parfum vulden de kamers waarin onze voetstappen vreemd weergalmden. Daarom joegen onze stemmen ons angst aan, spraken we op een fluistertoon en aten we, beschaamd en haastig, op een hoekje van de tafel. Na de dagen vol drukte en mensen werden we omringd door een blinde stilte, wij waren met z’n tweetjes hier achtergebleven, de dood was van ons. Het regende iedere dag, ik bekeek met haatgevoelens de druipende ramen, waardoorheen hij geen nieuwe lente meer zou zien. Niets van wat er voortaan met mij zou gebeuren, zou hij nog te weten komen, zodat mijn leven, tegelijk met het zijne, strandde in de dood. Pas nu besefte ik hoezeer ik de behoefte had om rond te lopen onder zijn blikken en alles wat ik hem ooit eens had willen vragen en waar ik zelfs niet bij had stilgestaan, kwam nu in mijn gedachten op. Het water bleef stromen en droop in kille straaltjes over de ruit en op de binnenplaats hoorde ik het tikken van de regenpijpen. Als ik zou weten dat hij ergens in de stad was, bedacht ik me, zou ik hem snel de oude zwarte paraplu met de kromme baleinen zijn gaan brengen. Ach, hoe hadden we dat bekende, waardevolle lichaam daar zomaar ineens kunnen achterlaten?
*
Het was hoogste tijd om terug te gaan, maar iedere avond stelde ik het weer uit, ik ging met mijn moeder naar de begraafplaats en bij terugkeer vermeed ik Strada Lungă, dus maakte ik een omweg, alsof ik verwachtte hem tegen het lijf te zullen lopen. Iedere keer duwde de bulldozer op een andere plaats, omringd door een stofwolk, stukken muur om die nog overeind waren blijven staan, terwijl eromheen mensen in overalls luidruchtig pratend aan het zwoegen waren. Ik bleef ook staan te midden van de menigte, ik was hem niet tegengekomen en begreep niet waar hij nu zou kunnen zijn. En dan haatte ik de straten en de huizen die nog waren overgebleven en de nieuwe bouwsteigers die overal werden opgetrokken. Ik haatte ze zoals mijn moeder de dingen haatte die ze zoveel jaar lang had beschut en afgestoft en die ze nu verbeten uitdeelde, omdat ze het niet kon verkroppen dat ze langer waren blijven leven dan mijn oom. En opnieuw zwierf ik door de drukke en verlaten straten, ik had niet geweten en pas nu begreep ik dat een hele stad slechts door twee of drie mensen wordt bewoond.
’s Nachts, in de onzekere duisternis, zag ik de overgebleven ringbanden op een stapel in de boekenkast liggen. Ik bedacht me dat er niets van was gepubliceerd en mijn kreet van medelijden smoorde ik in mijn kussen. Ik kende hem nog zo goed, hoe hij bedaard trede voor trede de trap naar de binnenplaats afliep, met de enveloppen vol met aantekeningen in zijn ene hand en het dampende kannetje met koffie in de andere, ik wist hoe hij moeizaam bukte om zijn veters dicht te knopen en hoe hij zijn goede pak borstelde voordat hij naar school ging, ik wist hoe hij over mijn schouder keek wanneer ik zat te lezen en hoe hij de fles wijn die hij tussen zijn knieën klemde ontkurkte en mij vroeg: ‘Hoe gaat het op de universiteit?’
Maar zijn lijden, waarvan ik het bestaan nu pas vermoedde, waar was dat geweest?
*
Ik was teruggegaan naar Boekarest en ’s ochtends ging ik weer naar college of naar de bibliotheek en na de lunch kwam ik uit de kantine.
‘Mijn oom,’ antwoordde ik met kille stem degenen die me ernaar vroegen, terwijl ze naar mijn zwarte mantelpakje keken dat mijn moeder had gemaakt van zijn pak, dat was overgebleven van zijn trouwen.
Nee, ik accepteerde hun vergankelijke schroom niet, hij had mij verdriet gegeven en dat droeg ik mee in de lentelucht die als een zachte ademtocht trilde naast mijn wangen. In de takken, grijs van de knoppen, koerden de tortelduiven en naast de schoongebezemde trottoirs, tussen de vergeelde tramkaartjes en de vuile chocoladewikkels, priemden scherpe grassprieten tevoorschijn. Een straatveegster verzamelde op haar gemakje de papieren met een ijzeren stok, waarmee zij ze opprikte alsof een grillpen was, ze zag er op een vreemde manier ontkleed uit met haar stofjas die ze over haar trainingspak en over haar parka had aangetrokken. Zij passeerden mij, zonder haast, gingen in de rij staan in de winkels of zaten tegenover elkaar rond tafels waarop dof de vochtige kringen van andere glazen glansden. De eerste verkopers van mărţişoare* riepen hen aan, stampvoetend en in hun handen wrijvend van de kou, maar zij haastten zich niet en wachtten de drukte van de komende dagen af. Ik liep ook tussen hen in, zonder te weten waar ik heen ging, onder de kille avondhemel, en het waren niet meer dan woorden, plicht, onbaatzuchtigheid, eerlijkheid, correctheid, waar ik me steeds naar omkeerde, met ongeloof en rancune, omdat ze me deden denken aan zijn verloren leven. Ik voelde ze hoe ze als kleurige ballonnen zweefden, kunstmatig en bedrieglijk, in de dunne avondnevel, onmogelijk dicht in de buurt van de mensen die rondom rondliepen, en al even vreemd als ik.
Ik probeerde alleen hem te vergaren en mijn huidige gedachten versperden, definitief en wellicht ten onrechte, zijn silhouet. Ik zou hem altijd zo zien, met zijn gezicht naar zijn tafelen der wet gekeerd, aarzelend tussen compromis of weerzin of gemakzucht om het te doen. Iedere stap die ik achterwaarts zette, veranderde hem en ik voelde hoe ik hem kwijtraakte en hem veranderde in een gedachte. Alles wat hij tegen mij zei, zei ik tegen hem, nutteloos en laat, zijn onbeholpen twijfel herkende ik in mij, ik droeg deze met me mee en zou hem blijven meedragen. Hij was uitsluitend gestorven zodat ik alles zou begrijpen waar ik nu in mijn eentje naar tastte, nu ik niet langer goed en kwaad uit elkaar kon houden. Ik had zijn dood nodig opdat alles anders zou zijn, in het medelijden dat mij verstikte wist ik dat ik iets anders zou proberen dan hij had gedaan, al wist ik niet wat en liep ik met neergeslagen ogen over straat. Maar zijn tijdeloze afwachten leidde nergens toe, behalve naar een afgelegen laantje dat blank stond van de regen, waar zijn naam op een nat houten kruis begon te vervagen. Nee, geen prijs leek mij te hoog om iets te doen, ik zou alles proberen wat hij niet had geprobeerd, alles wat hij me had verboden zonder het te zeggen. Ik kon me zijn gezicht nog voor de geest halen, zwart van de ingehouden verbolgenheid, hoe hij me aankeek, en ik was bang voor mijn meedogenloze ogen waarin hij zou achterblijven, maar zelfs dat deed er niet langer toe, want hij leefde alleen nog in mij.
*
‘Ik heb een tijdje opzettelijk geen contact met je opgenomen...’ zei Barbu tegen me terwijl hij de plastic stoel met de zware ijzeren poten bijtrok om het zich gemakkelijk te maken. ‘Maar ik wist wat je al die tijd aan het doen was...’
Tussen zijn vingers verkreukelde hij het goedkope papier van het pakje Carpaţi zonder filter. Hij liet zijn ogen nadrukkelijk op mijn gezicht rusten wanneer ik wegkeek en vervolgens gleden ze eraf wanneer ik mijn blikken weer op hem richtte. Dus hij was niet naar de bibliotheek gekomen om mijn lege stoel te zien en hij wist ook niet dat ik in de week na de vakantie was opgeschrokken en mijn ogen van mijn boek had opgeslagen telkens wanneer de deur openging. Maar dat alles leek me nu heel ver weg...
Ik reikte naar het pakje sigaretten zonder hem antwoord te geven. Ik ergerde me al evenzeer aan zijn bezorgde en niet-begrijpende blik als aan de zekerheid van zijn woorden, dus ik had net zo goed kunnen opstaan en weglopen. Maar ik bleef zitten, zonder iets te zeggen, en slurpte van de koffie die koud begon te worden.
‘Laten we die gênante gebeurtenis van toen maar liever vergeten... het zal zo gaan zoals jij wilt...’ zei hij.
Hij stond scheef met zijn schouder tegen de muur naast de ingang geleund.
Het maakte me niets uit of hij nooit meer zou terugkomen of dat hij morgen net zo op me zou wachten, hier, met die tegelijkertijd waterige en zachte blik van hem, die ik hem had aangeleerd. De brede rouwband was losgekomen en bungelde tot op mijn elleboog, ik pakte hem vast en keek naar de stelletjes die in het donkere laantjes stonden te giechelen. Alles stond hier in het teken van zijn dood, het teken dat ik met me meedroeg. Zonder dat zou ik niet mijn klamme hand hebben uitgestoken naar Barbu, die ernaar graaide, zonder dat het hem kon schelen.
*
De dingen waarnaar ik terugkeerde waren op een ongrijpbare manier vreemd, anders dan ik had verwacht. Barbu’s lichaam, op de hoek van de straat waar hij me stond op te wachten, kwam plotseling kinderlijk op me over wanneer hij zijn gezicht vertrok in een beschroomde grimas. Vanuit deze vreemde onverschilligheid waarin ik voortliep, mijn ogen gericht op het verdriet dat ik niet eens meer voelde, zo vertrouwd was ik ermee, had ik voor het eerst een overwicht over hem en nu wist ik zeker dat ik niet meer naar hem terug zou gaan. Hij kuste me hijgend, met ogen die omfloerst waren door een schittering die ze niet eerder hadden gehad, ten onrechte vermoedde ik er soms de tranen in die ik onder mijn oogleden had zitten. Nooit had hij verder van me af gestaan dan nu, toen een vreemd soort algeheel medelijden mijn handen door zijn vuile haardos stuurde.
Ik bracht mijn ogen, die prikten van het slaapgebrek, dichter bij het raam waardoor een volgende ochtend binnendrong. Beneden groeiden de bladeren van de lente monsterlijk, ik had tot dan toe niet gemerkt hoe de knoppen, pijnlijk gevuld met sappen, opensprongen. De gerimpelde blaadjes ritselden onhoorbaar door de nieuwe kleefstof, eronder dampte het warme asfalt, zwermen mussen die waren ontwaakt tjirpten schril, als regen. Door mijn slaapgebrek kregen de bomen een groene floers en het rook naar seringen. Sinds wanneer staat die in bloei? vroeg ik me af. Ik wist het niet, Barbu’s ogen waren nu net zo groen en ik herinnerde mij zijn lichaam, soepel en jong, naast het mijne. Ik bewoog onder een stolp van stilte en daarnaast kolkte de nieuwe wereld onzichtbaar, een andere wereld groeide naar mij toe...
En steeds minder vaak slaagde ik erin oom Ion te vinden. Mijn opstandige kinderblik was hij kwijtgeraakt en hele jaren, wanneer ik ze terugriep, braken in mijn handen, waarna alleen scherven van woorden en gebaren overbleven. De hele stad groeide over hem heen wanneer ik, iedere zaterdag, mijn moeder ging opzoeken. Nieuwe flatgebouwen en gehaaste mensen wisten zijn voetstappen en zijn schaduw uit, en op de door hem geschreven pagina’s vergeelde zijn nauwgezetheid steeds verder. Hardnekkig bleef ik proberen hem te vergaren, maar ieder fragment van de dag voerde hem verder weg. Weggedoken tussen de kussens beweende ik hem steeds minder vaak en was er steeds minder dat ik hem had willen vragen. Soms was het zo fijn geweest met hem, maar ik kon me niet meer herinneren waarom en ik was vergeten waarom ik hem had gezocht.
Alleen af en toe werd de wereld een droevige leegte waarin ik vagelijk voelde dat alles wat hij geweest was op me wachtte. Misschien was ik al begonnen hem, onwetend en vergeten, te dragen en op zijn gelaat vond ik steeds diezelfde kalmte terug waarin ik niet wilde geloven en die ik machteloos aan hem schonk.
Hoofdstuk XIV
Maar hij moest nog ergens zijn en voor mij kon dat alleen in onze stad zijn, net als tot nu toe. Er was bijna een jaar verstreken sinds ik wist dat hij ergens ver weg was, daarom gebeurde het soms dat zijn dood urenlang zo vaag door mijn geest spookte, dat het leek alsof het niet echt was gebeurd. Door de bochtige straten, met het gebarsten plaveisel, moest zijn schaduw zich moeizaam verder voortslepen, in de met meubels volgestouwde kamer maakte hij waarschijnlijk, omringd door boeken en tijdschriften, zijn aantekeningen, terwijl hij werktuiglijk met zijn knie schopte.
Maar waar kon hij nog zijn voor mijn moeder, wanneer ze ’s avonds de sleutel in het slot stak en de deur opende naar de twee kamers, die nu te veel waren, roerloos in de stilte die zij vreesde, en zij een tijdje op de drempel bleef staan om naar dezelfde tafel in de woonkamer te kijken waarop de borden nu geen plaats meer hadden, en naar de al te opgeruimde keuken, zonder de geur van eten? Hoe konden haar nachten zijn, wanneer ze steeds wakker schrok in het klamme nachthemd dat ze aarzelde te vervangen en haar ogen, verward van de slaap, angstig vanwege de herinnering, op het bloederige geflakker van de kaars bleven rusten? Hoe kon ze weer de slaap vatten, uitgeput van het huilen en opnieuw wakker worden om te wachten, met een geduld waar ze inmiddels aan gewend was geraakt, op het tijdstip waarop het grauwe ochtendlicht tussen de vergeelde franjes van het gordijn naar binnen zou dringen? Dan stond ze op, zonder zich nog te haasten, want ze zette geen koffie meer voor hen tweeën en maakte voor niemand nog ontbijt klaar. In de deuropening controleerde ze alleen nog even de paar kaarsjes en het flesje met olie voor de kandelaar op het kerkhof en het pakketje om uit te delen, slaakte een onhoorbare zucht en trok de deur met een klap achter zich dicht, zodat hij uit zichzelf in het slot zou vallen.
‘... Ik kan het niet opbrengen om niet te gaan... Hoe denk je dat ik me zou voelen in de wetenschap dat ik hier ben en niet bij hem langsga...’
En haar gerimpelde gezicht vertrok zich met een kinderachtige verbetenheid, haar neus liep rood aan en moeiteloos begonnen de tranen te stromen. Want hij moest nog ergens zijn en voor haar kon hij nergens anders zijn dan daar. Daarom beklom ze de heuvel aan het uiteinde waarvan ze de witte muur zag, waarachter ze rondliep tussen de graven en de spaarzame crypten en de marmeren kruisen met vergeelde portretten.
Maar ik bedacht dat het onmogelijk was dat zij niet ook eens een keertje naar een vreemde stad zou willen gaan, als naar een onbekend land. Toen, lang geleden, had ik haar onverschilligheid niet begrepen en was die als iets onvergeeflijks op mij overgekomen. Ik zat voor de beduimelde atlas van mijn oom en maakte me op om de landen in rood, paars en blauw na te tekenen.
‘Je moet die atlas niet als voorbeeld nemen... dat is het Europa van voor de oorlog...’ had oom Ion me gezegd, terwijl hij zich over mijn schouder boog. ‘Neem maar liever die van jou.’
En hij legde de Russische atlas voor me neer, die hij had gekocht toen ik veertien was geworden en mijn eerste identiteitsbewijs had opgehaald.
‘Wat?’ vroeg ik verbijsterd aan mijn moeder, terwijl ik het uiteinde van het kleurpotlood in mijn mond stak en erop begon te knagen. ‘Wat? Van al die landen die er zijn, ben jij er in niet eentje geweest?’
‘Moet je haar horen...’
Ze had haar schouders opgehaald, was gestopt met breien en had het voltooide stuk op haar arm gelegd om te zien hoeveel ze nog moest doen.
‘Alsof ik daar de tijd voor had... Voor mijn trouwen leefde ik van de hand in de tand, om mijn school af te kunnen maken, om de examens te kunnen afleggen, ik zat op een internaat... Toen kwamen jij en de oorlog...’
Ze rukte aan de strak gespannen wollen draad, die met een zachte knap brak, doordat hij vast was komen te zitten rondom de tafelpoot. Ze bukte, vergaarde de eindjes om ze weer aan elkaar te knopen en vervolgde: ‘Waar had ik met een klein kind naartoe moeten gaan in zulke tijden... Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen je thuis te laten... Maar ik ben een keer of twee, drie met je vader naar Sinaia geweest, waar de ouwe een villa had, en één keer naar Balcic...’ voegde ze er na een poosje aan toe, alsof ze me wilde sussen.
Ik keek haar geërgerd en verbouwereerd aan en begon mijn potlood te slijpen. Nee, ze gaf allang niet meer om die miljoenensteden die ik nu leerde, om hun economie of hun monumenten. Dat was van geen enkel belang meer, zoals het ook van geen enkel belang was dat er melkwegstelsels en vijf werelddelen bestonden. De zuidpool en de Sahara. Vanuit de hal klonk het slaan van de pendule en toen sprong ze op alsof ze zich gebrand had.
‘Ik ben het eten vergeten...’ fluisterde ze, ze prikte de breinaalden in de kluwen wol, wikkelde alles om het al voltooide gedeelte heen en legde dat op haar nachtkastje. ‘Als je klaar ben met je papieren,’ zei ze bedeesd, ‘kom dan ook naar de keuken...’
Toch moest ik proberen iets te doen om haar te bewegen daar weg te gaan, al was het maar voor een paar dagen, dat zei iedereen tegen me, en met moeite heb ik haar weten te overreden naar Boekarest te komen, zodat we de feestdagen bij Biţă zouden doorbrengen.
*
‘Je hebt me hierheen gesleept zodat ik hier zo stijf als een mummie moet zitten totdat meneer zo vriendelijk is om op te staan...’ mopperde mijn moeder, en ze draaide zich om om verder te rommelen in het keukentje.
Tegen de kapstok geleund stond het dichtgeklapte vouwbed waarop ze had geslapen.
‘Sssssst, sssssst...’ fluisterde ik tegen haar, en ik wees naar de kamer, die baadde in het licht.
Biţă had de jaloezieën opgetrokken en floot in de badkamer.
‘Ben je er al?’ vroeg hij me, toen hij plotseling in de deuropening verscheen.
Zijn gestreepte ochtendjas was opengevallen op zijn vlezige borst, met hier en daar spaarzame, grijze haartjes.
‘De nieuwe generatie, waar we zoveel van verwachten, lijdt aan slapeloosheid...’
Korzelig liep mijn moeder langs hem met een stofdoek in haar hand. Zij beschouwde Biţă’s opgewekte stemming als heiligschennis, het zou me niet zijn gelukt haar te overreden mee te komen als ik haar er niet aan had helpen herinneren hoe hij in onze woonkamer had staan te snikken naast de tafel waarop oom lag. Maar zijn leven hier droeg geen spoor van verdriet meer en ik had geen idee hoe ik de rancune waarmee mijn moeder naar hem keek zou kunnen tegengaan.
‘Hij draagt zelfs geen rouwband...’ fluisterde ze tegen me terwijl ze het colbertje afborstelde waarmee hij ’s ochtends de deur uitging.
‘Die zit op zijn andere jasje... maar hij woont ook alleen... Wie zou die volgens jou dan op al zijn kleren moeten naaien...?’
‘Die meiden die de hele tijd aan de telefoon hangen...’ antwoordde ze meteen, maar toen deed ze er het zwijgen toe en klemde haar lippen op elkaar.
Ze had er dadelijk spijt van dat ze ‘zich ertoe had geleend’ met mij over zulke dingen te praten.
‘Ik zet wel koffie...’ riep Biţă.
Tussen zijn geklets door hoorde ik het spuitflesje aftershave en in het keukentje konden wij de welbekende geur opsnuiven.
‘Doe maar, want jij bent de enige die koffie wilt...’ antwoordde mijn moeder, terwijl ze hem mokkig het koffiekannetje met de aangekoekte koffiedrab toestak.
‘Wil jij niet?’ vroeg hi












